Dirk van Damme (OECD): ‘Meer van hetzelfde kan het hoger onderwijs zich niet veroorloven’
Collateral damage
De crisis en de omslag in de wereldeconomie maken dat landen
als Nederland nog meer moeten inzetten op hun kansen als
kenniseconomie, zo bepleitte u bij het 25-jarig
OU-jubileum in Brussel. Daarbij gispte u de feitelijke aanvaarding
van de hoge uitval en slechte doorstroompatronen in het hoger
onderwijs. 'Hoe erg is dat nu werkelijk', denken velen dan.
Die berusting in middelmatige effectiviteit vind ik schokkend,
een onaanvaardbare complacency bij de eigen prestaties. De
blijvend hoge uitval is een soort nevenschade, een collateral
damage van het bestel, zo lijken velen te denken. Dat kan toch
niet!
Alleen al economisch geredeneerd is dit niet aanvaardbaar. Het
hoger onderwijs is hiermee gewoon niet efficiënt. En het legt zich
daar gewillig bij neer, zo lijkt het. Alles wordt verklaard door
het individuele falen van de student of het gebrek aan geschiktheid
voor hogere studies, maar men stelt zich nooit de vraag of het
onderwijs wel zo effectief mogelijk wordt georganiseerd. Ik ben
ervan overtuigd dat de toegevoegde waarde van de
opleidingsinspanningen ongelooflijk veel hoger kan zijn.
Die uitval doet zich aanwijsbaar sterk voor onder jongeren uit
'niet-traditionele' milieus . Het studiesucces is twee maal zo laag
als de moeder van de student alleen basisonderwijs heeft gevolgd.
Wat leidt u hier uit af?
Ten eerste dat het hoger onderwijs niet alleen moet blijven
letten op de toegankelijkheid voor de instroom, maar dat er binnen
het hoger onderwijs zelf ook nog een
'toegankelijkheidsprobleem' in de doorstroom blijft. Dat dringend
aangepakt moet worden. Een cijfer voor heel de populatie kan dat
illustreren: studenten uit blauwe-boorden-gezinnen hebben zo'n
50 à 60% van de kansen op hoger onderwijs en daarbinnen op
studiesucces van de jongeren uit witte-boorden-milieus. Zo groot is
dit gat nog steeds, dat zijn tamelijk schokkende data. Sociaal
gezien, maar ook economisch beredeneerd is dit erg
ondoelmatig.
Vervolgens zien we dat dit patroon ook weer speelt bij de
ambitieuze, allochtone talenten die naar het hoger onderwijs komen.
Het is daarom allereerst in het eigen belang van de hogescholen en
universiteiten dat zij dit vraagstuk van equity optimaal
weten aan te pakken. Bij passiviteit hierbij dreigen zware kosten
in sociaaleconomisch opzicht voor de ontwikkeling van de
kenniseconomie. Hele reservoirs aan talent en ambitie blijven dan
onontwikkeld, onaangeroerd zelfs. Economisch is dat een ramp.
U had hierover een cijfermatige analyse uit de USA die zo'n
ramp over enkele decennia doorrekende.
Die zit in een analyse van McKinsey over het potentieel dat de
USA als kennisnatie aan untapped talents reservoir
onontgonnen laat. Had men sinds de jaren '80 de zwarte en de latino
jongeren zo geschoold dat zij nu naar het gemiddelde van de blanke
jeugd waren gestegen qua studiesucces, dan had dit 2 tot 4% meer
groei van het BBP opgeleverd.
Het gat dat hiermee is ontstaan is groter dan elke grote recessie
in de Amerikaanse economie heeft geslagen. Om u een idee te geven
van de absolute getallen: per punt BBP gaat dat om $160 miljard per
jaar. Zo'n gat in de toegankelijkheid en doorstroom naar hoger
onderwijs vormen is dan ook economisch rampzalig.
Trendbreuk naar flexibele routes
Het verlagen van de uitval zal dit niet echt verhelpen. Meer
van hetzelfde brengt weinig progressie daarin. Moet doorstroom niet
gezien worden als iets van veel meer dan een aanbod van
jeugdonderwijs?
Een toename van het bestaande beleid is niet adequaat meer; ik
denk echt dat er een trendbreuk moet komen. Zowel binnen het hoger
onderwijs als in arrangementen voor levenslang leren moeten veel
meer flexibele routes komen. Het hoger onderwijs zal hiertoe zelf
meer moeten ondernemen: EVC-arrangementen voor jongeren en ouderen
- ook voor werkenden - en nieuwe vormen van assessment die minder
de voorafgaande 'schoolhistorie' en onderwijsloopbanen als hoogste
argumenten kennen.
Al deze dingen zijn overigens al onderdeel van het Bologna-stelsel,
juist de variëteit van flexibele routes. Ook is in het
bekostigingssysteem in Vlaanderen, dat minister Vandenbroucke heeft
doorgevoerd, de impuls daarvoor al gegeven. Het komt er op neer dat
de betrokkenen en de meest verantwoordelijken daarmee gaan doen wat
nodig is.
Heel het hoger onderwijs moet kritisch durven herdefiniëren wat het
doet en wat zijn publieke opdracht is. De voorbije halve eeuw heeft
men een prestatie van formaat neergezet door van sociaal selectief
en 'klein' naar massaliteit over te
schakelen. Met expansie en standaardisatie van het aanbod en de
organisatie van de onderwijsprocessen is dat gelukt. In Europa is
'Bologna' eigenlijk meer de afronding dan het begin van zo'n
grootscheepse hervorming. Meer slotfase dan nieuwe start.
