PVV-politicus Geert Wilders moet 20 januari 2010 voor de
rechtbank in Amsterdam verschijnen omdat hij opzettelijk moslims
heeft beledigd en een haatprediker is, zo staat in de aanklacht.
"Die dagvaarding is volkomen terecht", stelt Oldenhuis. "De
samenleving is zelfs verplicht op te treden, want in zijn teksten
brengt Wilders fundamentele rechten, zoals de vrijheid van
meningsuiting in het geding."
Het klinkt voor velen paradoxaal, maar zulke rechten moeten, ook
als het grondrechten zijn, wel worden begrensd, zo stelt prof.
Oldenhuis. "Gebeurt dat niet, dan kan het ertoe leiden dat anderen
in hun bestaan worden bedreigd. Dat is precies wat hier aan de hand
is. De eigen vrijheid die Wilders wenst te hebben gunt hij niet aan
een ander."
Al in de Unie van Utrecht gegrond
Dat de PVV-fractieleider en partijvoorzitter zich voor
zijn uitlatingen voor de rechter dient te verantwoorden is
juridisch gezien volledig juist, vindt de
Groningse hoogleraar. "Wilders' optreden is fundamenteel
strijdig met de joods-christelijke traditie. Ons land is van
oudsher schuilplaats geweest voor andersdenkenden. Denk maar
aan de Spaans-Portugese joden, eind zestiende eeuw in
Amsterdam."
Oldenhuis wijst erop dat deze traditie terug gaat tot de beginselen
van de stichting van de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden. Al in artikel XIII van de Unie van Utrecht van
1579 werd vastgelegd dat niemand in Nederland om zijn religie
zal worden vervolgd. "Het vormt een van de pijlers onder de
Nederlandse samenleving."
Ontzetting over uitspraken
De hoogleraar neemt als uitgangspunt dat Wilders met
zijn uitspraken juist uit is op strafvervolging van
andersdenkenden. Oldenhuis verwijst naar uitspraken van de
politicus die ook in de dagvaarding aan de kaak worden gesteld. Zo
zei Wilders in de Volkskrant op 8 augustus 2007 onder meer: 'Als
moslims hier willen blijven wonen, dan moeten ze de helft uit de
Koran scheuren en weggooien', in hetzelfde stuk stond: 'De Koran is
het Mein Kampf van een religie die beoogt anderen te elimineren',
en: 'Een verbod is een verbod. Dus moet niet alleen de verkoop [van
de Koran], maar ook gebruik in moskeeën en bezit in de huiselijke
kring worden bestraft. Als dat in de huidige wetgeving niet kan,
moet er een nieuwe verbodsbepaling komen'.
"Vooral die laatste uitspraak heeft mij ontzet. Maar alle drie
citaten zijn onmiskenbaar toonbeelden van een verwerpelijke
intolerantie. Dat wil zeggen dat Wilders zijn medemens niet de
vrijheid van een ander geloofsstandpunt gunt. Daar moet tegen
worden opgetreden, want een burger is hiermee zelfs in zijn eigen
huis niet meer veilig."
Een roep om nieuwe strafwetten ter bestrijding van het bezit van de
Koran, wordt door Oldenhuis afgedaan onder verwijzing naar de
meest fundamentele regels van de mensenrechten: "Het Europese Hof
voor de Rechten van de Mens zal dat soort wetgeving meteen
terugfluiten. Wilders wordt op dit punt niet gehinderd door enige
kennis van zaken."
Bewust en structureel een grens over
Mr. Bram Moszkowicz heeft beroep aangetekend tegen
een deel van de dagvaarding. Wilders zou geen 'groep' beledigd
hebben. Moszkowicz verwijst daarbij naar een recente uitspraak van
de Hoge Raad waarin deze onderscheid maakt tussen het
beledigen van een godsdienst en het beledigen van de aanhangers van
een godsdienst. Dat laatste mag niet.
Dat arrest ging over een spandoek waarop onder meer stond: 'Stop
het gezwel dat islam heet, Theo is voor ons gestorven...'. De
spandoekmaker werd door de Hoge Raad vrijgesproken. Oldenhuis
analyseert de betekenis van die uitspraak als volgt "De
Wilders-procedure draait deels om de vraag of alleen de islam of
ook de islamieten worden beledigd. Uiteraard is kritiek op een
godsdienst geoorloofd en die kritiek mag ook hard zijn. Maar iedere
anti-judaïst bijvoorbeeld is daarom nog geen antisemiet. Die
kwestie vormt ook in deze zaak een lastige afweging. Maar ik stel
dat Wilders hier bewust en structureel een grens over gaat en dat
daarom het bezwaar van de raadsman geen stand houdt."
Historische achtergrond wetsartikel
De hoogleraar verwijst naar onder meer het eerder genoemde 'Mein
Kampf'-citaat: "Dat roept zo zeer associaties op met het
ausradieren van een bevolkingsgroep, dat de lijn tussen godsdienst
en de mensen als aanhangers van die godsdienst zodanig vervaagt,
dat een grens wordt overschreden."
Oldenhuis roept in herinnering dat de strafbepalingen over
haatzaaien in 1934 in de wet werden opgenomen. Dit
gebeurde om in het bijzonder joden te beschermen, in
een reactie op weerslag van de gebeurtenissen in Duitsland.
"Dat is veelzeggend", betoogt Oldenhuis. "Ik ben voorzichtig met
het trekken van parallellen, maar het ontstaan van die wetten had
een duidelijke politieke achtergrond."