De Gouden Eeuw was voor ons land in meer dan één opzicht bijzonder.
Nieuwe, soms onvoorstelbare welvaart, innovatieve handelsgeest,
succesvolle globalisering op basis van internationale expedities en
wetenschappelijke vooruitgang bevestigden de welhaast onaantastbare
mondiale positie van de Verenigde Provinciën. Het economisch succes
van de Republiek werd door Richelieu zelfs omschreven als 'het
Hollandse wonder', gevoed door nijverheid, handelsgeest en
saamhorigheid op een klein stukje grond bij de zee.
Christophe de Voogd geeft in zijn Geschiedenis van
Nederland een fraaie beschrijving van de materiële welstand in
de toenmalige Republiek. Inventarissen na sterfgevallen onthulden
een ongekende weelde, niet alleen in de rijke patriciërshuizen maar
zelfs in de eenvoudige woningen. Ons land kende tevens een betere
voeding en hygiëne dan omringende landen en een grote zin voor
wetenschappelijk kunnen en toepassen. Natuurlijk: sommige
geschiedschrijvers overdreven de toenmalige luxe in ons land wel
eens. Bijvoorbeeld waar geponeerd werd dat de woningen in de
Nederlanden meer leken op Koninklijke paleizen en dat men in een
gehucht als Leiderdorp meer paleizen dan boerenhutten zou zien.
Desalniettemin was de zeventiende eeuw voor ons land een periode
met een gouden randje.
Overigens is het begrip 'de Gouden Eeuw' geen specifiek Nederlandse
uitvinding. De Romeinse dichter Ovidius voert het begrip al ten
tonele in het eerste deel van zijn Metamorphosen, waar hij
de wereldgeschiedenis laat beginnen met een Gouden Eeuw, een
periode van voortdurende lente. Na de strijd tussen Saturnus en
Jupiter en de machtsovername door Jupiter komt de Gouden Eeuw ten
einde en moet de aanhoudende lente het veld ruimen voor de komst
der seizoenen met hun op- en neergang der tijden. De toekomst is
dan een tijd van voortdurende dynamiek.
De Vier Jaargetijden van Vivaldi grijpt in feite terug op
deze metafoor. De betekenis van deze metafoor voor een beter begrip
van de geschiedenis is verstrekkend. Er is geen garantie dat het
altijd lente zal zijn, maar er is evenmin een garantie dat de lente
niet terug zal komen. In de economische wetenschap wordt dit
verschijnsel wel aangeduid als de golfbeweging, variërend van korte
termijn conjunctuurfluctuaties tot lange termijn structuurgolven
(de zogenaamde. Kondratieff cycli), die onder meer samenhangen met
technologische of institutionele doorbraken. De grote uitdaging
ligt erin niet passief op de golven mee te deinen, maar juist
proactief de loop ervan te beïnvloeden.
Succesfactoren
Op 9 januari 1632 hield Caspar Barlaeus een lezing bij de
opening van het Athenaeum Illustre in Amsterdam, getiteld 'Mercator
Sapiens' (de verstandige koopman). De inhoud van deze toespraak is
nog steeds actueel, want daarin wordt uiteengezet dat het streven
naar economisch gewin (ondernemerschap) samen dient te gaan met
inzicht en verstand (kennis). Kennis en ondernemerschap vormen de
bron voor vooruitgang. Een les die in het huidige innovatiedebat
niets aan kracht heeft ingeboet. Een fraai voorbeeld is te vinden
in de ontwikkeling van de cartografie, een wetenschap waarin
Nederland in de Gouden Eeuw een rol van betekenis speelde. Zonder
geavanceerde geografische kaartkennis zou een betrouwbaar logistiek
systeem voor een zeevaartnatie onmogelijk ontwikkeld kunnen worden.
Maar als Nederland geen handelsnatie was geweest, zou de
cartografie nooit tot grote bloei zijn gekomen. 'Market pull' en
'technology push' lagen hier in elkaars verlengde, en schiepen op
basis van concurrentie en samenspel de nodige spanning en
groeipotentie.
De Nederlandse Gouden Eeuw was een historische periode van
fundamentele doorbraken, waarbij op diverse terreinen
technologische en wetenschappelijke innovaties - in combinatie met
zin voor ondernemerschap en handel - de basis legden voor welvaart
en groei. Deze periode was niet zozeer uniek vanwege de materiële
overvloed, maar vooral door het feit dat een klein land als
Nederland erin geslaagd was een van de meest toonaangevende en
rijkste handelsnaties ter wereld te worden. De belangrijkste
verklaringsgronden zijn:
· Een ondernemende en innovatieve
koopmans- en handelsgeest met een uitgekiend en professioneel
risicomanagement en een geavanceerd internationaal bancair systeem,
waarmee ons land wereldwijd de toon zette voor de eerste
globaliseringsgolf.
· Een hoge mate van internationale
oriëntatie, gestuurd door een slimme logistiek, efficiënte
organisatie en ondersteunende politiekinstitutionele afspraken en
contracten wereldwijd, op basis van sterke punten in de Nederlandse
commercie.
· Een krachtige bevordering van
wetenschap en kunsten die het Nederlandse economische belang
ondersteunden en onderstreepten als cartografie en
sterrenkunde.
