• A
  • A
  • 'Allochtonen integreren redelijk snel'

    - Als dochter van een gastarbeider gingen ze studeren aan wat nu INHolland heet. Sinds kort is Fatima Elatik voorzitter van het Amsterdamse stadsdeel Zeeburg. ScienceGuide sprak met haar over allochtoon studiesucces en de ontwikkeling van talent. “Het doet mij pijn in het hart als allochtone kinderen denken dat ze weinig kansen hebben”.

    Identiteit
    “Ik heb heel veel moeite gehad met de ontwikkeling van mijn identiteit. Ik ben niet van de extremen. Ik ben niet zwart-wit. Ik ben echt een Amsterdamse, maar de Marokkaanse cultuur vind ik ook geweldig.

    Op de middelbare school heb ik een rustige identiteitsontwikkeling gehad. Aan het einde van de MAVO ging ik een hoofddoek dragen, daar deed niemand moeilijk over. Nu trekt iedereen aan je, ook politiek.

    Op de hogeschool heb ik het evenwicht gevonden tussen mijn spiritualiteit en het maatschap­pelijke leven, juist door de openheid, de ruimte en de kansen die daar werden geboden. Ik was daar gelukkig gewoon een van de duizenden studenten. Ik was best wel een coole chick. Ik was voor alles Faat, niet een Marokkaanse. Ik kreeg de ruimte om zelf dingen te ontdekken. Vriendinnen vonden mij leuk om wie ik was.

    In de huidige omstandigheden lijkt het me wel moeilijk: je identiteit ontwikkel je nu eenmaal niet onder grote druk. Ik heb André Hazes niet leuk leren vinden omdat het moet: het staat in mijn geheugen gegrift. Toen ik kind was, stond André Hazes vaak heel hard aan bij mensen in de buurt. Daardoor krijg ik nu nog tintelingen op mijn rug bij die muziek. Ook bij Danny de Munk trouwens, dat is niet geveinsd. Dat had ik niet gehad als iemand mij die muziek had opgelegd. Datzelfde geldt voor Berberse muziek. Als ik die hoor, moet ik dansen, al lig ik dood op bed.

    Het werkt niet om mensen een identiteit door de strot te duwen. Mensen moeten zich die eigen maken in hun eigen tempo. Ik denk wel eens: stel nou dat we 1500 Korans kopen en opstapelen op het Binnenhof. Vervolgens geven we een fakkel aan Wilders, zodat hij al die Korans in brand kan steken. Daarna vragen we aan Wilders: wat heb je nu bereikt? Denk je nou heus dat als je al die boeken verbrandt, dat je dan het goddelijk geloof uit mijn hart kan weghalen? I don’t think so”.

    Gebedsruimte

    “Na de lagere school ging ik naar de MAVO. Ik deed dat omdat een vriendinnetje er ook heenging. Het was best wel frustrerend, ik had echt meer gekund. Op mijn negende las ik al een boek van Che Guevara. Toen hadden ze al iets van mijn talenten kunnen zien. Ik zuig informatie op. Maar toen was er nooit een docent die zei: ga liever naar een brede scholengemeenschap, dan kun je tenminste nog naar HAVO of VWO. Had een docent dat wel gedaan, had ik vast andere keuzes gemaakt. Dan had ik misschien wel sociologie gestudeerd.

    Na de HAVO ging ik naar de hogeschool Holland om daar de lerarenopleiding biologie te doen. Ik was van plan om na de propedeuse door te gaan naar de universiteit. Maar na de eerste stage in het onderwijs was ik verkocht. Ik deed nog wel een proefcollege op de universiteit, maar concludeerde dat dat voor mij te theoretisch was. Ik had daar geen zin in.

    Waarom ik koos voor de lerarenopleiding biologie? Ik was een beetje een nerd. Ik vond de exacte vakken gewoon leuk. Daarom ben ik met opzet een bètastudie gaan doen. Ik koos voor biologie omdat dat makkelijker en leuker is dan bijvoorbeeld scheikunde. Maar het had ook te maken met mijn spirituele achtergrond: ik was geboeid door de cycli van het leven. Ik ben opgegroeid in Amsterdam-Zuid. Daar zie je veel islamitische en Joodse achtergronden. Daardoor heb je verschillende religieuze invloeden op cultuur en denken, en dat riep bij mij vragen op. Door de Koran leerde ik God kennen, door de wetenschap leerde ik de schepping kennen. Het leren benoemen van de ontwikkeling van het embryo in de buik van de vrouw heeft mijn godsbesef versterkt.

