• A
  • A
  • Job Cohen: 'Het kan zoveel beter en rijker'

    - De geesteswetenschappen moeten hun structurele problemen en gebrek aan duidelijke keuzes allereerst zelf aanpakken. "De faculteiten en de colleges van bestuur gaan zich daar nu over buigen: wat willen we en wat kunnen we? Die gaan echt niet allemaal dezelfde onderwerpen of ‘gouwe ouwen’ opschrijven," hoopt Job Cohen, die de commissie voorzat die een nationaal plan ontwierpen moest.

    Met Frits van Oostrom sprak Cohen met ScienceGuide over "veel goed werk dat in splendid isolation wordt gedaan. Vaak is dat niet zo splendid. Voor je het weet, krijg je ‘Het Bureau’. Vreselijk is dat, ook al levert het natuurlijk prachtige literatuur op.”

    Familiezin en versnippering

    "De biografie van Vondel! Mag ik die nog noemen?", vraagt Job Cohen, terwijl hij zijn hoofd nog even om de deur van zijn vergaderkamer steekt. De vraag van ScienceGuide was eerder geweest welk boek uit de geesteswetenschappen hem de laatste tijd het meeste getroffen had. De voorzitter van de commissie over deze discipline begon toen over het boek van zijn broer Floris over het wezen van de moderniteit in de westerse geschiedenis. "Hij heeft daar twintig jaar aan gewerkt en pas toen de Engelse editie vertaald werd, sloeg het aan. Vijf drukken achter elkaar ineens!" Maar zoveel familiezin zat hem tegelijk een tikje dwars, hij wilde toch ook nog werk van buiten de eigen kring noemen.

    Het lijkt een weergave in het klein van het probleem van de geesteswetenschappen zelf. De commissie-Cohen schetst een beeld van vele kleine tot zeer kleine kringen van gedreven, maar vaak als los zand en naar binnen gekeerd functionerende groepen, groepjes en individuen. Tegelijkertijd laat het rapport 'Duurzame Geesteswetenschappen' successen en kansen zien, die vaak nauwelijks opgemerkt of 'gepakt' worden.

    Commissielid Frits van Oostrom beaamt dit in het gesprek met Cohen samen. "Er is veel meer dynamiek in deze disciplines dan men zelf veelal opmerkt en uitdraagt. Dat komt ook door de grote versnippering van studies en opleidingsdomeinen. Er zijn niet alleen zo'n 150 verschillende bacheloropleidingen, maar ook nog eens 261 masters in de aanbieding. Gekscherend zeggen we onderling wel eens 'voor elke docent een eigen master'. Nou klopt dat niet helemaal, maar toch hè? Dit gaat zo niet".

    Cohen onderstreept daarom het belang van de strategische plannen die per universiteit nu opgesteld moeten gaan worden. Wat wil men als eigen profiel, parels en zwaartepunten nu écht verder ontwikkelen? En waar zien ze witte vlekken en gebreken ontstaan? "De faculteiten en de colleges van bestuur gaan zich daar nu over buigen: wat willen we en wat kunnen we? Deze colleges, dat zijn allemaal toch slimme mensen. Die gaan echt niet allemaal dezelfde onderwerpen of 'gouwe ouwen' opschrijven. Want duidelijk is dat het zoveel beter en rijker zou kunnen. We kunnen aan de geesteswetenschappen zoveel meer hebben."

    Gedreven door zorg

    Van Oostrom gaat het regieorgaan trekken dat de uitkomsten van deze profieldefinities moet analyseren en daar conclusies aan verbinden. Alleen zo zal de voorgestelde impuls van 70 miljoen euro vrucht kunnen dragen, zo is de overtuiging van minister Plasterk. Deze zette daarom vast 15 miljoen euro klaar voor zo'n impuls. "Ik vind dat de minister zijn nek daarmee wel uitsteekt", zegt Cohen. "Hij geeft aan dat de impuls echt iets kan opleveren en het regieorgaan ook echt aan de slag moet kunnen om die te realiseren. Dat beseffen de instellingen, de decanen voor de geesteswetenschappen zijn hier zeer serieus mee bezig, merken wij."

    En dat moet ook, want Cohen en Van Oostrom bevestigen beiden dat zorg om het perspectief van de geesteswetenschappen hun werk in de commissie dreef. De dilemma's zijn groot, de problemen ook. "De vergrijzing gaat juist in zo'n versnipperd geheel extra toeslaan. Hoe vind je tijdig genoeg goede, nieuwe mensen op posten en leerstoelen? Hoe trek je nieuw talent?", vraagt Van Oostrom zich af. Ook het 'talige', cultuurgebonden karakter van de vele kleine specialismen heeft een nadelig effect. Het zorgt voor een zeer geringe instroom van allochtoon talent in de studierichtingen.