Welvaart en wetenschap bevorderden elkaar in de zeventiende eeuw
via onderlinge kruisbestuiving. Na illustere voorgangers als Simon
Stevin kwam een nieuwe generatie op. Anthonie van Leeuwenhoek, Jan
Swammerdam en Christiaan Huygens symboliseerden de hoge staat van
dienst van de Nederlandse wetenschapsbeoefening, gevolgd door
andere groten als Herman Boerhaave. Met grote inzet en
zelfopoffering en op basis van de vele uitdagingen die de Gouden
Eeuw bood, werkten ze onverdroten aan ingenieuze vindingen die de
technologische en wetenschappelijke basis vormden voor de
wereldwijd gerespecteerde positie van de Nederlanden in de Gouden
Eeuw.
Elke discussie over een zogenaamde tegenstelling tussen
fundamenteel en toegepast onderzoek alsmede over een vermeende
tegenstelling tussen alfa/gamma- en bèta- onderzoek - zoals die
soms op onterechte gronden in ons land nog wordt gevoerd -
was hen vreemd. Zonder fundamenteel en origineel denken kan
men geen passende oplossingen voor complexe vragen van samenleving
en techniek verzinnen. Maar zonder maatschappelijke inspiratie kan
men niet de goede fundamentele vragen stellen. Het baanbrekende
werk van de Nederlandse Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen in de
vorige eeuw vormt een hartverwarmende illustratie van deze visie:
de nood in de Derde Wereld vroeg om een oorspronkelijke en
fundamentele economische analyse. De eerste Nederlandse Gouden Eeuw
was gebaseerd op zo'n kruisbestuiving van wetenschap en
economie/techniek.
De 21e eeuw een derde Gouden Eeuw?
In een mondiaal onderzoeks- en innovatieklimaat wordt de
concurrentie steeds sterker. Nederland heeft als kleine speler
ingezet op een hoge Lissabon-ambitie. We willen tot de kopgroep in
Europa behoren. Dat streven acht ik een gezonde uitgangspositie,
maar vergt ook politieke moed en financiële offers.
Wetenschappelijke vooruitgang spruit voort uit de inzet van
talenten van creatieve onderzoekers (intellectware) en van
ondersteunende onderzoeksfaciliteiten (hardware). Kon een
onderzoeker vroeger nog met een sterrenkijker, een passer of een
microscoop uit de voeten, thans heeft hij behoefte aan steeds
omvangrijkere onderzoeksinfrastructuur. De trend van een
solistische onderzoekstraditie naar een team- en
netwerkonderzoekscultuur - in toenemende mate zelfs internationaal
van aard - versterkt bovenstaande ontwikkeling. Onderzoek is
teamwork met een gezamenlijk gebruik van geavanceerde apparatuur en
aanvullende researchfaciliteiten. De toekomst van wetenschappelijke
vooruitgang zal in toenemende mate bepaald worden door een hecht
samenspel van onderzoekteams met hoogwaardige en grootschalige
onderzoeksinfrastructuur bij alle disciplines.
Het Nederlandse huzarenstukje uit de zeventiende eeuw roept als
vanzelf de vraag op of deze unieke periode uit de vaderlandse
geschiedenis niet herhaald kan worden. Hebben we de moed - ook als
klein land in een groot Europa - een duidelijke innovatie- en
wetenschapsambitie te hebben en te realiseren of leggen we het
hoofd in de schoot vanwege teleurstellingen en financiële
perikelen? Ik zal in het vervolg van dit artikel de visie
neerleggen dat Nederland de veldmaarschalkstaf in handen heeft. Ik
begin daartoe met een stukje historie over de 'tweede Gouden Eeuw'
in Nederland.
Sinds 1980 durven we in Nederland onder invloed van de geschriften
van Bastiaan Willink met enige trots te spreken over een tweede
Gouden Eeuw, een periode die zich uitstrekt van het einde van de
negentiende eeuw tot de eerste decennia van de twintigste eeuw.
Niet alleen vielen in deze periode vijf Nobelprijzen ten deel aan
Nederlandse geleerden (Van ´t Hoff, Lorentz, Zeeman, Van der Waals
en Kamerlingh Onnes), ook waren er veel Nederlandse wetenschappers
die als een rijzende ster het internationale wetenschapstoneel
verlichtten (Hugo de Vries, J.C. Kapteyn, G. Heymans, H. Kern en J.
Huizinga). Ons kleine land telde in die tijd wetenschappelijk
overduidelijk mee, een rol die soms wordt toegeschreven aan
voorafgaande ingrijpende onderwijshervormingen, maar die
onmiskenbaar ook met nieuw elan in de Nederlandse
wetenschapsbeoefening en de inbedding daarvan in ons kennissysteem
te maken had.
In het zeer lezenswaardige boek De Akademie en de Tweede Gouden
Eeuw (2004), onder redactie van Van Berkel en anderen, wordt
indringend de vraag gesteld naar de bepalende factoren bij het
ontstaan van deze tweede Gouden Eeuw. Erkenning van de wetenschap,
een gemeenschappelijk plichtsbesef en een bijdrage aan het welzijn
van ons land vormden een belangrijke incubator voor de
wetenschappelijke prestaties van de Nederlandse geleerden in een
ruime tijdspanne rond de vorige eeuwwisseling. Hoe dient een
routekaart voor een derde Gouden Eeuw er uit te zien?