Die visie is voor velen een nieuwe. Men kijkt naar Leuven als
vervolg, minder als conclusie van de slotfase.
Ik dacht ook lange tijd in deze richting. Maar ik kijk er nu
anders tegenaan: Bologna/Leuven sluit in Europa een cyclus van
expansie, standaardisatie en convergentie af. Nu
moeten ook onderwijskundig heel andere stappen gezet gaan worden,
want anders blijft het bij meer van hetzelfde en dat kunnen we ons
niet veroorloven, zoals ik hiervoor al aangaf. Stappen in de
richting van radicale diversificatie in institutionele organisatie
en vormgeving van onderwijsprocessen.
Leuven bereidde dat voor, doordat reputatiemanagement en wedijver
op inhoud en profiel nu als vervolgantwoord op de uitdaging van
meer flexibiliteit in het hoger onderwijs op de agenda zijn
gekomen. Dit vereist echt meer dan enkele hervormingstapjes.
Niet echt leidend in de wereld
Het hoger onderwijs zou hierbij meer moeten willen doen met
behulp van nieuwe technologieën. Daar is nog een enorme winst te
halen, zoals elke student weet. In scholen is de inzet van ICT tot
40% minder intensief dan bij de student of scholier thuis, zo
meldde u lachend in uw verhaal in Brussel.
Maar zo is het toch ook? De leerling en de scholier zijn veel
bedrevener in hun leren met behulp van ICT dan de opleidingen en de
curriculumontwerpers. Europa leidt hier de wereld niet echt.
Terwijl bijvoorbeeld de Open Universiteit laat zien dat dit wel
goed kan.
De aanpak van het hoger onderwijs zou dan ook een pedagogiek van
het succes moeten zijn, in plaats van een pedagogiek van het
uitselecteren en mislukken. Studiesucces als kern van zijn
identiteit voorop stellen is dan de missie.
Die technologische sprong vooruit wordt overal gemaakt, dus
waarom hier niet?
Die sprong moet je 'toelaten' in je werk en je organisatie. De
voorbije 50 jaar ging het kleine, zeg maar ambachtelijke hoger
onderwijs van toen naar een bijna 'industriële' aanpak met een
massale deelname. Nu moet dat geëxpandeerde hoger onderwijs naar
een post-industriële opzet transformeren. Die overstap is aan de
orde.
Mijn eigen alma mater heeft bijvoorbeeld recent een nieuwe aula
gebouwd. Weet u voor hoeveel studenten? Nee, niet voor 500. Voor
1000. Dat is dus investeren vanuit industrieel denken. Het hoger
onderwijs zou hier veel kunnen leren van de gezondheidszorg. Daar
innoveert men met behulp van kennis en technologie in een hoog
tempo. Men doet er operaties op grote afstand, IT-gestuurd, die
door één expert terzake in de wereld kunnen worden verricht. De
opvattingen over doelmatigheid zijn in de gezondheidszorg veel
sterker geëvolueerd dan in het onderwijs.
Nederland heeft nog wat in te halen
Voor het hoger onderwijs in Nederland zijn zulke sprongen
vooruit te meer nodig, omdat het nog aanzienlijk zal groeien. Velen
verwachten een demografische omslag naar krimp, maar u wijst op
nogal andere cijfers.
De universiteiten en hogescholen in Nederland gaan de komende
decennia nog fors uitbreiden. Tot 40% meer HO-deelname kunt u
verwachten tegen 2025, zo blijkt uit onze berekeningen. Ook de
aanstaande vergrijzing zal daar weinig aan veranderen, omdat
bevolkingsgroei, participatietrends en welvaartseffecten
het hoger onderwijs erg aantrekkelijk blijven maken.
Bovendien loopt Nederland nog steeds achter waar het de deelname
uit verschillende bevolkingsgroepen betreft. U heeft dus zelfs nog
wat in te halen.
De langdurige werkloosheid en de impact van de huidige crisis
vormen daarbij een extra impuls. De toestroom naar universiteit en
hogeschool in de actuele studiejaren laat dat duidelijk zien. Dat
jongeren deze keuze maken is dan ook helemaal niet merkwaardig. De
massaliteit van het hoger onderwijs van de voorbije jaren en die
verdere expansie zijn geen toeval. Het is een trend die economisch
doordacht is en jonge mensen veel sociale mobiliteit biedt in de
globale kenniseconomie. De return on investment
van HO-deelname is en blijft fors, zeker in een
crisisperiode.
Bij de uitval en de gebrekkige doorstroom wordt vaak als eerste
gekeken naar de allochtone jongeren, maar een veel grotere groep
studenten laat een hardnekkig rendementsprobleem zien: jongens. Die
discussie is internationaal her en der aan het opkomen. Ook bij de
OECD?
Dat 'jongensprobleem' is een feit, zeker. En het wordt echt
dramatisch, als we daar geen trendbreuk in weten te
bewerkstelligen. Het gaat immers om bijna de helft van de
deelnemers aan het hoger onderwijs en de voorafgaande
opleidingen.
Dat hier een vraagstuk van grote omvang dreigt, kon je de voorbije
10 jaar als gestaag zien aankomen. Wel is het noodzakelijk, dat we
hier meer onderzoek naar doen, want de aard en omvang ervan zijn
nog onvoldoende doorgrond. Zo wordt dit nu meegenomen bij het
PISA-onderzoek. Ik verwacht daarover binnenkort een publicatie en
verwacht dat dit thema voluit op de agenda komt.