    Een van de docenten op de hogeschool Holland heeft daar geweldig bij geholpen. Pim ‘t Hart doceerde geschiedenis van de natuurwetenschappen. Maar hij kon heel goed inspireren, leerde ons te denken los van het curriculum. Door de wetenschap te bestuderen, leerde ik goed hoe in een ecosysteem alles van elkaar afhankelijk is. Daar moet dus wel een origineel plan achter zitten van God.

    Op de hogeschool Holland hebben we ooit gevraagd om een gebedsruimte. Gelukkig reageerden de docenten heel normaal. Wij hebben toen zelf bedacht dat het een gebedsruimte moest worden waar ook andere religies terecht konden. We zaten namelijk op een oecumenische hogeschool. Samen met het studentenpastoraat organiseerden we discussies en keken we films. Dit speelde zich af begin jaren ‘90. Een paar jaar later ontstond er in de media een hele discussie over gebedsruimtes, en ik dacht: wat gebeurt er nu? Toen gingen ook van die rare Tweede Kamerleden zich ermee bemoeien die er geen verstand van hebben. Ik denk dan: laat die hogescholen dat zelf oplossen.

    Het is toch prima als een directeur van een hogeschool over zoiets gaat onderhandelen met studenten? Zo gaat het in het gewone leven ook: je krijgt niet direct alles wat je wilt. Dus als directeur van een hogeschool zou ik zeggen: een gebedsruimte mag, maar die staat die ook open voor andere religies. Je kunt de studenten wel alles geven waar ze om vragen, maar wat heb je daar aan? Zo gaat het in het gewone leven toch ook niet?

    Als een student op 17 of 18-jarige leeftijd de hogeschool binnenkomt, is hij nog niet volwassen. In zijn tijd op de hogeschool gaat het niet alleen om het verwerven van kennis. Zo ’n student maakt zijn eerste grote verliefdheid mee, misschien wel zijn eerste seksuele ervaring, maar ook teleurstellingen des levens, misschien wel zijn eerste break-up. Dan gebeurt er iets met de mensen, je moet dus niet alleen maar lessen draaien”.

    Marokkanen in alle beroepen

    “In 1993/94 liep ik stage op het Montessori College Oost. Toen ik daar kwam, vroegen sommigen wat ik daar kwam doen. Toen ik vertelde dat ik de nieuwe juf was, schrokken sommige meisjes zich rot: kan dat?

    Als kinderen bij mij op bezoek komen, vinden ze het vaak heel bijzonder dat ik wethouder ben. Terwijl ik het helemaal niet zo bijzonder vindt. Mijn vader was gastarbeider, mijn moeder was boerin en werd in Nederland huisvrouw. Zo’n bijzondere achtergrond heb ik dus helemaal niet. En zo bijzonder is het werk wat ik nu doe ook niet. Dan vraag ik mij af: waarom geef je kinderen het besef dat ze zo’n baan als die van mij nooit kunnen bereiken? Wat je hier ziet, is de oude arbeidersmentaliteit: Als je voor een dubbeltje geboren bent, wordt je nooit een kwartje. Onzin natuurlijk. Er zijn al best veel Marokkanen in Nederland die heel succesvol geworden zijn. We hebben artsen, politieagenten etc. Het doet mij pijn in het hart als allochtone kinderen denken dat ze weinig kansen hebben.

    Het Nederlandse onderwijs is niet gericht op excelleren. ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’. We vinden het al heel wat als kinderen aan de eindtermen voldoen. Terwijl ik dan denk: de eindtermen zijn het minimum. Je zou kinderen moeten stimuleren het beste uit zichzelf te halen. Ik vind het heel positief dat Jan Peter Balkenende de negatieve zesjescultuur probeert aan te pakken. Hij heeft natuurlijk groot gelijk.