Moed en daadkracht gevraagd
Innovaties laten zich vaak moeilijk als blauwdruk plannen. En
onderzoeksresultaten van groot belang kunnen niet op bestelling
worden geleverd. Eind negentiende eeuw wandelde Metchnikov op het
strand bij Messina. Hij vond een zeester en prikte er uit
nieuwsgierigheid een doorn in. De volgende dag zag hij onder een
microscoop dat honderden celletjes deze doorn bedekten; zij
probeerden de indringer te overspoelen en onschadelijk te maken.
Dat was een overtuigende illustratie van het algemene feit dat
organismen zich verdedigen tegen infecties. Dit algemene principe
heeft de grondslag gelegd voor een nieuwe medische specialisatie,
de immunologie. Het nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek van
Metchnikov leverde de basis voor een medische doorbraak, waarvoor
hij de Nobelprijs kreeg. Originaliteit, nieuwsgierigheid en soms
toeval staan aan de wieg van innovaties.
De op- en neergang der tijden in de vorige eeuw leidde tot een
flets beeld van het Nederlandse wetenschaps- en innovatiesysteem.
Spannende ontwikkelingen vonden elders plaats en vele Nederlandse
wetenschappers verlieten ons land. Maar aan het begin van deze eeuw
kan en moet dat veranderen. Verschillende signalen zijn
bemoedigend. Nederland is er juist de afgelopen tijd in geslaagd
een internationaal erkende positionering van het wetenschappelijk
onderzoek verricht in eigen land te verwerven. De resultaten
van de European Research Council (ERC) laten zien dat Nederland de
zware Europese onderzoekcompetitie heel goed aan kan en tot de
koplopers in Europa behoort. Dat is veelbelovend! Het is daarom
geen misplaatste hoogmoed de vraag te stellen of wij in Nederland
niet aan de vooravond van een nieuwe Gouden Eeuw voor de wetenschap
- en in bredere zin voor de kenniseconomie - staan.
Daarbij hoort ook de vraag: durven we wel voor goud te gaan? Ik
meen in bescheidenheid, maar ook in beslistheid dat ons land
ongekende kansen heeft die in klinkende munt dienen te worden
vertaald. Het gaat per slot van rekening niet alleen om de toekomst
van ons wetenschapsbestel, maar om de toekomst van onze
samenleving. Een toekomst die met onzekerheid, maar ook met gouden
kansen omgeven is. Zo´n toekomst laat zich niet extrapoleren, maar
vergt moed en daadkracht. Daartoe zijn heldere, moeilijke en
ambitieuze keuzes onontbeerlijk, zowel in de publieke als de
private sector. Anders wordt elke routekaart een labyrinth.
Het is soms gebruikelijk de toekomst via scenario's te verkennen.
Recentelijk werd een scenariostudie uitgevoerd naar de toekomst van
het hoger onderwijs en onderzoek. Bij een gouden toekomst hoort
doorzettingsvermogen en durf. Als we het hoofd in de schoot leggen,
komen we uit bij grijze middenscenario's die gebaseerd zijn op
business as usual, zonder creatieve keuzes te maken die
getuigen van visie of moed. In deze recente studie van Jürgen
Enders et al. (2005) blijkt helaas dat vele wetenschappers in
Europa een zekere behoudzucht ten toon spreiden. Dat is jammer en
onnodig.
Desondanks heeft Nederland door een hoge kwaliteit van het
kennissysteem de mogelijkheid een grote sprong voorwaarts te maken,
om op die manier nummer 1 te worden in het Europese kennis- en
innovatiesysteem. Ons land heeft de reële kans voor goud te gaan.
Dat wordt nog ondersteund door de uitspraak van diverse kabinetten
in de afgelopen jaren dat ons land een toppositie in de Europese
kennissamenleving dient te verwerven. Maar deze uitspraken vragen
wel om daden.
Het gouden scenario
De verrassende kracht van grensverleggend onderzoek kan niet
genoeg benadrukt worden. Onderzoek vergt doorzettingsvermogen
vanuit een breed blikveld. Ongeveer honderd jaar geleden deed de
Engelse biochemicus Hopkins een grote ontdekking, namelijk de
veroorzaker van scheurbuik. Het was bekend dat het consumeren van
citrusvruchten scheurbuik tegenging, maar Hopkins ontdekte dat
scheurbuik werd veroorzaakt door een tekort aan vitamine C. Zijn
speurwerk duurde meer dan tien jaar, vond plaats op het grensvlak
van medische wetenschappen, biologie en chemie en was het resultaat
van fundamenteel onderzoek en toegepaste research. Zulk onderzoek
zouden we thans translationeel onderzoek noemen. Het vormt een
fraaie illustratie van de kracht van nieuwsgierigheidgedreven
onderzoek.
Als een gouden scenario binnen handbereik is, hoe ziet zo'n
scenario er dan uit? Ik onderscheid drie kritische succesfactoren
die het gouden scenario een hoge mate van realiteitsgehalte
geven:
· Het Nederlandse wetenschapssysteem
behoort qua onderzoekoutput en internationale erkenning tot de
wereldtop. Het moet mogelijk zijn deze positie te vergulden, mede
door de internationale openheid en wereldwijde verankering van de
Nederlandse wetenschap.
· Het Nederlandse onderzoeksysteem
kent een gezonde balans tussen fundamenteel en toegepast onderzoek,
met een hoge kwaliteitslat. Onderzoek kan zich vruchtbaar laten
inspireren door complexe maatschappelijke en industriële opgaven en
uitdagingen, en aldus een beslissende bijdrage leveren aan het
Nederlandse innovatiesysteem.
