• A
  • A
  • Leraar: roeping of beroep

    - Lector Joke Hermes (INHolland) denkt dat mythes rond het leraarschap mensen bepaald niet helpen om leraar te worden en te blijven. De enige kans om het lerarentekort terug te dringen ligt er juist in om ‘leraar’ te leren zien als een heel gewoon beroep.


    Een echte juf


    Hermes' lectoraat deed onderzoek naar belemmeringen voor een vergroting van de instroom in het keraarsberoep en het 'rendement' van de opleidingen: hoe houd je leraren langer vast. Op een conferentie in Amsterdam reflecteerde ze op de uitkomsten.

    "Ik mag graag over mezelf zeggen dat ik een 'echte juf' ben. Dan bedoel ik dat ik gevraagd en ongevraagd mensen het rechte pad wijs, ergens bij help of iets uitleg, en dat ik niet aarzel om mijn autoriteit in de strijd te gooien.

    Of het nu gaat om vervelende jongetjes op straat rond oud en nieuw die vuurwerk gooien, kinderen die elkaar te lijf gaan, of volwassenen die voordringen bij de kassa in de rij naast me. Er is iets met het juffen-en meestersinstinct dat je de wereld een betere plek wilt maken, dat mensen je boeien en dat je niet bang voor ze bent maar dat je zowel naar ze kunt luisteren als ze kunt toespreken.

    De mythe van het leraarschap

    Daar hebben we dan meteen vat op de elementen van de mythe van het leraarschap. Voordat we het verder over de inhoud hebben, eerst mythe' zelf: mythes zijn sterke en ruim gedeelde geloofsovertuigingen die echter niet gestoeld zijn op enig empirisch bewijs. Mythes zijn superideologieën, ze zijn een manier van naar de werkelijkheid kijken en haar betekenis geven.

    De mythe over het leraarschap gaat erover dat juf of meester willen zijn een roeping is. Het zit in je, je kan er eigenlijk niet aan ontkomen. De roeping heeft, als ik verwijs naar de twee beeldvormingonderzoeken die we deden, als centrale kern 'houden van kinderen'. En ook: kinderen willen begeleiden. De mythe zegt niet zoveel over wat een monsters kinderen kunnen zijn, over orde houden, en over de hele reeks van taken die een leraar vandaag de dag heeft.

    Ik denk dat de mythe van de roeping zoals we die nu kennen nog niet heel erg oud is. Kinderen komen betrekkelijk laat in de verlichting eigenlijk pas een beetje in het vizier. Tot ver na de middeleeuwen zijn kinderen gewoon kleine grote mensen die geen speciale aandacht of plek behoeven. Met de opkomst van de burgerij en wat later, de emancipatie van de arbeidersklasse krijgen we ook massa-onderwijs en, zo vermoed ik, de behoefte om een lastig beroep glans te geven.

    Een paradoxale activiteit

    Want leraar zijn is een betrekkelijk paradoxale activiteit. Vandaag de dag gaat het over teamplayers die alleen voor de klas staan. Al meer dan een eeuw gaat het over een beroepsgroep die letterlijk de wijsheid in pacht heeft maar die dat niet omzet in klinkende munt. Leraren zijn nooit speciaal heel goed betaald geweest en moesten het doen met maatschappelijk aanzien. 'Roeping' is dan een fijne dekking voor die lastige lading. Want waarom zou iemand immers leraar willen zijn. Zoals ze in Amerika zeggen: If you're so smart, why ain't you rich?

    Leraren worden niet meer zo slecht betaald en het aanzien van het vak lijkt ook te slinken - niet in het minst omdat het bijvoorbeeld in het primair onderwijs een vrouwenberoep geworden is - volgens sommigen reden tot grote zorg. Ook de toenemende uitval van jongens uit het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs wel verklaard door de toegenomen feminisering onder docenten. Nader onderzoek op dit punt is zeer gewenst..

    Maar feminisering, salaris en aanzien deerde de door ons ondervraagde startende en alweer-vertrokken leraren niet speciaal, en ook de schoolleiders en lerarenopleiders leken daar niet wakker van te liggen. Wat de starters en vertrekkers wel zorgen baarde was dat leerlingen, kinderen, aanzienlijk lastiger volk zijn dan ze hadden verwacht. Tot de verbijstering van een van de ondervraagden waren haar (basisschool)leerlingen nauwelijks geneigd om gewoon 'goedemorgen' te zeggen of een hand te geven.

