Van oudsher is de lerarenopleiding, ook die aan het hbo, gericht
geweest op voorbereiding van het leraarschap in het algemeen
voortgezet onderwijs. De laatste tien jaar is daar verandering in
gekomen. Het besef is ontstaan dat veel van de studenten les gaan
geven in (v)mbo. De mate waarin de opleidingspraktijk daadwerkelijk
toewerkt naar verwerving van de eerder in deze notitie uitgewerkte
rollen en begeleidingsmethodieken in de context van het
beroepsonderwijs, is echter vaak nog beperkt.
Ik durf de stelling aan dat de lerarenopleiding (nog) niet in
staat is de aankomende (v)mbodocenten de wereld in te leiden van de
kennis, zienswijzen, vaardigheid, opvattingen en houdingen die
horen bij de beroepspraktijk van hun toekomstige leerlingen, en
zorg te dragen voor de verwerving van een startpositie van die
leerlingen daarbinnen.
Te weinig geschikte docenten
Ik heb het dan uitdrukkelijk over de docent in de bovenbouw van
het vmbo en in het mbo. Tekenend in dit verband is dat een beweging
als het Vakcollege aangeeft dat er feitelijk geen opleidingsroute
bestaat voor de docenten die het Vakcollege nodig heeft. Ook
vmbo-scholen die de gemengde en/of theoretische leerweg meer
beroepsvoorbereidend willen invullen, ervaren het probleem van te
weinig geschikte docenten. Voor het mbo speelt het probleem ook in
een aantal opleidingsrichtingen. Bovendien kent men daar het
bijkomende professionaliseringsvraagstuk voor docenten van
opleidingen op niveau vier (die toegang geven tot het hbo) van wie
juist in die combinatie van pedagoog en vakexpert hoogstaande
kwaliteit in kennis en kunde wordt verwacht.
De hbo-lerarenopleidingen zullen zich sterker dienen te richten
op toeleiding naar leraarschap in het beroepsonderwijs. Daarbij
gaat het onder andere om inkleuring van de landelijke
bekwaamheidseisen vanuit de eerder onderscheiden rollen en
begeleidingsmethodieken van een docent beroepsonderwijs. Dat is
misschien nog niet zo moeilijk. Lastiger wordt het om de
kennisbasissen die ontwikkeld zijn en worden voor de verschillende
vakken uit te werken naar de beroepsdomeinen waartoe het
beroepsonderwijs opleidt. Dan hebben we het bij de talen
bijvoorbeeld over vaktaal en bij aardrijkskunde over aard van de
bedrijvigheid in relatie tot geografische kenmerken, bevolking en
bodem, et cetera. Het gaat hier om meer dan het werken met
voorbeelden en contexten. Het gaat om de synthese van de
schoolvakdiscipline met de beroepsdomeinkennis.
Bekwaamheid van de lerarenopleider
zelf
Onderliggend aan die inkleuring en die verbinding aan het
denken, weten en handelen in beroepsdomeinen, ligt nog een heel
cruciale kwestie. Dat is de organisatie van het opleiden en de
bekwaamheid en het profiel van de lerarenopleider zelf. In een deel
van de lerarenopleidingen is daar - van oudsher - een adequate
manier van werken op gevonden; voor een aantal andere
lerarenopleidingen moet daarop nog een flinke slag gemaakt
worden.
Gezien de gecombineerde identiteit van de docent
beroepsonderwijs dient de lerarenopleiding
identificatiemogelijkheden te ontwikkelen voor de aankomende
docenten beroepsonderwijs. Dat wil zeggen: een proces van
beroepsvorming op gang te brengen, gericht op het ontwikkelen van
de habitus van de docent beroepsonderwijs. Als de docent
beroepsonderwijs inderdaad moet kunnen opereren op het snijvlak van
pedagoog en (vak)expert vanuit het perspectief van een specifieke
beroepspraktijk, moeten zij tijdens hun opleiding ingeleid worden
in die wereld door te leren en oefenen met voldoende rolmodellen
voorhanden. Leerarrangementen dienen daarmee ook gebaseerd te zijn
op de primaire beroepspraktijk, zowel door actuele settings in het
bedrijfsleven/werkveld in te bouwen als door sterke verbintenissen
aan te gaan met de domeingerichte opleidingen (de niet-educatieve
opleidingen aan een hogeschool).
Daarbij wil ik hier niet in discussie gaan over de vraag of er een
apart bekwaamheidsprofiel docent beroepsonderwijs zou moeten komen;
eerder heeft het ministerie al besloten dat dat er niet komt. Wat
mij betreft is er binnen de huidige kaders nog veel meer mogelijk
dan nu gebeurt.
Beroepspraktijk moet ingebracht
Als laatste element van die cruciale onderliggende kwestie: wat
voor de docent beroepsonderwijs geldt, geldt ook voor de
lerarenopleiders. Ook die moeten op het snijvlak van verschillende
werelden opereren; ze moeten de geur, kleur, smaak van de zorg en
verpleging inbrengen, van het administratiekantoor, van de bank en
boekhouder, van de kapsters en de modeboetieks, van de
procestechniek en de garage. Als dat niet het geval is, wordt de
primaire beroepspraktijk - waartoe de leerlingen van (bovenbouw)
vmbo en mbo worden opgeleid - alleen maar in afgeleide en
artificiële zin ingebracht. Dat doet afbreuk aan de kwaliteit die
de docent in het beroepsonderwijs dient in te brengen, en dat kan
het beroepsonderwijs niet hebben. Juist daar geldt verstand van
zaken, uitdaging brengen en grenzen verleggen als motor van leren -
en alleen dat verdient het respect van de leerling".
Prof. dr. Elly de Bruijn (1960) is sinds 2007 lector
Beroepsonderwijs bij de faculteit Educatie, Hogeschool Utrecht.
Daarnaast is ze in 2005 aan de Universiteit Utrecht benoemd tot
bijzonder hoogleraar op het terrein van de pedagogisch-didactische
vormgeving van beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en leven lang
leren. Ze werkt in beide functies nauw samen met het landelijke
expertisecentrum beroepsonderwijs (fusie van CINOP Expertisecentrum
& Max Goote Kenniscentrum). Verder is ze sinds eind 2006 lid
van de Raad van Toezicht van het (ROC) Horizoncollege.
Dit is een ingekorte versie van het artikel De docent
beroepsonderwijs: jongleren op het grensvlak twee werelden. In:
De identiteit van de hbo-professional. (Hogeschool
Utrecht, 2009). Het complete artikel vindt u
hier.