In haar Dies-rede van vrijdag j.l. schetste Van den Boom hoe zij
het HO-landschap observeert en dat is niet als het ongecompliceerde
plaatsje in een fictief Amerika, waar de minister blijkbaar graag
rondhangt, in "Lake Wobegon, waar alle vrouwen sterk zijn, alle
mannen aantrekkelijk en alle kinderen bovengemiddeld."
Voor de commissie-Veerman geeft de Amsterdamse rector daarom
drie oplossingsrichtingen, die niet zozeer uitgaan van het
stelsel, als wel in het stelsel tot doorbraken voor de aandacht
voor kwaliteit en veelzijdigheid zouden moeten leiden.
Tekst Dies-rede
"Als rector magnificus heb ik het voorrecht om ter gelegenheid van
de viering van de Dies Natalis enige bespiegelingen te wijden aan
het landschap van het hoger onderwijs.
Als ik dat landschap overzie, moet ik vaak denken aan Lake
Wobegon. Dat is een fictieve Amerikaanse stad in Minnesota die
bedacht is door de humorist Garrison Keillor. Het is er altijd mooi
weer, de mensen zijn er vriendelijk en het geluk lacht de bewoners
van dit kleine plaatsje toe. Elk verhaal over Lake Wobegon begint
met: "Welkom in Lake Wobegon, waar alle vrouwen sterk zijn, alle
mannen aantrekkelijk en alle kinderen bovengemiddeld."
In het Nederlandse hoger onderwijs streven wij naar een wereld
die lijkt op Lake Wobegon. We willen tot de internationale top
behoren. Onze studenten moeten snel studeren en hoge cijfers halen
en heel erg tevreden zijn over de opleiding en de instelling.
Maar de realiteit is weerbarstig. Als we eerlijk zijn, moeten we
toegeven dat misschien wel een heleboel, maar niet al onze
studenten bovengemiddeld zijn en datzelfde geldt voor het onderwijs
dat de universiteiten hen aanbieden. Dat is wel jammer, maar het is
ook begrijpelijk. We maken een enorme groei door en krijgen te
maken met studenten van wie de achtergrond, de belangstelling en de
kwaliteiten sterk uiteen lopen.
Niet voor niets zei minister Plasterk afgelopen september dat
het hoger onderwijs uit zijn voegen barst. Hij stelde een
zeskoppige commissie in, onder leiding van voormalig CDA-minister
Veerman, met als opdracht de toekomstbestendigheid van het
Nederlandse hoger onderwijsstelsel op de langere termijn onder de
loep te nemen.
U bent waarschijnlijk net zo nieuwsgierig als ik naar de
bevindingen die de commissie in februari presenteert. Eigenlijk
heeft de minister met de formulering van zijn opdracht al een
oplossingsrichting aangegeven. Het stelsel moet mogelijk worden
aangepast. Als dat onze problemen oplost, dan moeten we dat vooral
doen. Maar het lijkt me wat voorbarig.
Boordevol onderwijs
Laten we eerst eens kijken wat de problemen precies zijn. Het
kabinet wil dat vijftig procent van de beroepsbevolking op termijn
hoogopgeleid is als onderdeel van de Lissabon-agenda. Waar staan we
nu? Het aantal studenten in het hoger onderwijs is sinds 1980 bijna
verdubbeld naar zo'n 526.000 studenten. Deze groei heeft vooral
plaatsgevonden in het hbo, maar ook het wetenschappelijk onderwijs
kende een ongekende groei. Vanaf 1980 is tevens de rijksbijdrage
per student in het wetenschappelijk onderwijs naar schatting met 40
procent afgenomen.
In tegenstelling tot in de rest van Europa blijft de
binnenlandse vraag naar hoger onderwijs in Nederland stijgen.
Volgens ramingen zal het aantal studenten toenemen tot 690.000 in
2020. Dat is nog eens een groei van 30% ten opzichte van 2007.
Met de groei van de studentenaantallen is ook de heterogeniteit
in de studentenpopulatie toegenomen. Tegelijkertijd wil het
ministerie bovengemiddelde universiteiten blijven behouden. In Lake
Wobegon is dat allemaal mogelijk. Maar bij ons gaat dat niet zo
eenvoudig. Daarom heeft de minister de hulp ingeroepen van de
commissie Veerman.
Gedifferentieerde differentiatie
Duidelijk is dat de heterogeniteit in de studentenpopulatie om
meer differentiatie vraagt. Dat weten we allemaal en iedereen is
vóór meer differentiatie. Ik zal u verrassen. Ik ben tégen meer
differentiatie.