· Wetenschappelijk onderzoek in ons
land vindt in toenemende mate plaats in een open onderzoekbestel,
met veel spelers in zowel het publieke als het private domein. Met
veel teamwork van de beste onderzoekers en bovenal met veel
multidisciplinaire initiatieven die een grote sprong vooruit
betekenen.
Nederland staat momenteel hoog op de wereldranglijst van landen met
de meest publicerende onderzoekers. Het systeem van
kwaliteitscontrole en competitie, in combinatie met hoogwaardige
universiteiten en onderzoeksscholen heeft blijkbaar gewerkt. De
basis voor een sprong vooruit is aanwezig, zeker nu bedrijfsleven
en overheid in toenemende mate het belang van geavanceerd onderzoek
erkennen en de resultaten daarvan in toepassing brengen.
De aanpak
Nederland vormt een goede voedingsbodem voor topvoetballers.
Maar we zijn tegelijk de grootste netto exporteur van voetballers.
Onze topvoetballers hebben geen Nederlandse teamspirit en trekken
in groten getale de grens over. Bij internationale
voetbalwedstrijden speelt Nederland vaak een beklagenswaardige rol.
Deze situatie vertoont enige overeenkomst met het
wetenschapsbedrijf in Nederland. Ook hier geldt dat we vele
topwetenschappers in Nederland produceren, maar dat een aanzienlijk
deel daarvan zijn heil elders zoekt. Nederland heeft blijkbaar goud
in handen, maar is niet in staat dat in klinkende munt te vertalen.
Een verschil met de voetbalsport is dat Nederland niet als enige
land in Europa een exporteur van kenniswerkers is. Vrijwel elk
Europees land lijdt aan dezelfde ziekte, die meestal brain drain
wordt genoemd. In feite is het Europese beeld nog gecompliceerder:
er is niet alleen sprake van een Trans-Atlantisch
eenrichtingsverkeer, maar ook van een onevenwichtige stroom van
kenniswerkers binnen Europa. De 'Europese ziekte' heeft zowel
een intern als een extern karakter, waarbij Europa als geheel en
elk individueel land alle zeilen moet bijzetten om het tij te
keren. Naast een betere financiering van onderzoek zal ook een
gericht en effectief brain gain- beleid met urgentie
dienen te worden ingezet.
'Gaan voor goud' hoeft geen fictie te zijn, maar dan moet wel
worden voldaan aan drie kernvoorwaarden:
· Excellente onderzoekers dienen in
vrijheid en eigen verantwoordelijkheid maximale ruimte te krijgen.
Er is behoefte aan vernieuwing en daarom is talentbeleid
belangrijk. Universiteiten, maar ook researchafdelingen van
bedrijven vervullen daarbij een sleutelrol.
· De formulering van
wetenschappelijke vragen dient waar mogelijk haar oorsprong te
vinden in complexe en strategische opgaven van onze
kennissamenleving. Er is behoefte aan een synergie tussen
wetenschappelijke en maatschappelijke innovatie.
· Het moderne kennissysteem vergt een
bundeling van krachten, waarbij focus en massa - gegeven de
internationale stand van zaken met betrekking tot de wetenschap en
de aard van het desbetreffende onderzoeksdomein - tot erkende
internationale posities van Nederlandse onderzoekinitiatieven en
-groepen moet leiden, op basis van krachtige universiteiten en dito
onderzoekinstellingen.
Gouden medailles vergen veel inspanning en doorzettingsvermogen. In
de moderne economische groeitheorie is overtuigend aangetoond dat
groei niet als manna uit de hemel valt, maar door doelbewuste
investeringen aangestuurd dient te worden. Dat geldt ook voor het
wetenschaps- en innovatiesysteem in ons land. De weg naar een
nieuwe Gouden Eeuw is niet alleen geplaveid met goede voornemens,
maar ook met concrete acties en daarbij behorende financiële
middelen. In het recente strategieplan van NWO wordt daarover
nadrukkelijk een uitspraak gedaan. Noodzakelijke investeringen in
kennis en onderzoek zullen zich met name moeten richten op:
· Talentbeleid, inclusief een goed
carrièrebeleid voor veelbelovende onderzoekers.
· Vrije competitie voor origineel
onderzoek van baanbrekende aard.
· Thematische onderzoeksprogramma's
met een grensoverschrijdend karakter.
· Geavanceerde grootschalige
researchinfrastructuur van internationale snit.
· Gerichte en strategische brain
gain-programma´s om talent (terug) te kopen uit het
buitenland.
· Nationale researchinitiatieven van
grote omvang voor groepen met een onbetwiste wereldpositie om
daarmee de absolute top vast te houden.
Het genoemde strategisch plan van NWO heeft een prijskaartje van
zo'n 433 miljoen euro extra op jaarbasis. Dat is geen gering
bedrag, maar goud kost geld! Ter geruststelling: dit bedrag vormt
niet eens een promille van ons nationaal inkomen. Weet u hoeveel in
Nederland op jaarbasis gespendeerd wordt aan reclame? Ruim 6
miljard euro. Als een deel daarvan aan R&D besteed zou worden,
zou de Nederlandse economie er heel anders uitzien.
