Hun nieuwe kennis ondermijnde het eeuwenoude gezag van het
klassieke schoonheidsideaal, aldus het VU-proefschrift van Petra
Brouwer. Zij bestudeerde handboeken van architecten en
geschiedenisboeken over de bouwkunst, en ontdekte dat er in de
negentiende eeuw juist veel gebruik werd gemaakt van de nieuw
verworven kennis van de natuurwetenschappen.
Vooruit met het verleden
Architecten waren niet langer meer gebonden aan kennis die zij
opdeden op de werkplaats, maar konden veel kennis uit boeken halen.
Materialen werden in de handboeken van de negentiende eeuw
bijvoorbeeld uitgebreid omschreven, mede dankzij nieuwe kennis van
bijvoorbeeld geologie en biologie.
Een veelgehoorde kritiek op de negentiende-eeuwse architecten,
is dat zij zich lieten sturen door nostalgie. Zij bouwden namelijk
veel in neostijlen. Brouwer laat echter zien dat de architecten
juist op een hele vernieuwende manier te werk gingen met de
bouwstijlen uit het verleden. Zij hielden niet langer vast aan de
schoonheidsidealen uit de klassieke oudheid, maar gebruikten
verschillende stijlen uit het hele verleden.
Een klassieke val
Het vertekende beeld over de architecten wordt volgens Brouwer
grotendeels bepaald door het beeld uit het laatste decennium van de
19de eeuw. De architecten die toen terugkeken op de
afgelopen eeuw, zagen een veelheid aan bouwstijlen zonder een echte
eigen stijl. Volgens hen was er juist in alle voorgaande eeuwen wel
een eenduidige stijl geweest.
Volgens Brouwer stapten deze criticasters in een klassieke val.
Het verleden wordt vaak als eenduidig gezien en het heden als
complex. Het eenduidige beeld van het verleden is vaak echter niet
meer dan het resultaat van selectieve geschiedschrijving.