    Een extreem zwaar beroep

    De net-gestarten en de vertrekkers vonden 'leraar' ook een extreem zwaar beroep. Het bleek eigenlijk helemaal niet te gaan om het begeleiden van kinderen of ze iets leren, je wordt ook geacht psycholoog, pedagoog, administrateur en ga zo maar door te zijn. Niet alleen is houden van kinderen niet zo makkelijk en ook niet zo belonend, leraar zijn, zo vonden ze uit, bestaat uit een enorme hoeveelheid deelrollen. Terwijl ze zelf vooral de idealistenrol koesterden, kwamen ze er vanwege alle andere soorten klussen die ook moesten gebeuren niet aan toe daar echt iets van te maken.

    Hoe een mythe in de weg staat

    De mythe van de roeping stelt beginnende leraren niet in staat 'leraar te worden'. Het zorgt voor oogkleppen, zowel naar kinderen toe, als naar het functioneren in een lerarenteam. Het maakt dat je denkt in 'echt werk' en 'onecht werk', waarbij echt werk altijd te maken heeft met direct contact met kinderen. Roeping was misschien een aardig begrip voor de schoolmeester die in zijn eentje de dorpsschool runde op het platteland van weleer - vandaag de dag is deze mythe een last.

    De mythe van de roeping staat ook de schoolleiders in de weg. Bij hen keert hij terug bijvoorbeeld als ze praten over hoe ze komen tot keuzes in sollicitatieprocedures. Dan gaan ze voor diegenen die iets 'hebben met kinderen', 'van ze houden', of 'er gevoel voor hebben', en niet voor degenen die de beste proefles gaven. Ze wilden daarnaast ook graag 'teamplayers', iets wat goed te begrijpen is vanuit hun managementtaken.

    Ze zoeken eigenlijk naar die startende docenten die een 'roeping' hebben. Dat legitimeert, heel kort door de bocht vervolgens dat je ze zelf hun weg laat vinden, lees: hun zaakjes laat oplossen. Een teamplayer met roeping gaat wel bij zijn of haar collega's terecht die hoeft niet speciaal gecoacht of begeleid te worden (een van de klachten van de vertrekkers die we in 2008 spraken - naast hun angst voor een burn-out).

    Lerarenopleiders doen veel minder expliciet aan de mythe - maar kiezen ervoor om waar ze idealisme bij docenten in opleiding tegenkomen, dat vooral niet te doorbreken. Sterker nog, ik vermoed dat de 'klik' die opleiders en schoolleiders hebben over het verder ontwikkelen van het waarderen van eerder verworven competenties, en het zo inrichten van versnelde trajecten in het onderwijs voor anders en onvoldoende geschoolden ook steunen op een notie dat levenswijsheid een goed deel uitmaakt van leraarschap, en dat, gekoppeld aan roeping, eigenlijk iedereen heel snel voor een klas kan functioneren.

    Leraarschap als gewoon beroep

    Als we nu de mythe van de roeping eens tussen haakjes zetten als een stukje aantrekkelijke folklore, wat gebeurt er dan? Als leraar een gewoon beroep is dan betekent dat:

    1 -dat je beginnende leraren coacht en begeleidt, zoals je dat ook in andere kennis en vaardighedenintensieve beroepen doet

    2-dat je nieuwe collega's inwerkt in de specifieke organisatiecultuur van de school. Immers het beroep van leraar veronderstelt vooral ook het vermogen om flexibel tussen je verschillende didactische, vakinhoudelijke, administratieve en organisatorische taken heen en weer te springen en de eisen daaraan verschillen van school tot school

    3-dat je startende leraren, net zoals andere professionals, beoordeelt op een aantal kwaliteiten: van contact met de klas tot omgaan met probleemouders tot functioneren in een team, tot verslaglegging en procesevaluatie, enzovoorts

    4-als leraar een gewoon beroep is, dan moet je er ook jezelf in kunnen blijven ontwikkelen: zowel verticaal als horizontaal. Je moet je kunnen specialiseren, carrière maken of vakinhoudelijk verder kunnen gaan.

    Als we blijven steken in de mythe van de roeping, dan blijven we praten over individuen en individuele kwaliteit. Zien we leraar als een gewoon beroep, dan gaat het om functioneren in een organisatie, en daarbinnen in een team.

    Individualiteit, talent en roeping zijn niet zo belangrijk. Orde houden is niet iets wat je in de genen hebt meegekregen. Orde kun je organiseren. Een docententeam kan afspreken waar de grenzen liggen; ze kunnen in overleg over de leerlingen tot een gemeenschappelijke aanpak komen van probleemfiguren; net zoals dat ze de begeleiding van leerlingen die het goed doen kunnen en willen delen.

