• A
  • A
  • 'Als het maar punten oplevert'

    - De meeste wetenschappelijke publicaties zijn ‘milimeterwerk’ en "het academisch loonslavenleger leidt nog steeds een relatief relaxed en beschermd bestaan." Dany Jacobs, lector bij HAN en ArtEZ, hoogleraar aan de UvA en 7 op de ScienceGuide Top 10, gooide op een conferentie van OCW de knuppel in het hoenderhok. “In zekere zin verbaast het me niet dat zoveel promovendi halverwege hun proefschrift er de brui aan geven.”

    Volgzaamheid

    In de meeste wetenschappen is de sterk gestegen productiviteit als gevolg van het beter monitoren van publicaties en citaties voor het allergrootste deel dus binnenparadigmatisch millimeterwerk. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de meeste van die dure producties nauwelijks gelezen worden. Binnen de universiteiten heeft de publicatiemeting ook tot een soort bureaucratische volgzaamheid geleid. Het doet er minder toe waar je inhoudelijk mee bezig bent, als het maar 'punten' oplevert, want daar verdien je je vrije onderzoekstijd mee.

    Ik heb geen ervaring in bèta-techniek-faculteiten, waar mogelijk meer sprake is van grote onderzoeksprogramma's waar een team collectief aan werkt. Mijn ervaring is dat je op de universiteit slechts heel af en toe nog eens een echt interessante inhoudelijke discussie meemaakt over een proefschrift of artikel. Heel af en toe ervaar je dan de vonk van echte nieuwsgierigheid en intrinsieke motivatie. Maar meestal krijg je meer het gevoel van een grijs wetenschappelijk loonslavenleger dat produceert wat van haar wordt verwacht en op details opmerkingen maakt over elkaars stukken.

    In zekere zin verbaast het me dan ook niet dat zoveel promovendi halverwege hun proefschrift er de brui aan geven. Ook verder in hun carrière zie ik geregeld 'veelbelovende' wetenschappers opeens heel andere carrièrepaden inslaan, met alle kapitaalvernietiging van dien.

    Lost at the frontier

    Overigens leidt het academisch loonslavenleger nog steeds een relatief relaxed en beschermd bestaan, zeker als je dat vergelijkt met de productiviteitsnormen die in de rest van het onderwijs (inclusief het HBO) moeten gehaald worden. Daar komt  nog het statusgenot bij, het gezonde superioriteitsgevoel dat gekoesterd wordt ten opzichte van eenieder die zich met praktisch bruikbaar, meer toegepast onderzoek encannailleert. Meestal wordt dan ook afwijzend gereageerd op ieder verzoek tot deelname aan contractonderzoek, hoe interessant en relevant dat ook moge zijn.

    In de jaren tachtig verscheen in Amerika het boek Lost at the Frontier. Dat ging ondermeer over R&D-afdelingen van grote ondernemingen zoals IBM en AT&T waar men er trots op was zich met onderzoek bezig te houden dat gegarandeerd tot niets praktisch bruikbaars zou leiden. In de grote ondernemingen heeft men dat syndroom intussen met kracht weten te verdelgen, waarbij ook meer onschuldige slachtoffers getroffen werden. Op de meeste universiteiten wordt het syndroom daarentegen nog met kracht gekoesterd. Onderzoekers met meer toegepaste gedrevenheid moeten met de minachting voor hun werk leren leven, dan wel de wijk nemen naar instellingen waar wat ze doen wel gewaardeerd wordt.

    Het zonet beschreven Lost at the Frontier-syndroom leidt er ook toe dat mobiliteit vanuit de toegepaste wetenschap naar de universiteit nog nauwelijks mogelijk is - daarvoor publiceren de toegepaste wetenschappers in de regel te weinig in de academische 'toptijdschriften'. De beste of slimst opererende van dergelijke wetenschappers kunnen in het beste geval nog wel buitengewoon hoogleraar  worden, maar ook daar wordt natuurlijk met het gepaste dédain op neergekeken. Want zitten zij niet meestal op 'gekochte' leerstoelen?

