• A
  • A
  • Kwaliteit hbo-onderzoek bemoedigt

    - "Onderzoek verdient op termijn een eigen, aan haar [sic] belang rechtdoende positie naast het onderwijs, een verdere uitbouw en een betere zichtbaarheid. Hierbij past een verdere versterking van de onderzoekscultuur." De eerste validatie van lectoraal onderzoek biedt mooie inkijk in de hbo-ontwikkeling.

    Voortrekkersrol

    De validatiecommissie onder leiding van prof Pauline Meurs analyseerde het onderzoekswerk aan de Hogeschool Utrecht. De HU mag zich verheugen in bemoedigende conclusies over hoe men de ontwikkeling van lectoraal onderzoek heeft aangepakt. "Er is buitengewoon veel bereikt in een korte tijd" en de HU heeft daarin een voortrekkersrol binnen het hbo.

    De afspraken die de hbo-branche onderling heeft gemaakt zijn binnen de systematiek van kwaliteitszorg van de hogeschool goed herkenbaar. Men trekt er zo hard aan dat "voor de continuïteit en acceptatie op de langere termijn aandacht voor verdere vereenvoudiging en vermindering van werklast geboden [is]".

    Zoektocht

    Wel is men in dit stadium "nog zoekende naar bij het praktijkgerichte onderzoek passende indicatoren, criteria en normen." Die zoektocht met zowel in de HU als binnen het hbo in den brede, ook internationaal in bijvoorbeeld UASNET, worden voortgezet.

    De concrete vertaalslag naar het onderwijsproces en de inhoud van het hbo-onderwijs verdient ook nog acentuering, zo blijkt tussen de regels door: "onderzoek is weliswaar in de missie en de ambities dominant aanwezig, maar in de concrete positionering en het faciliteren nog duidelijk ondergeschikt aan het onderwijs."


    De samenvattende conclusies en aanbeveling van de VKO-validatie aan de HU leest hier:

    'Voor een instelling die (evenals alle andere hogescholen) nog maar zo kort een daadwerkelijke onderzoeksfunctie kent, staat de kwaliteitszorg al opmerkelijk stevig. Er is buitengewoon veel bereikt in een korte tijd. De indruk die de VKO vooraf had op basis van de aangeleverde stukken, namelijk dat de HU een voortrekkersrol vervult bij de ontwikkeling van (kwaliteitszorg van) onderzoek aan hogescholen, is tijdens het validatiebezoek bevestigd.

    De HU heeft een doordacht kwaliteitszorgsysteem voor haar onderzoek ontwikkeld en zorgvuldig geïmplementeerd. Mede dankzij de intensieve betrokkenheid van de HU bij de totstandkoming van het landelijke kwaliteitszorgstelsel voor onderzoek, zijn de brancheafspraken goed herkenbaar in het systeem. Daarbij is door de HU veel aandacht geschonken aan het creëren van draagvlak en acceptatie. Zowel interne als externe stakeholders zijn en worden bij het proces betrokken op een wijze die respect afdwingt.

    Tot nu toe is men binnen de HU positief over de verhouding tussen de te leveren inspanning en opbrengsten van het systeem. Voor de continuïteit en acceptatie op de langere termijn is aandacht voor verdere vereenvoudiging en vermindering van werklast geboden.

    De externe evaluaties geven een overwegend positief beeld van het onderzoek dat door de HU wordt uitgevoerd, zowel qua organisatie als resultaten. De evaluaties worden voldoende onafhankelijk, zorgvuldig en deskundig uitgevoerd, al valt er op onderdelen van de systematiek nog winst te boeken. De samenhang met het verantwoordingsinstrumentarium en accreditatie is zichtbaar, maar is gebaat bij verdere fine-tuning en verduidelijking. Het is goed te begrijpen dat de HU, evenals alle andere hogescholen (en Universities of Applied Sciences elders in de wereld), nog zoekende is naar bij het praktijkgerichte onderzoek passende indicatoren, criteria en normen.

    De VKO acht het van groot belang dat dit zoeken met volle kracht wordt voortgezet, mede in verenigingsverband en met aandacht voor het internationale perspectief. (Geleidelijke) invoering van normatieve elementen is noodzakelijk voor de geloofwaardigheid van het systeem op de langere termijn. Dit betekent tevens dat de focus minder op processen en meer op de inhoud zal moeten komen te liggen. Ook zou overwogen moeten worden om op den duur incentives te verbinden aan evaluatie-uitkomsten.

    Kenmerkend voor de kwaliteitszorgfilosofie van de HU is het accent op ontwikkeling en verbetering. De houding wordt getypeerd door transparantie en eerlijkheid. Met de externe rapportages is adequaat omgesprongen en er is goed gehoor gegeven aan de aanbevelingen. Dit geldt zeker voor de maatregelen die binnen de geëvalueerde kenniscentra zijn genomen. Instellingsbreed bieden de externe rapportages echter ook aanknopingspunten, die door de HU gedeeltelijk al zijn aangegrepen. De VKO wil daarbij vooral wijzen op het belang van verdergaande focus en massa.

    Een eerste stap daarmee is genomen door de inrichting van facultaire kenniscentra in 2007 en programmering van de kenniscentra in 2009. De vraag of de met de speerpunten aan te brengen focus tot gevolg heeft dat bepaalde opleidingen daarmee niet aan onderzoek worden gerelateerd, kan door de VKO nog niet worden beantwoord. Vanuit de constatering dat het onderzoek evident leidt tot kwaliteitsverbetering van het onderwijs, zou dat een onwenselijke situatie zijn. Hierin zit dus een spanning die de HU tot het maken van heldere keuzes dwingt.

    Verder is onderzoek weliswaar in de missie en de ambities dominant aanwezig, maar in de concrete positionering en het faciliteren nog duidelijk ondergeschikt aan het onderwijs. Dit is gezien de zeer jonge leeftijd van het onderzoek aan hogescholen overigens zeer begrijpelijk. Onderzoek verdient echter op termijn een eigen, aan haar belang rechtdoende positie naast het onderwijs, een verdere uitbouw en een betere zichtbaarheid. Hierbij past een verdere versterking van de onderzoekscultuur, iets wat de aandacht heeft van het college van bestuur en door het VKO ten zeerste wordt onderschreven. Voor de kwaliteitsontwikkeling is daarbij, naast de bovengenoemde ontwikkeling van standaarden en criteria, het HRM-beleid een cruciaal instrument.

    Tijdens haar bezoek heeft de VKO kunnen vaststellen dat juist op dat terrein binnen de HU goede initiatieven zijn genomen, zoals de eis dat faculteitsdirecteuren gepromoveerd moeten zijn (om gesprekspartner voor lectoren te kunnen zijn), de aanscherping in het aanstellingsbeleid voor lectoren en de invoering van de functie van hogeschooldocent. De VKO juicht dergelijke maatregelen van harte toe.

    Op basis van bovenstaande komt de VKO tot de conclusie dat er voldoende vertrouwen in bestaat dat het door de hogeschool gehanteerde kwaliteitszorgsysteem in algemene zin leidt tot het permanente bewaken en verbeteren van het onderzoek en de organisatie van dat onderzoek. Ze complimenteert de HU voor hetgeen in korte tijd is bereikt en moedigt de HU aan om met dezelfde inzet en hetzelfde enthousiasme op de ingeslagen weg verder te gaan. Ten slotte spreekt de VKO de hoop uit dat deze rapportage daarbij van waarde kan zijn.'