    In 'gewone' beroepen is het normaal dat er intervisie afspraken zijn, zeker met starters. De gedachte daarachter is dat je je als professional kan ontwikkelen en dat leren continu doorgaat. Blijven we in de idee van de roeping, en dat het gaat om van kinderen houden, dan valt er niet veel te ontwikkelen. Je houdt van kinderen of niet, dat kan je niet leren. Hooguit is het handig om als beginnende leraar een goede tolerantie voor lawaai te hebben of een beetje doof te zijn…

    Wat te doen als samenwerkende lerarenopleiders? Onze gesprekken met schoolleiders laten zien dat de begeleiding van startende docenten eigenlijk niet heel goed geregeld is. Dat moet wel. Laat jonge en beginnende leraren en docenten niet te snel los. Ze zullen het moeten leren om leraar te zijn, en daar kun je steun bij gebruiken. De angst van starters voor een burn out en voor totaal overladen te worden met taken, is een reële. Scholen gaan daar zeer uiteenlopend mee om.

    Sommigen stellen starters vrij van administratieve en organisatorische taken. Dat is chic van ze maar eigenlijk een foute route. Het onderwijs heeft ook goede organisatoren nodig. De klas is niet voor iedere docent/leraar of misschien moet ik zeggen professional in het onderwijs de uiteindelijke lakmoestest.

    Leven lang leren

    Eenmaal in het vak moet je leraren ook blijven voeden - typisch iets wat de opleidingen zouden kunnen organiseren. Juist in het onderwijs moet je je verder kunnen ontwikkelen - de jonge mensen met wie je werkt nemen telkens weer nieuwe trends en modes mee. Prettig als je die kan plaatsen. Vanuit het idee dat leraar een gewoon vak is, kun je verwachten dat na een paar jaar je docenten een overstap zullen maken. Als overstappen van school naar school makkelijker of aantrekkelijker is gemaakt, en scholen zich niet alleen profileren op hun levensovertuiging of onderwijssysteem maar ook als onderwijsorganisatie met een eigen organisatiecultuur dan verdwijnen jonge leerkrachten niet maar kunnen ze nieuwe uitdagingen vinden in de wereld van het onderwijs zelf.

    Misschien ook iets voor de opleidingen: het opzetten van een goede portal over scholen, de aanstaande werkgevers voor de studenten. Ik begrijp dat dat ook gevoelig ligt: opleidingsscholen zoeken juist via het opleiden op de school naar betere en langere hechting. Jammer als dat het enige pad of perspectief is. Naar goed Nederlands gebruik is tweesporenbeleid misschien een idee: hechten wanneer mogelijk en avontuur binnen de wereld van het onderwijs voor anderen?

    Bij het waarderen van EVC's (Eerder verworven Competenties) tenslotte geldt ook weer dat een realistisch beeld van het dagelijks werkleven van een leraar zijn vruchten kan afwerpen. De opleiders organiseren hun onderwijs terecht in vrij abstract gedefinieerde competenties ----het is handig om competenties en vakinhoudelijke kennis ook af te zetten tegen heel praktische vaardigheden en overlevingsstrategieën ----en die zo te benoemen. Dat geldt zowel voor leraren in opleiding als voor de zij-instromers, maar ook voor gesettlede docenten. Life long learning is een goede manier om werk en vak zowel doenlijk als spannend te houden. Dat kan alleen als opleidingen, werkgevers en docenten hierin samen willen optrekken.

    Zijinstromers

    Last but not least: neem eens de proef op de som: neem een groepje studenten die niet speciaal leraar wilden worden maar communicatiedeskundigen of marketingmedewerkers en vraag ze mee te doen in een experiment waarbij ze in twee periodes kennis maken met het onderwijs. Ik denk zomaar dat ze zonder roeping misschien juist veel aantrekkelijks in het onderwijs kunnen vinden. Dat sluit ook aan op de minoren die universiteiten zijn gestart waarin tweedejaarsstudenten een tweedegraads bevoegdheid kunnen halen. Daar zullen de nodige bezwaren aan kleven (ze zijn dan bevoegd maar of ze ook bekwaam zijn, is dan nog de vraag). Experimenterenderwijs moeten we kijken wat welke routes opleveren, zowel voor de scholen (toename docenten) als voor docenten zelf: via de universiteiten, de Pabo's, training on the job en wat we nog meer kunnen verzinnen.

    O ja, en dan nog: adviseer de minister om nooit meer spotjes de wereld in te sturen over hoe je blijft leren als leraar waarbij het beeldmateriaal duidelijk maakt dat dan gebeurt tussen de vier muren van een klaslokaal. Een beetje leraar spendeert meer tijd buiten dan binnen zijn of haar lokaal. Dat heb je met bijzondere professionals in een doodgewoon beroep."

    Joke Hermes is lector Media, Cultuur en Burgerschap aan Hogeschool INHolland.