Althans, als dat betekent wat het in de praktijk vaak betekent.
Namelijk dat er steeds meer opleidingen bijkomen. In die vorm van
differentiatie zie ik niets. Er gaat de suggestie vanuit dat de
voorbereiding op specifieke beroepen het beste via (zeer)
specifieke opleidingen kan gebeuren. Zo ontstaat een bamboebos aan
opleidingen voor allerlei niches van de arbeidsmarkt. Ik denk dat
studenten zich beter in een bepaalde basisdiscipline kunnen
bekwamen. De vorming die zij op die manier krijgen, zal hen in
staat stellen zich ook op andere terreinen te bewegen.
Wat mij betreft moeten we differentiatie dus vooral niet zoeken
in méér opleidingen. Ik noem meteen een tweede oplossing die wat
mij betreft niet zonder meer soelaas biedt. En dat is een
stelselwijziging.
We kennen in Nederland twee soorten hoger onderwijs. Het hoger
beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs. In beide
gevallen worden studenten voorbereid op het uitoefenen van een
beroep. Het verschil zit 'm in het feit dat het wetenschappelijk
onderwijs studenten voorbereidt op beroepen waar een academische
achtergrond vereist of dienstig is. Waar hbo-opleidingen studenten
vanaf dag één klaarstomen voor de praktijk.
In de praktijk zien we dat het hbo en het wo in toenemende mate
aspecten van elkaar overnemen. Hbo-opleidingen zijn anno 2010 veel
'wetenschappelijker' dan pakweg veertig jaar geleden. Dat is een
begrijpelijke ontwikkeling, want de hbo'er van vandaag moet
geavanceerde wetenschappelijke kennis gebruiken om zijn beroep goed
uit te kunnen oefenen en moet in staat zijn zich deze kennis
zelfstandig eigen te maken. Aan de andere kant komt door de grote
studententoestroom het academisch gehalte van de universitaire
opleidingen onder druk te staan.
Hbo en wo dreigen door deze ontwikkelingen naar elkaar toe te
groeien. Tegen de achtergrond van de steeds diversere
studentenpopulatie is dat een uitermate onlogische ontwikkeling. We
moeten onze studenten niet minder, maar juist méér keuze bieden.
Binariteit of niet, laat het hbo en wo ieder hun eigen profiel
behouden, zodat studenten wat te kiezen hebben.
Wat te doen?
Meer opleidingen in het leven roepen is wat mij betreft dus niet
de oplossing. Opheffing van het binaire stelsel op zich ook niet. U
vraagt zich misschien af waar ik wél heil in zie. Ik zie
drie oplossingen waarmee we een passend
antwoord kunnen geven op de groeiende en heterogene
studentenpopulatie. Die oplossingen zullen ons bovendien helpen om
de studie-uitval te beperken en het studiesucces te verhogen.
Ten eerste denk ik dat we ons
onderwijsaanbod moeten differentiëren door meer soorten
opleidingen aan te bieden. Nu laten we vele duizenden studenten
kiezen uit slechts twee smaken. Hbo of wo. Ik denk dat er meer te
kiezen moet zijn. In het hbo kunnen we dat doen door de
associate degree en de hbo-master op grotere schaal in te
voeren. Zo ontstaan in die sector meer keuze- en
doorgroeimogelijkheden. Wellicht is nadrukkelijker
niveaudifferentiatie daar ook een optie.
In het wetenschappelijk onderwijs denk ik aan ten minste twee
zaken. Maar wellicht zijn er meer manieren. Ik zou willen pleiten
voor een veel ruimer aanbod van brede bacheloropleidingen. Op dit
moment zijn de meeste bacheloropleidingen erg specialistisch. Voor
studenten die precies weten wat ze willen en in alle opzichten goed
voorbereid zijn op een bepaalde studie, is dat prima. Laat dat
vooral zo blijven. Maar dat geldt lang niet voor alle nieuwe
eerstejaars die zich bij ons melden.
Veel jonge mensen die gaan studeren, weten eigenlijk nog niet
precies welke richting het beste bij hen past. Veel van die
studenten gaan verloren voor het hoger onderwijs, of vinden pas na
meerder pogingen hun bestemming. Dat is een verspilling van talent
en een verspilling van tijd en energie.
