• A
  • A
  • De 10.000 uur van de leraar

    - Het kost ongeveer 10.000 uur ergens specialist in te worden. Hoe werkt dat in het leraarschap? HvA-lector Marco Snoek vraagt zich af waarom een masteropleiding voor leraren niet gewoon verplicht wordt.

    Op 26 januari 2010 vond in Leiden de conferentie De 10.000 uur plaats. Deze conferentie, georganiseerd door het Landelijk Expertisecentrum Leren van Docenten i.s.m. de VELON, de LPC en SBL, ging over de vraag hoe in het leertraject van leraren meer samenhang aangebracht kon worden. Onderliggend uitgangspunt was dat het ongeveer 10.000 uur kost om ergens specialist in te worden. En voor leraren omvat dat dus veel meer dan alleen de initiële lerarenopleiding.

    De gedachte van de 10.000 uur is geïnspireerd op een publicatie van Malcolm Gladwell, getiteld 'Uitblinkers', waarin hij betoogt dat het niet zozeer gaat om aanleg en ambitie, maar vooral om veel oefening. Top-violisten en gemiddelde strijkers onderscheiden zich vooral door het aantal uren dat ze geoefend hebben. En top-violisten, top-honkballers, top-programmeurs, etc. hebben allen zo'n 10.000 uur nodig gehad om bij die top te komen.

    Hollandse nuchterheid

    Die gedachte staat nogal haaks op onze Hollandse nuchterheid. Waar Amerikanen geloven in de American dream: 'als je maar wilt, dan lukt het', gaan we in Nederland toch vooral gebukt onder de gereformeerde predestinatieopvatting, dat sommigen het in zich hebben en anderen niet. Dat passen we al toe bij de schifting van leerlingen op 12 jarige leeftijd, waarbij we vmbo-leerlingen die de ambitie uitspreken later chirurg te worden wat meewarig aankijken. Hoewel we al lang geleden de Euro hebben ingevoerd, geloven we nog steeds in het spreekwoord: 'Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje'.

    Kan iedere leraar een expert worden?

    Ook tijdens de conferentie in Leiden kwam regelmatig de vraag boven of iedere leraar wel 'expert' zou kunnen worden. Het vertrouwen dat oefening per definitie kunst baart, is bij ons toch niet zo groot. Sommigen hebben het in zich, anderen niet of in mindere mate. Misschien dat we daarom in Nederland ook wel achterlopen in de beweging om het kwalificatieniveau van de leraar omhoog te halen naar masterniveau. Waar in andere Europese landen de keuze gemaakt wordt dat alle leraren als minimumniveau de mastergraad moeten hebben, kiezen we in Nederland voor een post-initiële en vrijwillige variant. Zelfs Onderwijsvakbond AOb koos er in haar Masterplan uit 2006 voor dat iedere leraren het recht zou moeten hebben om een masterkwalificatie te behalen. Zou ook hier bewust de formulering in termen van plicht vermeden zijn vanuit de veronderstelling dat niet iedere leraar (met voldoende oefening) het in zich heeft om expert leraar te worden?

    Metafoor

    Natuurlijk is de 10.000 uur slechts een metafoor. Een metafoor die bruikbaar is om over twee dingen na te denken:

    1. De vraag of we niet te makkelijk vasthouden aan onze Hollandse indeling in dubbeltjes en kwartjes en niet iets meer moeten overnemen van het Amerikaanse geloof in eigen kunnen.
    2. De vraag hoe we in de '10.000 uur' meer samenhang kunnen brengen in de begeleiding van de ontwikkeling van student tot expert-leraar. En dan gaat het niet alleen om voldoende 'vlieguren', want daar leer je niet per definitie iets van. Het gaat vooral om begeleide vlieguren, 'deliberate practice'. Dat betekent dat begeleiding na afloop van de opleiding (bijvoorbeeld als beginner) van groot belang is en in samenhang gebracht moet worden met wat er in de opleiding aan de orde gekomen is. Dus waarbij ook coaches binnen de school niet alleen begeleiden vanuit het welbevinden van de leraar, maar ook verwijzen naar de theorieën, concepten en boeken die tijdens de opleiding aan de orde gekomen zijn. Op dat punt leverde de conferentie veel praktische handvatten op in de vorm van good-practices op, wat de organisatoren nog zeker breder zullen verspreiden.

    Een van de voorbeelden van 'deliberate practice' is het betrekken van leraren bij het doen van onderzoek binnen de school, bijvoorbeeld in het kader van de academische opleidingsschool. Vanuit het lectoraat Leren & Innoveren van het Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding van de HvA is binnen dit kader onderzoek gedaan naar de bijdrage die dit onderzoek binnen de school levert aan het leren binnen de school.

    Bij het beantwoorden van die vraag is een onderscheid gemaakt tussen het leren van individuen, het leren van teams en het leren van de organisatie.

    Wat leren docenten van onderzoek doen?

    Bij de operationalisering is gekozen voor een focus op de onderzoeksdocenten: wat leren zij van het doen van onderzoek, wat en hoe leren zij als team en welke bijdrage leveren zij in hun ogen aan het leren van de school als geheel? Daarbij is ook aandacht besteed aan stimulerende en belemmerende factoren in de structuur en de cultuur van de school (zie poster en artikel).

    Wat opvalt in het onderzoek is dat de onderzoeksdocenten niet alleen leren over de inhoud van het onderwerp dat ze onderzoeken, maar ook over het doen van onderzoek. De meeste (onderzoeks)docenten hebben weinig tot geen (recente) ervaring met het doen van (onderwijs)onderzoek. Maar een misschien nog wel belangrijker opbrengst is dat de onderzoeksdocenten ook een realistischer beeld en meer begrip voor collega-docenten, schoolleiding en zichzelf hebben gekregen, doordat ze meer kennis en overzicht over de hele school en de rol van het management hebben gekregen. De betrokkenheid in onderzoek heeft daarmee geleid tot een andere houding en rolopvatting van leraren in de school.

    Tijdens de conferentie leidde dit tot de discussie of dit wel een efficiënte vorm van leren is: het vrij maken van leraren voor één dag in de week voor het doen van onderzoek is immers erg kostbaar. Je kunt echter een vergelijking trekken met het volgen van een masteropleiding. Ook dat vraagt een tijdsinvestering van 1 à 2 dagen per week gedurende twee jaar.

    Wat dan opvalt is dat er niet eens zulke hele andere leeropbrengsten zijn, maar dat het verschil vooral is dat je voor een masteropleiding een lerarenbeurs kunt aanvragen en voor zo'n onderzoekstraject niet. Misschien wordt het tijd om dat eens te veranderen.

    Marco Snoek, Lectoraat Leren & Innoveren, Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding, Hogeschool van Amsterdam