Investeringen met hoog rendement
Wie de jeugd heeft, heeft niet alleen de toekomst maar ook de
bron van vernieuwing. Generaties komen en gaan; het eerste is heel
goed, maar het tweede zo mogelijk nog beter. Want een nieuwe lente
betekent een nieuw geluid, en dat nieuwe geluid is pas te horen als
het geluid van de winter verstomd is. Investeren in jong talent is
verstandig en noodzakelijk en een goed opleidingssysteem is een
broodnodige voorwaarde voor vooruitgang en vernieuwing. Een goed
onderzoekssysteem is van eminent belang voor de toekomst van een
land, want onderzoek betekent een rusteloos zoeken naar antwoorden
op moeilijke vragen. Het is een verkenning in een terra incognita
in de hoop dat voorbij de bekende horizon iets onbekends, iets
spannends gevonden zal worden. Onderzoek en innovatie hebben veel
met elkaar te maken. Want innovatie vindt z´n oorsprong in
origineel denken, met bereidheid risico´s te nemen. De onderzoeker
en de innovator hebben dezelfde genetische structuur en gaan vaak
door dezelfde fasen van hoop en wanhoop. Daarvoor is jeugdige
fierheid nodig.
De weg naar goud vergt vele publieke en private middelen. De
indringende discussies die hierover de afgelopen jaren in het
Innovatieplatform zijn gevoerd, getuigen van ambitie en
realiteitszin, zoals ook blijkt uit de Kennisinvesteringsagenda
(KIA). Het besef is er dat Nederland het aan zijn stand verplicht
is de zogenaamde kennisinvesteringsquote significant te vergroten.
Alle krachten zullen gemobiliseerd moeten worden om de zeer
begeerde plaats op het erepodium van de kennis te bereiken. Dat
kost zeker geld, veel geld.
Dat wordt breed erkend, getuige ook de massale steun die vele
wetenschappelijke en maatschappelijke organisaties hebben
uitgesproken voor de KIA, waarin een jaarlijks bedrag van vele
miljarden wordt bepleit voor nieuwe investeringen in kennis.
Grensverleggende kennisontwikkeling is van onschatbare waarde voor
bedrijfsleven en overheid. Er is veel behoefte aan uitmuntende en
analytisch scherp getrainde jonge onderzoekers, met een vermogen
tot diepte- en breedteanalyse. Dat vergt van alle partijen een
grote inzet.
Overheden zijn helaas niet altijd de meest scheutige subsidiegevers
voor onderzoek. Dat is op zich niets nieuws, getuige het volgende
citaat: 'De wanverhouding der bezuinigingscijfers wekt helaas
de vrees dat de Regering zich niet genoegzaam bewust is in welke
mate en op welke wijze de gehele structuur der moderne maatschappij
de beoefening der wetenschap tot basis heeft.' Dit was
geen brief aan het kabinet-Balkenende, maar een brief van de
voorzitter van de KNAW, Johan Huizinga, verzonden in 1932 aan de
toenmalige regering.
Wetenschapsbeleid is blijkbaar een niet-aflatende strijd, ook om
geld. Na jarenlang bezuinigen op en negeren van wetenschappelijk
onderwijs en onderzoek in Nederland moet het roer radicaal om.
Nederland kan niet voor een dubbeltje op de eerste rij zitten. En
elke euro gespendeerd aan hoogwaardig onderwijs en onderzoek
verdient zich dubbel en dwars terug. Wetenschap speelt bovendien
zich af op een internationale markt, met veel concurrentie van
andere landen. Diverse landen in Europa zijn bezig met een
inhaalslag. In december 2005 zijn in de VS plannen aangenomen om
het budget van de National Science Foundation (NSF) in de komende
vijf jaar te verdubbelen. Daarom mag Nederland - en Europa - niet
achterblijven. Op een persconferentie zei de Amerikaanse senator
Joseph Lieberman over de extra investeringen in wetenschappelijk
onderzoek het volgende: 'Whenever I meet with industry, they
tell me that supporting university-based research is the single
most important thing that we could do to bolster U.S.
competitiveness.'.
Partnerships van kennis en samenleving
'If we are to maintain the leadership in science that is
essential to national strength, we must vigorously press ahead in
research. There is one simple axiom on which this thought is based:
the secrets of nature are not our monopoly. Any nation that is
willing and able to make the effort can learn the secrets that we
have learned. Such a nation may, indeed, discover new facts of
nature we have not yet discovered. Pure research is arduous,
demanding, and difficult. It requires unusual intellectual powers.
It requires extensive and specialized training. It requires intense
concentration, possible only when all the faculties of the
scientist are brought to bear on a problem, with no disturbances or
distractions. Now and in the years ahead, we need, more than
anything else, the honest and uncompromising common sense of
science. Science means a method of thought. That method is
characterized by open-mindedness, honesty, perseverance, and, above
all, by an unflinching passion for knowledge and truth. When more
of the peoples of the world have learned the ways of thought of the
scientist, we shall have better reason to expect lasting peace and
a fuller life for all.' (uit de lezing van
president Harry Truman ter gelegenheid van het honderdjarig
bestaan van de American Association for the Advancement of Science
in 1948)
Nederland en Europa hebben nog een lange weg te gaan. Jarenlang
beknibbelen op onderzoek valt niet een-twee-drie weg te poetsen. Of
zoals Chris Patten, chancellor van de universiteiten van Oxford en
Newcastle, het onlangs uitdrukte in het blad Nature: 'Europe
pays the price for spending less.' De les voor het
kennisbeleid is eenvoudig: alle naties zijn het aan hun stand
verplicht kennis met prioriteit te behandelen.
