• A
  • A
  • Dirk van Damme (OECD): ‘Meer van hetzelfde kan het hoger onderwijs zich niet veroorloven’

    - Tot 40% meer HO-deelname in ons land verwacht prof. Dirk Van Damme, de chef van OECD-denktank CERI. Ook de vergrijzing zal daar weinig aan veranderen. Massaliteit, technologie en rigiditeit maken noodzakelijk dat het HO-bestel fundamenteel op de schop gaat, want “hele reservoirs aan talent blijven onontwikkeld, onaangeroerd. Economisch is dat een ramp.” Bologna en Leuven noemt hij daarom eerder “slotfase dan nieuwe start” van een tijdperk van vernieuwing van het HO.

    Collateral damage

    De crisis en de omslag in de wereldeconomie maken dat landen als Nederland nog meer moeten inzetten op hun kansen als kenniseconomie, zo bepleitte u bij het 25-jarig OU-jubileum in Brussel. Daarbij gispte u de feitelijke aanvaarding van de hoge uitval en slechte doorstroompatronen in het hoger onderwijs. 'Hoe erg is dat nu werkelijk', denken velen dan.

    Die berusting in middelmatige effectiviteit vind ik schokkend, een onaanvaardbare complacency bij de eigen prestaties. De blijvend hoge uitval is een soort nevenschade, een collateral damage van het bestel, zo lijken velen te denken. Dat kan toch niet!

    Alleen al economisch geredeneerd is dit niet aanvaardbaar. Het hoger onderwijs is hiermee gewoon niet efficiënt. En het legt zich daar gewillig bij neer, zo lijkt het. Alles wordt verklaard door het individuele falen van de student of het gebrek aan geschiktheid voor hogere studies, maar men stelt zich nooit de vraag of het onderwijs wel zo effectief mogelijk wordt georganiseerd. Ik ben ervan overtuigd dat de toegevoegde waarde van de opleidingsinspanningen ongelooflijk veel hoger kan zijn.

    Die uitval doet zich aanwijsbaar sterk voor onder jongeren uit 'niet-traditionele' milieus . Het studiesucces is twee maal zo laag als de moeder van de student alleen basisonderwijs heeft gevolgd. Wat leidt u hier uit af?

    Ten eerste dat het hoger onderwijs niet alleen moet blijven letten op de toegankelijkheid voor de instroom, maar dat er binnen het hoger onderwijs zelf ook nog een 'toegankelijkheidsprobleem' in de doorstroom blijft. Dat dringend aangepakt moet worden. Een cijfer voor heel de populatie kan dat illustreren: studenten uit blauwe-boorden-gezinnen hebben zo'n 50 à 60% van de kansen op hoger onderwijs en daarbinnen op studiesucces van de jongeren uit witte-boorden-milieus. Zo groot is dit gat nog steeds, dat zijn tamelijk schokkende data. Sociaal gezien, maar ook economisch beredeneerd is dit erg ondoelmatig.

    Vervolgens zien we dat dit patroon ook weer speelt bij de ambitieuze, allochtone talenten die naar het hoger onderwijs komen. Het is daarom allereerst in het eigen belang van de hogescholen en universiteiten dat zij dit vraagstuk van equity optimaal weten aan te pakken. Bij passiviteit hierbij dreigen zware kosten in sociaaleconomisch opzicht voor de ontwikkeling van de kenniseconomie. Hele reservoirs aan talent en ambitie blijven dan onontwikkeld, onaangeroerd zelfs. Economisch is dat een ramp.

    U had hierover een cijfermatige analyse uit de USA die zo'n ramp over enkele decennia doorrekende.

    Die zit in een analyse van McKinsey over het potentieel dat de USA als kennisnatie aan untapped talents reservoir onontgonnen laat. Had men sinds de jaren '80 de zwarte en de latino jongeren zo geschoold dat zij nu naar het gemiddelde van de blanke jeugd waren gestegen qua studiesucces, dan had dit 2 tot 4% meer groei van het BBP opgeleverd.

    Het gat dat hiermee is ontstaan is groter dan elke grote recessie in de Amerikaanse economie heeft geslagen. Om u een idee te geven van de absolute getallen: per punt BBP gaat dat om $160 miljard per jaar. Zo'n gat in de toegankelijkheid en doorstroom naar hoger onderwijs vormen is dan ook economisch rampzalig.

    Trendbreuk naar flexibele routes

    Het verlagen van de uitval zal dit niet echt verhelpen. Meer van hetzelfde brengt weinig progressie daarin. Moet doorstroom niet gezien worden als iets van veel meer dan een aanbod van jeugdonderwijs?

    Een toename van het bestaande beleid is niet adequaat meer; ik denk echt dat er een trendbreuk moet komen. Zowel binnen het hoger onderwijs als in arrangementen voor levenslang leren moeten veel meer flexibele routes komen. Het hoger onderwijs zal hiertoe zelf meer moeten ondernemen: EVC-arrangementen voor jongeren en ouderen - ook voor werkenden - en nieuwe vormen van assessment die minder de voorafgaande 'schoolhistorie' en onderwijsloopbanen als hoogste argumenten kennen.

    Al deze dingen zijn overigens al onderdeel van het Bologna-stelsel, juist de variëteit van flexibele routes. Ook is in het bekostigingssysteem in Vlaanderen, dat minister Vandenbroucke heeft doorgevoerd, de impuls daarvoor al gegeven. Het komt er op neer dat de betrokkenen en de meest verantwoordelijken daarmee gaan doen wat nodig is.

