Een echte juf
Hermes' lectoraat deed onderzoek naar belemmeringen voor een
vergroting van de instroom in het keraarsberoep en het 'rendement'
van de opleidingen: hoe houd je leraren langer vast. Op een
conferentie in Amsterdam reflecteerde ze op de
uitkomsten.
"Ik mag graag over mezelf zeggen dat ik een 'echte juf'
ben. Dan bedoel ik dat ik gevraagd en ongevraagd mensen het rechte
pad wijs, ergens bij help of iets uitleg, en dat ik niet aarzel om
mijn autoriteit in de strijd te gooien.
Of het nu gaat om vervelende jongetjes op straat rond oud
en nieuw die vuurwerk gooien, kinderen die elkaar te lijf gaan, of
volwassenen die voordringen bij de kassa in de rij naast me. Er is
iets met het juffen-en meestersinstinct dat je de wereld een betere
plek wilt maken, dat mensen je boeien en dat je niet bang voor ze
bent maar dat je zowel naar ze kunt luisteren als ze kunt
toespreken.
De mythe van het
leraarschap
Daar hebben we dan meteen vat op de elementen van de mythe van het
leraarschap. Voordat we het verder over de inhoud hebben, eerst
mythe' zelf: mythes zijn sterke en ruim gedeelde
geloofsovertuigingen die echter niet gestoeld zijn op enig
empirisch bewijs. Mythes zijn superideologieën, ze zijn een manier
van naar de werkelijkheid kijken en haar betekenis
geven.
De mythe over het leraarschap gaat erover dat juf of
meester willen zijn een roeping is. Het zit in je, je kan er
eigenlijk niet aan ontkomen. De roeping heeft, als ik verwijs naar
de twee beeldvormingonderzoeken die we deden, als centrale kern
'houden van kinderen'. En ook: kinderen willen begeleiden. De mythe
zegt niet zoveel over wat een monsters kinderen kunnen zijn, over
orde houden, en over de hele reeks van taken die een leraar vandaag
de dag heeft.
Ik denk dat de mythe van de roeping zoals we die nu kennen
nog niet heel erg oud is. Kinderen komen betrekkelijk laat in de
verlichting eigenlijk pas een beetje in het vizier. Tot ver na de
middeleeuwen zijn kinderen gewoon kleine grote mensen die geen
speciale aandacht of plek behoeven. Met de opkomst van de burgerij
en wat later, de emancipatie van de arbeidersklasse krijgen we ook
massa-onderwijs en, zo vermoed ik, de behoefte om een lastig beroep
glans te geven.
Een paradoxale activiteit
Want leraar zijn is een betrekkelijk paradoxale
activiteit. Vandaag de dag gaat het over teamplayers die alleen
voor de klas staan. Al meer dan een eeuw gaat het over een
beroepsgroep die letterlijk de wijsheid in pacht heeft maar die dat
niet omzet in klinkende munt. Leraren zijn nooit speciaal heel goed
betaald geweest en moesten het doen met maatschappelijk aanzien.
'Roeping' is dan een fijne dekking voor die lastige lading. Want
waarom zou iemand immers leraar willen zijn. Zoals ze in Amerika
zeggen: If you're so smart, why ain't you rich?
Leraren worden niet meer zo slecht betaald en het aanzien
van het vak lijkt ook te slinken - niet in het minst omdat het
bijvoorbeeld in het primair onderwijs een vrouwenberoep geworden is
- volgens sommigen reden tot grote zorg. Ook de toenemende uitval
van jongens uit het voortgezet onderwijs en het middelbaar
beroepsonderwijs wel verklaard door de toegenomen feminisering
onder docenten. Nader onderzoek op dit punt is zeer
gewenst..
Maar feminisering, salaris en aanzien deerde de door ons
ondervraagde startende en alweer-vertrokken leraren niet speciaal,
en ook de schoolleiders en lerarenopleiders leken daar niet wakker
van te liggen. Wat de starters en vertrekkers wel zorgen baarde was
dat leerlingen, kinderen, aanzienlijk lastiger volk zijn dan ze
hadden verwacht. Tot de verbijstering van een van de ondervraagden
waren haar (basisschool)leerlingen nauwelijks geneigd om gewoon
'goedemorgen' te zeggen of een hand te geven.
Een extreem zwaar
beroep
De net-gestarten en de vertrekkers vonden 'leraar' ook een extreem
zwaar beroep. Het bleek eigenlijk helemaal niet te gaan om het
begeleiden van kinderen of ze iets leren, je wordt ook geacht
psycholoog, pedagoog, administrateur en ga zo maar door te zijn.