Wat kunnen we nu leren van landen met een hoge
kennisinvesteringsquote en een hoge R&D-inzet, zoals Finland,
Zweden, Zwitserland, Korea, Japan en Singapore? En hoe kan
Nederland zicht op goud krijgen? Nederland dient versneld,
structureel en goed georganiseerd te investeren in hoogwaardige
kennis, in talent en in voorzieningen. Het goede nieuws is dat
Nederland sinds enige tijd harder is gaan rennen. Maar andere
landen doen dat ook en daardoor blijven we relatief op dezelfde
plaats. Wil ons land beslissend verder komen in de richting van de
top, dan zullen we twee keer zo hard moeten lopen.
Drie zaken zijn daarbij van belang. Er is behoefte aan een hoge,
onomstreden kwaliteit van onderzoek. Goed onderzoek dient
bovendien, waar mogelijk, in te spelen op urgente en strategische
maatschappelijke vragen. En over goed onderzoek dient professioneel
gecommuniceerd te worden. Deze factoren bepalen de
betalingsbereidheid van de burger en de samenleving voor onderzoek.
Hoogwaardige research betekent een zichtbare en herkenbare bijdrage
aan welvaart en welzijn, zeker in een internationaal concurrerende
omgeving. De VS investeert niet uit luxe of l´art pour
l´art in de wetenschap, de VS beseft heel goed dat Europa een
reële kans heeft het eldorado voor de wetenschap te worden en de VS
voorbij te streven. De economische uitdagingen van landen als China
en India leiden daarbij in de VS tot extra alertheid en
inspanningen op het terrein van kennis.
Nederland heeft een gouden kans een nieuwe Gouden Eeuw te
realiseren, want ons land vormt - net als Schiphol - een
hub in het internationale kennissysteem. Bovendien is er
een groeiend besef dat hoge kenniskwaliteit en innovatie bij elkaar
horen. Voor het bereiken van een toppositie is een gezamenlijke
inzet van alle betrokkenen nodig: van universiteiten en
kennisinstellingen, van laboratoria en onderzoekinstituten, van
alle wetenschapsorganisaties, van de private sector, van
werkgevers- en werknemersorganisaties en last but not
least van overheden. Het erepodium wordt alleen met een
gezamenlijke inspanning bereikt.
Zoals decennia geleden het Nederlandse economisch-institutionele
model van een coöperatie veel baten heeft opgeleverd, is het nu
tijd te werken aan een open en gemeenschappelijk initiatief voor de
wetenschap waarin shared partnership voorop staat. De
Nederlandse kernspelers op kennisterrein zoals NWO, KNAW, VSNU,
TNO, VNO-NCW, NATI.nl, Koninklijke Hollandsche Maatschappij der
Wetenschappen, MKB-Nederland, HBO-Raad en vakbeweging hebben met de
ondertekening van de KIA het startschot gelost voor 'gaan voor
goud'. De tijd is inderdaad rijp voor een wetenschapspact dat de
krachten moet bundelen voor het bereiken van een nieuwe Gouden
Eeuw, waarin de beste kennis wordt gegenereerd ten behoeve van de
samenleving, zonder daarbij uitsluitend af te gaan op
kortetermijndoelen.
Het is interessant hier te verwijzen naar een uitspraak van
Nobelprijswinnaar Lederman (1988), die zich samen met zijn collega
Carrigan afvroeg wat - na jarenlang theoretisch onderzoek op het
terrein van de kwantumtheorie van het atoom - de maatschappelijke
betekenis is geweest van dit onderzoek. 'If all solid-state
quantum devices were to cease functioning, the instantaneous GNP
would fall to zero. All communications would cease. TV and radio
sets would go off….Airplanes wouldn´t fly, computers would be
off….Production lines couldn´t be controlled….Almost nothing would
work.' En als dit citaat nog niet overtuigend genoeg is,
doen we er goed aan ons oor te luister te leggen bij een van de
grootste economen aller tijden, John Maynard Keynes. Hij zei
in de inleiding van zijn grote opus The General
Theory het volgende: 'It is a vulgar fallacy to
suppose that scientific inquiry cannot be fundamental if it
threatens to become useful, or if it arises in response to problems
posed by the everyday world. The real world, in fact, is perhaps
the most fertile of all sources of good research questions calling
for basic scientific inquiry.'
Spelregels voor samenwerking
In Nederland hebben we nog te veel last van allerlei onnodige
hindernissen. De vergelijking valt te trekken met de
Bruynzeelkasten. Die losse kasten werden vanwege geldende
bouwvoorschriften vroeger massaal in nieuwbouwhuizen geplaatst en
vervolgens door de bewoners in groten getale weer verwijderd, omdat
ze niet handig en niet naar hun smaak waren. De meeste eindigden op
de schroothoop. Dit voorbeeld illustreert dat veel voorschriften en
regels hun doel voorbijschieten. Het zijn er in ons land helaas
iets te veel en dat vormt een rem op creativiteit.
Onderzoek staat niet los van samenleving of industrie, maar vindt
haar oorsprong juist vaak in door nieuwsgierigheid gedreven vragen
of uitdagingen die samenleving of industrie aan ons voorleggen.
Daarom kan excellent onderzoek niet goed gedijen in een permanent
isolement in ivoren torens. Analoog aan het open innovatiemodel is
er alle reden een pleidooi te voeren voor een interactief
wetenschapmodel, waarin een permanente dialoog tussen vraag en
aanbod van onderzoek centraal staat en waarbij overheden een
belangrijke faciliterende rol spelen. Dat sluit aan bij het Triple
Helix concept, een interactief samenspel van wetenschap, industrie
en overheid, dat in diverse landen met succes beproefd wordt.