    Heel het hoger onderwijs moet kritisch durven herdefiniëren wat het doet en wat zijn publieke opdracht is. De voorbije halve eeuw heeft men een prestatie van formaat neergezet door van sociaal selectief en 'klein' naar massaliteit over te schakelen. Met expansie en standaardisatie van het aanbod en de organisatie van de onderwijsprocessen is dat gelukt. In Europa is 'Bologna' eigenlijk meer de afronding dan het begin van zo'n grootscheepse hervorming. Meer slotfase dan nieuwe start.

    Die visie is voor velen een nieuwe. Men kijkt naar Leuven als vervolg, minder als conclusie van de slotfase.

    Ik dacht ook lange tijd in deze richting. Maar ik kijk er nu anders tegenaan: Bologna/Leuven sluit in Europa een cyclus van expansie, standaardisatie en convergentie af. Nu moeten ook onderwijskundig heel andere stappen gezet gaan worden, want anders blijft het bij meer van hetzelfde en dat kunnen we ons niet veroorloven, zoals ik hiervoor al aangaf. Stappen in de richting van radicale diversificatie in institutionele organisatie en vormgeving van onderwijsprocessen.

    Leuven bereidde dat voor, doordat reputatiemanagement en wedijver op inhoud en profiel nu als vervolgantwoord op de uitdaging van meer flexibiliteit in het hoger onderwijs op de agenda zijn gekomen. Dit vereist echt meer dan enkele hervormingstapjes.

    Niet echt leidend in de wereld

    Het hoger onderwijs zou hierbij meer moeten willen doen met behulp van nieuwe technologieën. Daar is nog een enorme winst te halen, zoals elke student weet. In scholen is de inzet van ICT tot 40% minder intensief dan bij de student of scholier thuis, zo meldde u lachend in uw verhaal in Brussel.

    Maar zo is het toch ook? De leerling en de scholier zijn veel bedrevener in hun leren met behulp van ICT dan de opleidingen en de curriculumontwerpers. Europa leidt hier de wereld niet echt. Terwijl bijvoorbeeld de Open Universiteit laat zien dat dit wel goed kan.

    De aanpak van het hoger onderwijs zou dan ook een pedagogiek van het succes moeten zijn, in plaats van een pedagogiek van het uitselecteren en mislukken. Studiesucces als kern van zijn identiteit voorop stellen is dan de missie.

    Die technologische sprong vooruit wordt overal gemaakt, dus waarom hier niet?

    Die sprong moet je 'toelaten' in je werk en je organisatie. De voorbije 50 jaar ging het kleine, zeg maar ambachtelijke hoger onderwijs van toen naar een bijna 'industriële' aanpak met een massale deelname. Nu moet dat geëxpandeerde hoger onderwijs naar een post-industriële opzet transformeren. Die overstap is aan de orde.

    Mijn eigen alma mater heeft bijvoorbeeld recent een nieuwe aula gebouwd. Weet u voor hoeveel studenten? Nee, niet voor 500. Voor 1000. Dat is dus investeren vanuit industrieel denken. Het hoger onderwijs zou hier veel kunnen leren van de gezondheidszorg. Daar innoveert men met behulp van kennis en technologie in een hoog tempo. Men doet er operaties op grote afstand, IT-gestuurd, die door één expert terzake in de wereld kunnen worden verricht. De opvattingen over doelmatigheid zijn in de gezondheidszorg veel sterker geëvolueerd dan in het onderwijs.

    Nederland heeft nog wat in te halen

    Voor het hoger onderwijs in Nederland zijn zulke sprongen vooruit te meer nodig, omdat het nog aanzienlijk zal groeien. Velen verwachten een demografische omslag naar krimp, maar u wijst op nogal andere cijfers.

    De universiteiten en hogescholen in Nederland gaan de komende decennia nog fors uitbreiden. Tot 40% meer HO-deelname kunt u verwachten tegen 2025, zo blijkt uit onze berekeningen. Ook de aanstaande vergrijzing zal daar weinig aan veranderen, omdat bevolkingsgroei, participatietrends en welvaartseffecten het hoger onderwijs erg aantrekkelijk blijven maken. Bovendien loopt Nederland nog steeds achter waar het de deelname uit verschillende bevolkingsgroepen betreft. U heeft dus zelfs nog wat in te halen.

    De langdurige werkloosheid en de impact van de huidige crisis vormen daarbij een extra impuls. De toestroom naar universiteit en hogeschool in de actuele studiejaren laat dat duidelijk zien. Dat jongeren deze keuze maken is dan ook helemaal niet merkwaardig. De massaliteit van het hoger onderwijs van de voorbije jaren en die verdere expansie zijn geen toeval. Het is een trend die economisch doordacht is en jonge mensen veel sociale mobiliteit biedt in de globale kenniseconomie. De return on investment van HO-deelname is en blijft fors, zeker in een crisisperiode.

    Bij de uitval en de gebrekkige doorstroom wordt vaak als eerste gekeken naar de allochtone jongeren, maar een veel grotere groep studenten laat een hardnekkig rendementsprobleem zien: jongens. Die discussie is internationaal her en der aan het opkomen. Ook bij de OECD?

    Dat 'jongensprobleem' is een feit, zeker. En het wordt echt dramatisch, als we daar geen trendbreuk in weten te bewerkstelligen. Het gaat immers om bijna de helft van de deelnemers aan het hoger onderwijs en de voorafgaande opleidingen.

    Dat hier een vraagstuk van grote omvang dreigt, kon je de voorbije 10 jaar als gestaag zien aankomen. Wel is het noodzakelijk, dat we hier meer onderzoek naar doen, want de aard en omvang ervan zijn nog onvoldoende doorgrond. Zo wordt dit nu meegenomen bij het PISA-onderzoek. Ik verwacht daarover binnenkort een publicatie en verwacht dat dit thema voluit op de agenda komt.