Niet alleen is houden van kinderen niet zo makkelijk en ook niet zo
belonend, leraar zijn, zo vonden ze uit, bestaat uit een enorme
hoeveelheid deelrollen. Terwijl ze zelf vooral de idealistenrol
koesterden, kwamen ze er vanwege alle andere soorten klussen die
ook moesten gebeuren niet aan toe daar echt iets van te
maken.
Hoe een mythe in de weg staat
De mythe van de roeping stelt beginnende leraren niet in
staat 'leraar te worden'. Het zorgt voor oogkleppen, zowel naar
kinderen toe, als naar het functioneren in een lerarenteam. Het
maakt dat je denkt in 'echt werk' en 'onecht werk', waarbij echt
werk altijd te maken heeft met direct contact met kinderen. Roeping
was misschien een aardig begrip voor de schoolmeester die in zijn
eentje de dorpsschool runde op het platteland van weleer - vandaag
de dag is deze mythe een last.
De mythe van de roeping staat ook de schoolleiders in de
weg. Bij hen keert hij terug bijvoorbeeld als ze praten over hoe ze
komen tot keuzes in sollicitatieprocedures. Dan gaan ze voor
diegenen die iets 'hebben met kinderen', 'van ze houden', of 'er
gevoel voor hebben', en niet voor degenen die de beste proefles
gaven. Ze wilden daarnaast ook graag 'teamplayers', iets wat goed
te begrijpen is vanuit hun managementtaken.
Ze zoeken eigenlijk naar die startende docenten die een
'roeping' hebben. Dat legitimeert, heel kort door de bocht
vervolgens dat je ze zelf hun weg laat vinden, lees: hun zaakjes
laat oplossen. Een teamplayer met roeping gaat wel bij zijn of haar
collega's terecht die hoeft niet speciaal gecoacht of begeleid te
worden (een van de klachten van de vertrekkers die we in 2008
spraken - naast hun angst voor een burn-out).
Lerarenopleiders doen veel minder expliciet aan de mythe -
maar kiezen ervoor om waar ze idealisme bij docenten in opleiding
tegenkomen, dat vooral niet te doorbreken. Sterker nog, ik vermoed
dat de 'klik' die opleiders en schoolleiders hebben over het verder
ontwikkelen van het waarderen van eerder verworven competenties, en
het zo inrichten van versnelde trajecten in het onderwijs voor
anders en onvoldoende geschoolden ook steunen op een notie dat
levenswijsheid een goed deel uitmaakt van leraarschap, en dat,
gekoppeld aan roeping, eigenlijk iedereen heel snel voor een klas
kan functioneren.
Leraarschap als gewoon
beroep
Als we nu de mythe van de roeping eens tussen haakjes zetten als
een stukje aantrekkelijke folklore, wat gebeurt er dan? Als leraar
een gewoon beroep is dan betekent dat:
1 -dat je beginnende leraren coacht en begeleidt, zoals je
dat ook in andere kennis en vaardighedenintensieve beroepen
doet
2-dat je nieuwe collega's inwerkt in de specifieke
organisatiecultuur van de school. Immers het beroep van leraar
veronderstelt vooral ook het vermogen om flexibel tussen je
verschillende didactische, vakinhoudelijke, administratieve en
organisatorische taken heen en weer te springen en de eisen daaraan
verschillen van school tot school
3-dat je startende leraren, net zoals andere
professionals, beoordeelt op een aantal kwaliteiten: van contact
met de klas tot omgaan met probleemouders tot functioneren in een
team, tot verslaglegging en procesevaluatie, enzovoorts
4-als leraar een gewoon beroep is, dan moet je er ook jezelf in
kunnen blijven ontwikkelen: zowel verticaal als horizontaal. Je
moet je kunnen specialiseren, carrière maken of vakinhoudelijk
verder kunnen gaan.
Als we blijven steken in de mythe van de roeping, dan
blijven we praten over individuen en individuele kwaliteit. Zien we
leraar als een gewoon beroep, dan gaat het om functioneren in een
organisatie, en daarbinnen in een team.
Individualiteit, talent en roeping zijn niet zo
belangrijk. Orde houden is niet iets wat je in de genen hebt
meegekregen. Orde kun je organiseren. Een docententeam kan
afspreken waar de grenzen liggen; ze kunnen in overleg over de
leerlingen tot een gemeenschappelijke aanpak komen van
probleemfiguren; net zoals dat ze de begeleiding van leerlingen die
het goed doen kunnen en willen delen.