De spelers in een Triple Helix maken zich wel eens zorgen over hun
rol en onafhankelijkheid in het wetenschapssysteem. Daarom is het
wellicht zinvol een aantal simpele spelregels te formuleren die
uitgaan van interactief partnership met onderscheiden
competenties:
· Als wetenschappelijk
onderzoek met publieke middelen wordt betaald, spreekt het voor
zich dat over de besteding op transparante wijze verantwoording
wordt afgelegd.
· Het is volstrekt normaal dat
wetenschappers aangeven wat het maatschappelijk belang is van hun
onderzoek.
· Er is niets verkeerd aan een
onderzoeksysteem dat mede wordt afgerekend op de vraag in hoeverre
een bijdrage wordt geleverd aan de oplossing van belangrijke
maatschappelijke vraagstukken c.q. op de vraag in hoeverre het
onderzoek zich laat inspireren door belangwekkende maatschappelijke
issues.
· Het beste onderzoek wordt
geleverd door creatieve geesten die grensverleggend onderzoek op
enige afstand van de waan van de dag kunnen uitvoeren. Een
kwaliteitstoets op hoogstaand onderzoek moet derhalve op armlengte
plaatsvinden van financierende overheden.
· Noch de politiek noch de
samenleving moeten zich proactief en gedetailleerd bemoeien met de
inhoudelijke vulling van de onderzoekagenda. Uiteraard mag wel
verwacht worden dat de best denkbare kwaliteit van onderzoek wordt
geleverd.
· Een interactief
onderzoeksysteem vergt het besef van gemeenschappelijke
verantwoordelijkheid vanuit onderscheiden rollen en competenties
van overheden, onderzoeksfinanciers, wetenschappers en
samenleving.
· De waarde en de betekenis
van wetenschappelijk onderzoek dienen mede getoetst te worden aan
de vraag in hoeverre een onderzoeksinvestering een significante
bijdrage levert aan het bereiken van een Europese toppositie door
Nederland.
Gevoel voor wetenschap
Met veel vlagvertoon en fraaie toespraken werd op 1 november
2006 de Kennisinvesteringsagenda 2006-2016 (KIA) ten doop gehouden.
Dit prachtige document bevatte een overvloed aan realistische en
zinnige beleidsinitiatieven om Nederland tot land van talenten te
maken. Op diverse fronten moest ernst gemaakt worden met de
realisatie van een ambitieuze agenda op basis van een meerjarige
aanpak op alle fronten: onderwijs, onderzoek, innovatie en
ondernemerschap. De uitgangspunten daarbij zouden zijn: ruimte voor
talent, belonen van prestaties, stimuleren van samenwerking tussen
bedrijfsleven en onderwijs en onderzoek, vraagsturing en autonomie.
Er werd een pleidooi gehouden om jaarlijks 2 à 3 miljard euro als
extra impuls in de kennissamenleving te stoppen. Een tussentijdse
evaluatie heeft als belangrijke vinding opgeleverd dat het
Nederlandse kennis- en innovatiesysteem zich voortbeweegt met de
snelheid van een vertraagde stoptrein. Nog steeds wordt te weinig
beseft wat het sociaaleconomisch belang is van investeringen in
kennis. Niet alleen in talent, maar ook in researchinfrastructuur
en goed georganiseerde researchinitiatieven.
Ter illustratie: OECD-studies komen tot de conclusie dat een 10
procent langere scholingsduur op langere termijn een extra bijdrage
levert aan het Bruto Nationaal Product (BNP) per hoofd van ongeveer
4,7 procent. Eveneens komt de OECD tot de conclusie dat een
verhoging van de R&D-intensiteit van bedrijven met 0,1 procent
van het BNP op den duur tot een extra groei van 1,2 procent van het
BNP per hoofd zal leiden, mede als gevolg van technologische
innovatie en meer efficiënte organisatievormen. En uit eigen
onderzoek op basis van een vergelijkende analyse van 123 empirische
modelstudies uit vele landen kwam overduidelijk naar voren dat
investeringen in onderwijs en onderzoek vrijwel overal ter wereld
een positieve invloed hebben op economische groei. Genoemde
bevindingen over de noodzaak van een goed geschoolde bevolking in
de hele onderwijsketen staan helaas in een schril contrast met de
gebrekkige investeringen in de Nederlandse kenniseconomie. In de
loop der jaren en in vergelijking met andere Europese landen scoort
Nederland nog steeds slecht wat betreft uitgaven aan onderwijs en
R&D. Er is dus volop werk aan de winkel.
Nederland heeft een sterke Europese voorbeeldrol die door velen
erkend wordt. Het realiseren van een hoge kennisambitie behoort tot
de mogelijkheden. Het bereiken van een nieuwe Gouden Eeuw vergt
zelfopoffering en zelfvertrouwen van onze samenleving. Bovendien
moeten we de resultaten niet onder de korenmaat houden. De
'kaasstolp' vind ik een beangstigende metafoor. Weet u waar de VS
goed in is? Niet alleen in hoogwaardig en toegepast onderzoek op
basis van kwaliteitsselectie in competitie, maar ook in het
communiceren van de resultaten en het ondersteunen van jonge
onderzoekers in hun eerste stappen als innovatief ondernemer.
Daarin zijn wij in Nederland niet goed, in ieder geval niet goed
genoeg.