Deze groep is gebaat bij een brede bachelor, waar ruime aandacht
is voor academische vorming en waarbij men de tijd krijgt om een
beter beeld te krijgen van de verschillende disciplines en de eigen
belangstelling en kwaliteiten. Daarna kunnen deze studenten alsnog
kiezen voor een bepaald specialisme.
Bij de UvA hebben we verschillende van dergelijke brede
bachelorprogramma's in huis, zoals de bètagamma-bachelor en
future planet studies, en de liberal
arts-bachelor in het university college. Een bachelor op het
snijvlak van rechten, economie en sociale wetenschappen is in de
maak.
Een tweede nieuw soort opleidingen waar ik aan denk zijn
honoursprogramma's voor geselecteerde groepen van zeer goede
studenten. Dan bedoel ik niet de extra programma's van 30 ECTS die
we nu vaak aanbieden in het kader van een honourstraject. Dat noem
ik verbreding. Ik wil echte verdieping bieden. Onderwijs op een
hoger niveau voor de allerbeste studenten vanaf dag één.
Ik vertelde u dat ik drie oplossingen zie. De eerste is keuze
uit meer soorten onderwijs. De tweede is
het reguleren van de schaal van de hele grote opleidingen. In
Amsterdam hebben wij een aantal zeer grote opleidingen, waar zich
veel studenten voor aanmelden die we allemaal moeten toelaten. En
dan moeten we op het laatste moment weer tijdelijke docenten aan
ons binden om het onderwijs te verzorgen. Het zou de kwaliteit van
het onderwijs ten goede komen als we met een stabiele stafbezetting
kunnen werken. En dat kan als de instroom bekend is.
Er lijkt daarom wat voor te zeggen om het aantal studenten dat
we toelaten in de grote opleidingen wat meer te reguleren. Maar als
de ene universiteit dat op eigen houtje doet, hollen de studenten
met z'n allen naar een andere universiteit. Dit gaat dus alleen
goed werken als die regulering op landelijk niveau plaatsvindt.
De derde oplossing die ik voor ogen
heb, is uitbreiding van intake-procedures. Dat doen we niet vóór,
maar na de poort. De toegankelijkheid van het hoger onderwijs moet
overeind blijven. Maar als het aan mij ligt gaan we wél zorgen dat
iedere student sneller op de juiste plaats terecht komt. Als
tijdens de intakeprocedure blijkt dat een student nog niet klaar is
voor een bepaalde opleiding of de verkeerde opleiding heeft
gekozen, kunnen wij die student nu adviseren om nog eens goed na te
denken over die keuze. Maar dat is nogal vrijblijvend. Ik denk dat
universiteiten, maar vooral ook de studenten zelf, erbij gebaat
zijn als wij meer mogelijkheden krijgen om studenten in de juiste
richting te sturen.
Studenten die meer op de praktijk gericht zijn dan op
academische vorming moeten tijdig doorverwezen kunnen worden naar
een passende hbo-opleiding. Wij prijzen ons gelukkig met de
intensieve samenwerking met de Hogeschool van Amsterdam, die het
mogelijk maakt studenten die mogelijkheid te bieden. Door in een
vroegtijdig stadium te zorgen dat de juiste student op de juiste
plek zit, kunnen we de uitval beperken en het studiesucces
verhogen. Dat moet minister Plasterk toch als muziek in de oren
klinken.
Conclusie
Ik ga afsluiten. Ik begon met een verwijzing naar de commissie
Veerman die in opdracht van minister Plasterk de toekomst van het
stelsel onderzoekt. Mijn conclusie is dat een stelselwijziging op
zich niet de oplossing zal bieden voor de groei en toenemende
heterogeniteit van de studentenpopulatie. Er is meer nodig.
Meer ruimte om de intakeprocedure een meer verplichtend karakter
te geven. Laat ons meer soorten opleidingen ontwikkelen en
aanbieden. Maar het belangrijkste is misschien wel dat wij de
middelen moeten krijgen om iedere student de aandacht te geven waar
hij recht op heeft.
En zo sluit ik toch weer af met een constatering die al zovele
malen gedaan is. Maar die ik toch ook vandaag weer moet herhalen.
De huidige financiering is voor de door mij genoemde oplossingen
ontoereikend. Geef ons een vaste, reële vergoeding per student. Dan
zorgen wij voor goed onderwijs voor iedereen. Want één illusie moet
ik de minister ontnemen. Wij leven niet in Lake Wobegon. Onze
studenten en docenten zijn mensen van vlees en bloed. Ze hebben
ruimte en aandacht nodig. Gelukkig wel."