    Een en ander betekent overigens niet dat de maatschappij helemaal tevreden is met de wijze waarop het universitair onderzoek op dit moment plaatsvindt. Enerzijds feliciteert men de universiteiten met hun toegenomen wetenschappelijke productiviteit, anderzijds beknot men wel de middelen voor traditioneel vrij onderzoek. Geleidelijk is hierdoor een herverdeling tot stand gekomen van middelen uit de eerste geldstroom naar de tweede (grote programma's van de NWO, waarbinnen maatschappelijke relevantie ook een groter gewicht heeft gekregen) en de derde geldstroom (bijv. FES-middelen die aangevuld moeten worden met geld uit de private sector, inclusief andere kennisinstellingen).

    Scheve verhouding

    Naast traditioneel op toegepast onderzoek gerichte instituten als TNO en de GTI's is in voorbije decennia zodoende een waaier ontstaan van Technologische Topinstituten en FES-consortia waar op meer gefocuste en gecoördineerde wijze gewerkt wordt aan grotendeels multidisciplinaire onderzoeksprojecten op het grensvlak van fundamenteel en toegepast. Men zou dat eens precies kunnen narekenen, maar mijn ruwe schatting is dat de verdeling alfa-bèta-gamma daarbij ongeveer in de orde 0-90-10 moet liggen. In zekere mate is dat te begrijpen en te legitimeren, maar niet in een dergelijk scheve verhouding.

    De ontwikkelingen in de bèta-techniek richtingen (inclusief life sciences) gaan duidelijk het snelst. Een boek over hersenonderzoek van tien jaar geleden mag als voorbijgestreefd beschouwd worden en dat geldt ook voor de nanotechnologie en delen van de biotechnologie. Bij de alfa's en gamma's is de wetenschappelijke dynamiek duidelijk lager. Ik verdedig dat bepaalde kennis van duizenden jaren geleden nog bruikbaar is en misschien niet eens genoeg wordt toegepast. Het is daarom wellicht niet helemaal verbazingwekkend dat zowel bij de gamma's als de alfa's in de afgelopen tijd relatief weinig is vernomen van nieuwe paradigma's.

    Als die er al zijn (bijv. de complexiteitstheorie) dan zijn er in die wetenschappen nauwelijks mensen mee bezig (als ze er al weet van hebben) of vindt men ze alleen maar lastig (bijv. het alles relativerende postmodernisme in de filosofie). In de economie staat het heersende neo-klassieke paradigma al decennia ter discussie, maar dat mag de pret niet bederven. Negeren van alternatieven is gemakkelijker dan de wetenschappelijke confrontatie ermee aan te gaan.

    Onvoorbereid HBO

    Wellicht als gevolg van het Lost at the frontier bij de universiteiten is het voorbije decennium ook sterk geïnvesteerd in het totstandbrengen van een toegepaste-onderzoeksfunctie bij het HBO. Dat was daar nauwelijks op voorbereid. Tot dan toe stond daar immers het onderwijs 100% centraal. Bovendien was er ook geen pool beschikbaar van erkende toegepaste onderzoekers, want zoals gezegd  bestaan daar niet echt opleidingen voor. Hals over kop werden zodoende bij het HBO tientallen lectoraten ingesteld en ingevuld, zonder dat men precies wist wat die lectoren moesten gaan doen.

    Stilaan begint het stof neer te dalen en wordt helder hoe men onderzoek bij het HBO vorm wil geven. SIA-RAAK, waar men nu al rondes voor vier soorten vraaggestuurde RAAK-programma's organiseert (resp. RAAK-MKB, -Publiek, -PRO en -Internationaal), wijst daarbij met behulp van de nodige subsidiegelden de weg. RAAK staat voor Regionale Aandacht en Actie voor Kenniscirculatie en geeft dus aan dat men voor het HBO vooral een regionale functie in de kennisinfrastructuur ziet.

    Dat is in zekere mate begrijpelijk, omdat HBO-instellingen laagdrempeliger zijn voor het MKB en meer nog dan universiteiten een regionale functie hebben. Opvallend is daarbij dat voor het onderzoek bij de HBO's nu ook een heel systeem voor kwaliteitsborging wordt opgetuigd, waar dat voor andere kennisinstellingen nooit noodzakelijk is gevonden. Er bestaat dus blijkbaar twijfel over de kwaliteit van het HBO-onderzoek.

    Het essay van Dany Jacobs leest u in uitvoerige vorm  hier .