Al te vaak wordt door wetenschappers de in de buitenwacht soms
gestelde vraag: waar dient het allemaal voor en wie wordt er beter
van? schouderophalend afgedaan. Natuurlijk: als de nationale
veiligheid of de werkgelegenheid in het geding is, zijn overheden
snel bereid de portemonne te trekken. Maar wie ligt er wakker van
wetenschappelijk onderzoek? Wie trekt zich het lot aan van
duizenden getalenteerde jonge onderzoekers? Wetenschap is een
essentieel deel van onze gemeenschappelijke cultuur. Er is behoefte
aan een nieuwe science literacy, als voedingsbodem voor
een florerende kennissamenleving. We kunnen nog veel leren van
Albert Einstein die het ook als zijn taak zag zijn vindingen over
de relativiteitstheorie te populariseren. Weet u hoe hij zo'n
fundamenteel probleem van de relativiteit van tijd en ruimte
uitlegde? 'Als een man een uur lang bij een mooi meisje is,
lijkt het een minuut. Maar zet hem een minuut lang op een hete
kachel - en het lijkt langer dan een uur. Dat is
relativiteit.' Wetenschappers hebben ook een belangrijke taak
te laten zien hoe spannend en belangrijk wetenschappelijk werk is.
Ook dat hoort bij een nieuwe Gouden Eeuw.
De vlucht voorwaarts
Er wordt wel eens gezegd dat cijfers de wereld regeren;
wellicht! Maar ik ben er zeker van dat het de cijfers zijn die ons
laten zien of er goed of slecht geregeerd wordt. (vrij naar
Johann Wolfgang von Goethe).
Is bovenstaande visie te ambitieus of te optimistisch? Ik volsta
hier met een verwijzing naar een uitspraak van een der meest
creatieve en invloedrijke geleerden aller tijden, Leonardo Da
Vinci, die ooit gezegd heeft: 'Obstakels belemmeren me niet.
Vastberadenheid overwint elk obstakel. Wie een groot doel voor ogen
heeft, zal niet van gedachten veranderen.' Er zijn
FES-middelen die onze kennisinvesteringsquote flink kunnen ophogen.
Er zijn kennismiddelen die ons een riant uitzicht kunnen geven op
een aangenamere toekomst. Maar de besteding van de FES-middelen
vergt een weloverwogen strategie en gedegen toetsing en mag niet
aan ad hoc inzichten worden overgelaten.
Tot slot: Nederland heeft het Lissabon-akkoord onderschreven om
Europa - en dus ook Nederland - tot de meest kennisintensieve regio
van de wereld te maken. Tevens is in de Barcelona-doelstelling de
intentie uitgesproken dat minimaal 3 procent van het Bruto
Nationaal Product (BNP) zal worden besteed aan R&D, publiek en
privaat. Zo ver is het nog lang niet. Het kabinet Balkenende heeft
met de aardgasbaten enerzijds en een gedreven kenniscultuur
anderzijds goud in handen. Maar dan moet ´s rijks
schatkistbewaarder con amore meewerken. Een nieuwe Gouden
Eeuw is geen luchtkasteel, maar een realistische optie mits er een
overtuigend en solide fundament onder gelegd wordt. Dat hangt af
van principiële keuzes die minder dienen te zijn ingegeven door
geloof in beperkingen, maar veel meer door de erkenning van nieuwe
mogelijkheden.
Peter Nijkamp
Geraadpleegde literatuur
Berkel, K. van, G.A.C. van der Lem, F.H. van Lunteren & W.W.
Mijnhardt (red.), De Akademie en de Tweede Gouden Eeuw,
KNAW, Amsterdam, 2004
Enders, J., J. File, J. Huisman & D. Westerheijden (red.),
The European Higher Education and Research Landscape 2020,
CHEPS, Enschede, 2005
Getty, H., Toppertje!, Uitgeverij BZZTöH, Den Haag,
2004
Het Wetenschapsboek , Lannoo/Spectrum, Utrecht, 2005
Keynes, J.M., The General Theory, MacMillan, London,
1936
Lederman, L. & Carrigan, A., What Fraction of the US GNP makes
Use of Devices Invented as a Result of the Success of the Quantum
Theory of the Atom?, Paper Fermi Lab 7th Annual Meeting, May
1987
NOWT, Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren, 2005,
Ministerie van OCW, Den Haag, 2005
NOWT, Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren, 2008,
Ministerie van OCW, Den Haag, 2008
NWO, Verwondering, Wetenschap in Nederland, Boom,
Amsterdam/Den Haag, 2006
NWO, Op onderzoek, Wetenschap in Nederland, Boon,
Amsterdam/Den Haag 2007
NWO, Wetenschap Gewaardeerd!, Den Haag, 2006
Voogd, Ch. de, Histoire des Pays-Bas, Hatier, Paris, 1992
(vertaald als: Geschiedenis van Nederland, Arena,
Amsterdam, 1996)
Willink, B., De Tweede Gouden Eeuw: Nederland en de
Nobelprijzen voor Natuurwetenschappen 1870-1940, Bert Bakker,
Amsterdam, 1998
Dit essay verschijnt ook in:
'Ambitie onder de kaasstolp, tweegesprekken over de toekomst van
Nederland'. Auteurs: Sijmen van Wijk, Sanne de Roever ISBN: 978-
90-79812-01-1
VOC Uitgevers http://www.voc-uitgevers.nl/shop.asp