• A
  • A
  • Werkgevers willen beter hbo

    - OCW en HBO-raad "tonen afnemende aandacht voor de relatie tussen hoger (beroeps)onderwijs en het bedrijfsleven. Juist nu is een goede afstemming tussen hoger (beroeps)onderwijs en bedrijfsleven van levensbelang." VNO/NCW en MKB Nederland luiden noodklok bij de Commissie-Veerman.

    De Commissie Hoger Onderwijs van VNO-NCW en MKB-Nederland heeft daarom een beleidsnota opgesteld, waarin het thema versterken van de samenwerking tussen het hbo en het bedrijfsleven centraal staat. Er is een groeiende behoefte aan hoger opgeleiden in onze economie. De huidige terugval in de vraag naar hoger opgeleiden is slechts tijdelijk. De lange termijn trend laat duidelijk een groei zien. Daarom melden de werkgevers de volgende kritische kanttekeningen bij het huidige HO-beleid en het beleid van de hbo-branche aan:
     

    • Het streven van het kabinet om via het onderwijs te komen naar 50% hoger opgeleiden in de beroepsbevolking heeft onze waardering. Dit streven is prima maar mag uiteraard niet leiden tot het inleveren op de kwaliteit van het hoger onderwijs om die doelstelling te halen. Naast een kwalitatief prima hoger onderwijs met meer studenten blijven tegelijkertijd aandacht en waardering voor een kwalitatief goed lager en middelbaar beroepsonderwijs belangrijk. Want niet vergeten mag worden dat in veel branches de vmbo/mbo opgeleiden nog steeds verreweg het grootste deel uitmaken van de beroepsbevolking. MBO-ers zijn en blijven zeer welkom op de arbeidsmarkt. Voor mbo-afgestudeerden moeten de opties open blijven om desgewenst later via duale opleidingen alsnog het Associate degree diploma (tweejarige hbo-opleiding) en/of hbobachelordiploma te halen.
       
    • Het onderscheid tussen het HBO en het WO moet worden gehandhaafd. Het profiel van HBO is meer toepassingsgericht en gebruik makend van beschikbare kennis; dat van het WO is meer analytisch en onderzoekend. Aan beide onderwijsprofielen hebben bedrijven en andere afnemers in de praktijk behoefte. Handhaving van het onderscheid is daarnaast belangrijk om verwatering van kwaliteit te voorkomen wat dreigt wanneer alles op één hoop wordt gegooid.

      Deze boodschap (vasthouden aan het onderscheid HBO en WO) willen we meegeven aan de commissie Veerman die op verzoek van OCW opties moet aangeven voor de ontwikkeling van het hoger onderwijs. Vanwege de grotere verscheidenheid en groei in de studentenpopulatie is het wel gewenst dat binnen beide stromen een meer gedifferentieerd aanbod van hoger onderwijs komt: qua duur van de opleiding, gerichtheid op top-onderzoek, en specialisatie of verbreding na de hbo-bachelor. Ook Stelselmatig samenwerken VNO-NCW/MKB-Nederland qua mogelijkheden voor 'Colleges' waar studenten nog niet direct een specifieke studie hoeven te kiezen (liberal arts and sciences model).
       
    • Er is vanuit zowel het bedrijfsleven als scholen behoefte aan versterking van het praktijkgerichte onderzoek in het HBO. Dat moet gebeuren door, voortbouwend op het lectoraat in het hbo en het huidige RAAK-programma voor innovatieondersteunende projecten, in het HBO meer systematisch een tweede geldstroom voor praktijkgericht onderzoek aan hogescholen in te voeren. De toekenning van de gelden (van OCW) daarvoor aan hogescholen moet wel op basis van competitie en samenwerking met het bedrijfsleven gebeuren. Dit om zowel relevantie als kwaliteit te verzekeren.
       
    • Hogescholen moeten meer inspelen op de doelgroep van werkenden door een grotere rol te spelen in het aanbieden van scholing voor die werkenden. De huidige deelname van werkenden aan deeltijdstudies aan hogescholen daalt. De aanpak van het private HBO daarentegen is vaak door het bieden van maatwerk beter afgestemd op werkenden en daardoor meer geschikt dan het aanbod van de publieke hogescholen.

      Bepleit wordt dat de overheid voor werkenden die HBO-opleidingen aan een private instelling volgen een gelijke subsidie aan die instelling toekent als bij een publieke bekostigde hogeschool (level playing field).
       
    • Om een betere aansluiting tussen onderwijs en bedrijfsleven te krijgen moeten het huidige overleg en de samenwerking tussen hogescholen en bedrijfsleven (als geheel en qua branches) over de inhoud van het onderwijs beter worden. Dat overleg en die samenwerking zijn nu in de praktijk veel te fragmentarisch en te versnipperd, omdat die zich nu vrijwel alleen afspelen op lokaal of regionaal niveau.
    • Wat daar gebeurt, is zeker waardevol en moet doorgaan. Maar er is veel te winnen door het overleg en de samenwerking met bedrijfsleven en branches ook een landelijke dimensie te geven, een dimensie die nu ontbreekt in het HBO. Want branches overzien de ontwikkelingen op langere termijn in hun sector en kunnen daardoor kwalitatief en kwantitatief aangeven wat de behoeftes zullen zijn op hbo-niveau. Daarom wordt bepleit pilots te starten voor structureel overleg op landelijk niveau tussen hogescholen die eenzelfde opleiding verzorgen (bijv. bouwkunde) en de branches waarvoor deze opleiding relevant is.

      Naast verbetering van overlegstructuren om tot betere samenwerking en aansluiting tussen bedrijfsleven en onderwijs te komen is natuurlijk ook de wijze van financiering van hogescholen (meer prestatiegericht) van belang.