    Ik maak mij veel zorgen om de Marokkaanse jongens, die blijven achter. Het creëert ook een tweedeling in de gemeenschap tussen mannen en vrouwen. Heel veel dingen zijn daarbij gemeenschapsgebonden. Marokkaanse jongens hebben een enorm negatief zelfbeeld. Iedereen denkt bij Marokkaanse jongeren aan de shit. Kinderen, en daar hebben we het hier over, moeten daar vaak tegenop botsen. Als je een bijbaantje wilt bij de supermarkt, en je bent al voor de vijfde keer afgewezen, dan is dat niet goed voor je zelfbeeld. Het leidt ook tot machogedrag van de straatcultuur. Die Marokkaanse jongens zijn enerzijds dus slachtoffer, maar vervolgens ook dader. Het heeft ook te maken met man/vrouwverhoudingen. Vrouwen zijn doelgerichter, ook autochtone Nederlandse vrouwen trouwens. Ze weten dat je alleen een mooie maatschappelijke positie krijgt als je goed bent opgeleid. Ze denken allemaal: “Ik wil niet zo als mijn moeder eindigen, als huisvrouw”.

    Op de Amsterdamse scholen is 80 procent van de leerlingen zwart. Toch zijn de zwarte docenten op de vingers van een hand tellen. De enige niet-westerse allochtonen die leerlingen op de school zien, zijn de conciërge en de schoonmaker. Dat geeft toch geen identificatiemogelijkheden?

    Maar als je allochtone docenten aanstelt, dan moet je ze wel de mogelijkheid geven om hun mening te geven. Ze willen namelijk niet in een keurslijf. En als je ze hun mening vraagt, dan kan het best zijn dat ze dingen zeggen die ingaan tegen het beleid van de school. Allochtone docenten die ik ken, doen naast hun werk altijd iets maatschappelijks. Als zij met ideeën komen, bijvoorbeeld dat je ook de ouders bij het onderwijs moet betrekken, dan moet je ze wel de gelegenheid bieden. Het is als met auto’s op de snelweg: als je wilt dat auto’s vanaf de invoegstrook ritsen, moet je ze daartoe wel de ruimte geven. Ook moet je bedenken dat er ook docenten zijn die gewoon les willen geven, die er niet steeds aan herinnerd willen worden dat ze allochtoon zijn. Dat je allochtoon bent, wil namelijk nog niet zeggen dat je er verstand van hebt wat het is om allochtoon te zijn, of dat je daar steeds op aangesproken wil worden. Ik zelf vind het ook niet prettig om steeds aangesproken te worden op mijn allochtone identiteit.

    Wat was het percentage arbeiders op hogescholen in de jaren ‘60? Daarmee moet je de situatie van allochtonen vergelijken. We hebben het hier niet alleen over een etnisch vraagstuk, maar ook over een klassenvraagstuk. De vraag is: waar gingen kinderen van arbeiders toen heen? Hoe lang heeft het geduurd voordat de kinderen van arbeiders op de universiteit terechtkwamen? Volgens mij doen wij het als allochtonen redelijk snel. Mijn vader is hier per slot van rekening pas 45 jaar. What are we talking about? De derde generatie zit nu op de basisschool, die kinderen gaan het straks geweldig doen. We hebben het lang niet slecht gedaan. Nu al zijn er Marokkanen in alle beroepen, advocaten, economen, maar ook sporters. We maken dezelfde ontwikkeling door als Marokkaanse arbeiders van toen. We beginnen hier nu ook al de eerste miljonairs te krijgen. Met eerlijke zaken, zeg ik er maar even bij.

    Talenten op hogescholen zou je moeten stimuleren met ludieke talentenjachten, ook binnen cursussen. Amerikaanse highschools zijn een en al gericht op prestatie. Dus ik zou zeggen: organiseer schooltoernooien tussen scholen. Corpsballen hebben dat wel, bijvoorbeeld met hockey. Waarom hebben de ‘volkshogescholen’ dat dan niet? Op de hogeschool had ik een vriendje, een professortje. Hij wilde patent aanvragen op een van zijn uitvindingen, een knijper waarmee je een pipet kunt vasthouden. Dat is toch cool? Dat moet je toch stimuleren? Als ik als wethouder een klas met hoge CITO-scores wil belonen met een prijs, dan wordt er gezegd dat dat demotiverend is voor andere klassen. Maar dat is toch onzin? Waarom organiseer je niet voetbaltoernooien, zoals op de highschool, met leuke prijzen? Dat heeft ook nog als voordeel dat je ze weg houdt van nare dingen waar onze kinderen nu in belanden”.

