• A
  • A
  • Vertrouwen moet je verdienen

    - “Problemen los je niet op door ze te ontkennen. In sommige scholen gaat er te veel energie in de overhead zitten en te weinig in het primaire proces. Dan is er geen aandacht voor wat de werkvloer nodig heeft.” Dat stelt AOb-voorzitter Walter Dresscher als repliek op de prikkelende visie van Frans de Vijlder en Hans van Gansewinkel.

    Niet op elkaars stoel willen zitten

    'In hun artikel  Weg met managementschaamte zeggen De Vijlder en Van Gansewinkel dat het tijd is om trotser te worden op de organisatie. Maar wie wil er nu werken in een organisatie die jou niet ziet staan? Een manager die trots is op een organisatie die bol staat van het wantrouwen tegen de leiding is volgens mij wel een beetje de weg kwijt.

    Problemen tussen personeel en management hangen samen met de stijl van leidinggeven. Ik pleit niet voor anarchie, maar voor wederzijds respect, ruimte voor initiatief en een motiverende context. Vergeten het personeel te raadplegen en te betrekken bij het maken van beleid is verkeerd management. Dit leidt niet alleen tot slechtere oplossingen, maar is ook demotiverend. En dan heb ik het nog niet eens over de excessen: personeel dat het gevoel heeft überhaupt geen kritiek meer te mogen geven, spreekverboden en intimiderend gedrag. Personeel en management moeten elkaars rol respecteren en erkennen dat het beroep van manager wat anders is dan de professie leraar: ga niet op elkaars stoel zitten en respecteer de ander.

    En juist dat blijkt moeilijk. Er is kennelijk verwarring over de taken. Ik nam als leraar een rector serieus als hij zijn zaken op orde had: personeelsbeleid, de roosters, de gebouwen en het contact met ouders. Van die rector accepteerde ik dat hij vroeg naar mijn aanpak, suggesties deed voor verandering en aandrong op de oplossing van een probleem. Een bestuurder die zijn eigen taken verricht en zich verantwoordelijk stelt voor de uitkomst van het werk van zijn personeel. Maar dus ook ruimte laat aan de leraar om zijn werk te doen. Als de rector zich druk meent te moeten maken over mijn onderwijsconcept, terwijl ik mij druk moet maken over mijn rooster, mijn klaslokaal en het schoolbeleid doen we het beiden verkeerd. Als we er beiden bij betrokken zijn werkt het systeem.

    Vertrouwen winnen is nodig

    Leraren en onderwijsondersteuners willen graag werken met bestuur dat vertrouwen wekt, want het is tijd dat het onderwijs meer uit zichzelf gaat halen. Er dreigt een groot lerarentekort, de maatschappij en politiek hebben grote ambities met het onderwijs. Dus moeten personeel en bestuur de handen ineen slaan. Dat betekent dat van leraren verwacht kan worden dat zij zich professioneel opstellen en van managers dat zij professioneel leiding gaan geven. Dat betekent:

    1.      De klas centraal. Steeds minder geld wordt uitgegeven aan het primair proces, het contact tussen de gekwalificeerde leraar en de leerling. Doordat op verschillende plekken geld aan de strijkstok blijft hangen en de formulieren- en vergaderdruk toeneemt heeft de Nederlandse leraar inmiddels per leerling de minste tijd, zo bleek uit OECD-cijfers afgelopen september. Scholen en klassen moeten terug naar een menselijke schaal en leraren moeten genoeg tijd krijgen om hun lessen goed voor te bereiden en af te ronden. Zo krijgt elke leerling de aandacht die hij verdient.

    2.      Vertrouwen krijgen is vertrouwen geven. De leraar moet -waar dat nog het geval is -af van het idee dat hij of zij koning is in de klas. Docententeams en ondersteuners moeten in teamverband in gesprek over hoe zij lesgeven. Een goede manager maakt dat proces mogelijk. Door resultaten te belonen, personeel aan te spreken op zijn professionaliteit en mee te denken over onderwijskwaliteit.

    3.      Investeren in goed personeel. Er is dankzij het convenant LeerKracht geld voor hogere salarissen en scholing van leraren. Bizar genoeg is het onderwijs de beroepsgroep waarin het personeel het minst bijleert tijdens de loopbaan. Met de invoering van een lerarenbeurs en scholingsbudgetten in de cao heeft de AOb geprobeerd hier verandering in te brengen. Scholen geven echter nog te weinig vrij en belonen ontwikkeling ook nog te weinig. Als het management hier nu eens als eerste de schaamte laat vallen en goede leraren beloont met fatsoenlijk personeelsbeleid is het vertrouwen snel gewonnen.

    Samen naar de Top 5

    Door slecht management helder aan te stippen waar dat nodig blijkt, probeert de AOb vooral ook goed management aan te sporen en uit te lokken. Scholen die het goed doen werken met een platte structuur, hebben een lage overhead, en gunnen teams van leraren de ruimte om het onderwijsbeleid zelf inhoud te geven. Die teams tonen ook een grotere verantwoordelijkheid voor hun onderwijs. 

    Ik moet nog te vaak horen op congressen dat goed onderwijs staat of valt met heel goede bestuurders. Dat is waar, als de bestuurder zich realiseert dat het in de klas moet gebeuren. Dus een goede bestuurder zorgt er eerst voor dat zijn leraren goed kunnen functioneren en zijn leerlingen goed les krijgen.

    Het onderwijs krijgt een moeilijke opdracht mee: vijf plaatsen stijgen op de ranglijst van kenniseconomieën, naar de top 5. Dat vraagt veel van bestuurders en personeel, zij moeten dus de handen ineen slaan. Als de onderwijsbestuurder zich een inspirerend en dienend leider kan tonen komt de trots vanzelf. Onderwijspersoneel is van nature trots, trots op de leerlingen, maar ook op het onderwijs en de school. En voor een goede bestuurder gaat het personeel door het vuur.'

    Walter Dresscher is voorzitter van de Algemene Onderwijsbond