In 'gewone' beroepen is het normaal dat er intervisie
afspraken zijn, zeker met starters. De gedachte daarachter is dat
je je als professional kan ontwikkelen en dat leren continu
doorgaat. Blijven we in de idee van de roeping, en dat het gaat om
van kinderen houden, dan valt er niet veel te ontwikkelen. Je houdt
van kinderen of niet, dat kan je niet leren. Hooguit is het handig
om als beginnende leraar een goede tolerantie voor lawaai te hebben
of een beetje doof te zijn…
Wat te doen als samenwerkende lerarenopleiders? Onze
gesprekken met schoolleiders laten zien dat de begeleiding van
startende docenten eigenlijk niet heel goed geregeld is. Dat moet
wel. Laat jonge en beginnende leraren en docenten niet te snel los.
Ze zullen het moeten leren om leraar te zijn, en daar kun je steun
bij gebruiken. De angst van starters voor een burn out en voor
totaal overladen te worden met taken, is een reële. Scholen gaan
daar zeer uiteenlopend mee om.
Sommigen stellen starters vrij van administratieve en
organisatorische taken. Dat is chic van ze maar eigenlijk een foute
route. Het onderwijs heeft ook goede organisatoren nodig. De klas
is niet voor iedere docent/leraar of misschien moet ik zeggen
professional in het onderwijs de uiteindelijke
lakmoestest.
Leven lang leren
Eenmaal in het vak moet je leraren ook blijven voeden - typisch
iets wat de opleidingen zouden kunnen organiseren. Juist in het
onderwijs moet je je verder kunnen ontwikkelen - de jonge mensen
met wie je werkt nemen telkens weer nieuwe trends en modes mee.
Prettig als je die kan plaatsen. Vanuit het idee dat leraar een
gewoon vak is, kun je verwachten dat na een paar jaar je docenten
een overstap zullen maken. Als overstappen van school naar school
makkelijker of aantrekkelijker is gemaakt, en scholen zich niet
alleen profileren op hun levensovertuiging of onderwijssysteem maar
ook als onderwijsorganisatie met een eigen organisatiecultuur dan
verdwijnen jonge leerkrachten niet maar kunnen ze nieuwe
uitdagingen vinden in de wereld van het onderwijs zelf.
Misschien ook iets voor de opleidingen: het opzetten van een goede
portal over scholen, de aanstaande werkgevers voor de studenten. Ik
begrijp dat dat ook gevoelig ligt: opleidingsscholen zoeken juist
via het opleiden op de school naar betere en langere hechting.
Jammer als dat het enige pad of perspectief is. Naar goed
Nederlands gebruik is tweesporenbeleid misschien een idee: hechten
wanneer mogelijk en avontuur binnen de wereld van het onderwijs
voor anderen?
Bij het waarderen van EVC's (Eerder verworven
Competenties) tenslotte geldt ook weer dat een realistisch beeld
van het dagelijks werkleven van een leraar zijn vruchten kan
afwerpen. De opleiders organiseren hun onderwijs terecht in vrij
abstract gedefinieerde competenties ----het is handig om
competenties en vakinhoudelijke kennis ook af te zetten tegen heel
praktische vaardigheden en overlevingsstrategieën ----en die zo te
benoemen. Dat geldt zowel voor leraren in opleiding als voor de
zij-instromers, maar ook voor gesettlede docenten. Life long
learning is een goede manier om werk en vak zowel doenlijk als
spannend te houden. Dat kan alleen als opleidingen, werkgevers en
docenten hierin samen willen optrekken.
Zijinstromers
Last but not least: neem eens de proef op de som: neem een groepje
studenten die niet speciaal leraar wilden worden maar
communicatiedeskundigen of marketingmedewerkers en vraag ze mee te
doen in een experiment waarbij ze in twee periodes kennis maken met
het onderwijs. Ik denk zomaar dat ze zonder roeping misschien juist
veel aantrekkelijks in het onderwijs kunnen vinden. Dat sluit ook
aan op de minoren die universiteiten zijn gestart waarin
tweedejaarsstudenten een tweedegraads bevoegdheid kunnen halen.
Daar zullen de nodige bezwaren aan kleven (ze zijn dan bevoegd maar
of ze ook bekwaam zijn, is dan nog de vraag). Experimenterenderwijs
moeten we kijken wat welke routes opleveren, zowel voor de scholen
(toename docenten) als voor docenten zelf: via de universiteiten,
de Pabo's, training on the job en wat we nog meer kunnen
verzinnen.
O ja, en dan nog: adviseer de minister om nooit meer
spotjes de wereld in te sturen over hoe je blijft leren als leraar
waarbij het beeldmateriaal duidelijk maakt dat dan gebeurt tussen
de vier muren van een klaslokaal. Een beetje leraar spendeert meer
tijd buiten dan binnen zijn of haar lokaal. Dat heb je met
bijzondere professionals in een doodgewoon beroep."
Joke Hermes is lector Media, Cultuur en Burgerschap aan
Hogeschool INHolland.