    Geloof relativeert

    “In Nederland is het moeilijk om over je geloof te praten en dat vast te houden. Dat heb ik wel gemerkt, en daar heb ik ook wel last van gehad. En dat terwijl het geloof heel belangrijk is. Het leert je die dingen zien die in het leven belangrijk zijn, zoals barmhartigheid en genade. Of neem zoiets als vergeving. Het is belangrijk om mensen te vergeven. Het is niet altijd goed om je gelijk te halen. Soms kun je de dingen maar beter aan God overlaten. Zo ’n houding maakt je minder star en streng. Het relativeert een heleboel. Het geeft ook een doel aan je leven.

    Laatst was ik op de EO-Jongerendag. Ik was daar op uitnodiging van een van onze partners. Ik vond het zo bijzonder: er werd daar door heel veel jongeren gezongen en gebeden. De sfeer was zo uplifting. Ik heb daar met mijn armen in de lucht gebeden en gejankt. Het zag er natuurlijk wel raar uit, zo’n moslima met een hoofddoek tussen al die christelijke jongeren. Dat besef ik ook wel. Maar ik zie geen verschil tussen de God van de christenen en de God van de moslims. Voor mij is het dezelfde bron”.

    Practice what you preach

    “Politici moeten de lerarenopleiding doen. Daar leer je namelijk met grote groepen omgaan. Ik heb  daar dan ook geen moeite mee. Op school werkt het zo, dat als een leraar ziek is, je zijn klas onmiddellijk moet overnemen. Dan krijg je niet een dag om dat voor te bereiden. Je moet binnen tien minuten inschatten: hoe ga ik met deze groep om? Op de lerarenopleiding leer je veel over pedagogiek, maar ook over didactiek: hoe moet je de boodschap overbrengen? Als je voor de klas staat, is je geloofwaardigheid heel belangrijk. ‘Practice what you preach’. Dat geldt ook voor de politiek. Al willen sommige politici daar niet van weten. Op dit moment viert het populisme hoogtij.

    Wat ik in Nederland mis, zijn programma’s op maat voor mensen zoals ik. Waarom bieden hogescholen en universiteiten zulke programma’s niet aan? Ik heb het een keer geprobeerd met een post-hbo opleiding. Maar ik kreeg toen te horen dat ik 3,5 jaar heel veel uren moest gaan maken. Dat kan niet in mijn werk. Waarom biedt een universiteit als Nyenrode geen programma voor bestuurlijk leiderschap? Er zijn nu al bureaus die daar bakken met geld mee verdienen. Vorig jaar kreeg ik het aanbod een half jaar op Yale te komen voor een programma met hoorcolleges. All expenses paid.

    Een dergelijk programma zou ik hier dus ook willen. In mijn werk heb ik te maken met vraagstukken als conflicten in de wijk, sociaal-maatschappelijke veranderingen, sociaal-economische hervormingen. Het aanpakken daarvan leer je niet op hogeschool of universiteit. Zoiets leer je alleen door mensen als Nijpels, Bolkestein en Peper hoorcolleges te laten geven.

    Sinds 11 september leven we in een paranoïde staat. Politiek moet niet spannend zijn, is niet leuk. Politiek moet doeltreffend en doelmatig zijn. Wij hebben dus helemaal niets aan soundbites als van Hirsi Ali en Geert Wilders. Dat reken ik ook mijn eigen partij aan. Het gaat erom dat je als politicus geïnspireerd bent.

    Van Balkenende heb ik wel eens voor de grap gezegd dat hij net een antwoordapparaat is, omdat hij steeds op dezelfde toonhoogte praat. Maar als ik hem zie, dan denk ik: ik geloof je. Zijn positionering heeft te maken met zijn religieuze achtergrond. Je ziet: hij meent wat hij zegt. Hij laat zich door iets anders leiden dan door de materiële wereld. Dat geldt ook voor Rouvoet. Zij stralen iets uit, hebben zelf ook bijna het gevoel Gods boodschapper te zijn. Moslims zeggen: je kunt dat aan de gezichten van de mensen zien. Als Jan Peter Balkenende zegt ‘na het zuur komt het zoet’, dan geloof ik dat echt.

    Ik hoop dat we daarmee uit de massahysterie komen. Ik zou beleidsmedewerkers wel eens naar Marokko willen sturen. En dan niet in hotels, maar onder het gewone volk. Als ze daar een paar weken zitten, dan praten ze wel anders. We moeten af van de zeikcultuur”.