    Bovendien blijkt de ontwikkeling van vele vakgebieden te zeer naar binnen gekeerd. De maatschappelijke impact en 'uitwisseling' blijft vaak beperkt, terwijl de thema's volop op de agenda van politiek en samenleving staan. "We missen daarmee kansen", zegt Cohen. Van Oostrom stelt dat "veel goed werk in splendid isolation wordt gedaan. Vaak is dat niet zo splendid. Voor je het weet, krijg je 'Het Bureau'. Vreselijk is dat, ook al levert het natuurlijk prachtige literatuur op" Hij noemt het hem verbluffende voorbeeld dat in ons land geen enkele internationale, Engelstalige master aangeboden wordt voor de studie van de 17e eeuwse schilderkunst. "Dat is toch gekkigheid?"

    Translatio 

    Cohen bevestigt tegen die achtergrond dat zowel de universiteiten als hun maatschappelijke omgeving hier veel actiever met elkaar zouden kunnen omgaan. Want ook zijn eigen Amsterdam biedt dus zo'n master in de schilderkunst van de Gouden Eeuw niet aan.

    Het rapport van oud-gemeentesecretaris Erik Gerritsen over de hoofdstad is een voorbeeld. "Hij laat inderdaad zien dat er allerlei incidentele dingen gebeuren bij de kennisuitwisseling tussen de stad, de stedelijke omgeving en de universiteiten en hogescholen. Wij proberen daar bij de financiële sector al veel aan te doen. Bij de geesteswetenschappen geldt dezelfde analyse, dat het incidenteel is en er nog onvoldoende lijn en duurzame relaties in zitten". De strategische plannen en profielen van de instellingen en het werk van het regieorgaan staan hier voor een duidelijke opdracht.

    De geesteswetenschappen ondergaan ingrijpende veranderingen, onder meer door de impact van technologische middelen op hun onderzoeksmogelijkheden en door de globalisering van het onderzoek. Van Oostrom noemt het een translatio studii hoe het zwaartepunt van de topkwaliteit is verschoven van Europa naar Noord-Amerika. Ook in zijn eigen vakgebied, de mediëvistiek, zijn van daaruit nieuwe impulsen gekomen. "Vanuit de vrouwenstudies zijn bijvoorbeeld nieuwe visies gegroeid op het werk en het leven van Hadewych. Het inzicht in haar rol als vrouw in de middeleeuwen en in de letterkunde en mystiek van die tijd is daardoor veranderd. Daar zijn nieuwe ideeën en analyses uit voort gekomen".

    Uit deze ontwikkeling trekt hij enkele stevige conclusies die de positie van de geesteswetenschappen nieuwe perspectieven zouden bieden. "Er is een brede belangstelling voor elementen uit onze disciplines. Bovendien zou eigenlijk iedereen die hoger onderwijs volgt van de hoofdzaken van de geesteswetenschappen kennis moeten nemen. Academische vorming houdt ook in dat je van cultuur, identiteit en het denken over de wetenschap en maatschappij kennis leert nemen. Dat de toonaangevende Amerikaanse universiteiten daar een core curriculum voor kennen is niet zo vreemd. Zij kennen zo'n bredere liberal arts traditie, die wij -ook door de versnippering en proliferatie van opleidingen- niet hebben ontwikkeld en dat terwijl het ten diepste toch een Europees model is."

    In zekere zin zijn de university colleges toch een zijpad om alsnog zulk een 'liberal arts' aanbod mogelijk te maken?
    "Ja, die springen als het ware in het gat dat de faculteiten hebben laten vallen en zorgen voor de veel bredere benadering, die door de versnippering verhinderd werd."

    Liever een topper

    Van Oostrom acht een dergelijk core curriculum van belang voor de belangstelling die geesteswetenschappen ook buiten de eigen academische omgeving moeten zien te trekken. "En dan moeten die colleges ook door de allerbeste docenten gegeven worden. Zij moeten dat als een erezaak zien, zoals je dat in het buitenland tegenkomt. Wanneer je elke student studiepunten laat halen in zo'n core curriculum,  dan ga je als student daarin toch ook liever naar een college van een topper onder de docenten?"

    Zowel Cohen als van Oostrom beseffen dat zij met deze perspectieven veel overhoop halen. Hun rapport laat zien dat de geesteswetenschappen met de invoering van BaMa al verbeteringen van de resultaten wisten te boeken. Zo is het studierendement markant verbeterd en zijn curricula eigentijdser geworden. Cohen geeft dit het vertrouwen dat de zorg die hem dreef bij het opstellen van het rapport vruchten zal dragen. "Het zijn slimme mensen in deze sector en de decanen werken goed samen. Hier gaat iets goeds uit komen, dat vertrouwen heb ik wel".

    Het rapport van de commissie-Cohen is hardcopy hier te bestellen.