Hoe hectisch de voorbije weken zijn geweest in politiek Den Haag
en binnen haar CDA kan men zien aan de ingepakte rechterhand van
HO-bewindsvrouwe Marja van Bijsterveldt. "Ik heb SMS-Rsi aan mijn
duim. De laatste weken heb ik het zo bont gemaakt, dat het een
peesontsteking werd," zegt zij als ze heel voorzichtig de hand van
de redactie van ScienceGuide schudt.
Breder trekken graag
Bij de oprichting van de Stichting van het Onderwijs was Van Bijsterveldt echter
niet zo voorzichtig, maar opvallend duidelijk. Ze sprak de
oprichters beleefd aanmoedigend, maar niet onkritisch toe. Zij ziet
graag dat de koepels en bonden hun werk snel veel "breder gaan
trekken", zowel wat betreft de participanten in en rond de
stichting als bij de keuze van de thema's waar het voor de toekomst
van het onderwijs om moet gaan.
De Stichting van het Onderwijs ziet u als een volgende stap in
een veel bredere ontwikkeling: die naar meer openheid en
verbindingen van de onderwijsorganisaties naar de omgeving en zeker
ook naar elkaar. Velen zeiden ook: 'het werd wel eens tijd.'
Dat de stichting er is gekomen, hebben we te danken aan de
commissie Rinnooy Kan. Die wees er terecht op dat er voor elke
schoolsoort en type onderwijs en onderwijsniveau een stevige
organisatie bestaat, maar niet een die voor het geheel kan staan.
De wezenlijke onderwerpen en langere termijn belangen en thema's
van het onderwijs bleven zo onderbelicht, vooral in het onderwijs
zelf.
Van het advies Rinnooy Kan zijn de eerste stappen gezet en
gerealiseerd. Die stappen waren volgens mij ook de belangrijkste om
mee te beginnen, om allereerst de positie van het leraarschap te
versterken. Een beetje op de achtergrond heeft men ook aan dit idee
van die stichting doorgewerkt, ik vind dat erg goed. Men heeft met
werkgroepen drie visiedocumenten opgesteld en in regionale
bijeenkomsten met het onderwijsveld zelf deze verder uitgewerkt.
Echt op heel Hollandse manier dus, in een grondig
overlegmodel.
Over de schaduw springen
Bij de start gaf u wel als kritische kanttekening mee, dat in
deze organisatie en dit overleg de ouders en de studenten toch niet
mogen ontbreken. Zelf wees men op de Stichting van de Arbeid als
model waarnaar men begonnen is en daar zitten als het ware de
consumenten ook niet in.
Ik wees op de studenten en ouders omdat zij ook meer zijn dan
consumenten. Als het gaat om de langere termijn ontwikkeling en
belangen van het onderwijs zijn de posities en opvattingen van de
koepels van werkgevers en die van de bonden soms contrair. Dat kan
botsen op wat de thema's zouden moeten zijn die essentieel zijn
voor de toekomstige ontwikkeling. Het is daarom goed als de
stichting een breder palet van deelnemers en partijen met hart voor
het onderwijs er in gaat betrekken.
Kijk bijvoorbeeld naar het thema van de productiviteit van het
onderwijs. Daar moeten we nu al echt grondig over door denken. Je
moet er rekening mee gaan houden dat wij met minder docenten dan we
nu kennen, onder meer vanwege de vergrijzing in heel de
arbeidsmarkt, meer kwaliteit moeten bieden.
Het met minder mensen op het huidige niveau houden is al een grote
opgave, denk ik, maar we beseffen allemaal ook dat de lat gewoon
omhoog moet. Over de hele linie. Dat vergt veel van mensen, dat zal
ook bij de arbeidsvoorwaarden voor het onderwijs moeten doorwerken,
dat kan bijna niet anders.
Bij zulke onderwerpen zul je innovatief moeten durven worden,
voorbij de eigen schaduw springen ook. Dan is het dus goed als niet
alleen de werkgevers en werknemers de discussie in gang zetten en
onderling voeren, maar ook ouders, docenten, studenten, andere
maatschappelijke actoren. Om op dit soort punten innovatie te gaan
worden is de grote uitdaging voor de stichting. Het innovatief
vermogen van het onderwijs zelf is ook van belang voor de stichting
zelf.
Als ik u dit betoog zo hoor houden, dan denk ik meteen:'Marja
van Bijsterveldt moet wel voor de studentassessor zijn!' Bovendien
is het post factum, door een demissionair kabinet nota bene, doen
'repareren' van een in de Senaat aangenomen wet toch een
staatsrechtelijk monstrum?
Dat is een heel ondeugende vraag, dat weet je best! Ik wil
hier heel duidelijk over zijn: ik ben het eens met de meerderheid
van de Kamer, dat we hier een wijziging moeten aanbrengen, zoals
dat in de Eerste Kamer ook was geconcludeerd. In een situatie als
deze is het toch de Kamer die het primaat heeft. Maar ik wil best
erkennen dat dit wel een heel bijzondere omweg is die we nu
blijkbaar moeten bewandelen.
VO en HO samen aan de slag
De Stichting van het Onderwijs heeft de ambitie de grote
thema's voor de langere termijn in den brede te agenderen en
daarmee politiek en maatschappelijk steun voor de idealen en
belangen van het onderwijs te wekken. U noemde in uw speech al een
zeer concreet punt: hoe havo en hbo elkaars studiesucces kunnen
opwaarderen. Wat ziet u van uit het hoger onderwijs als
toekomstthema's die u hier graag op de agenda zag?
Dat studiesucces punt hoort daar zeker op! Ik was op een
bijeenkomst daarover onlangs en daar kwam dit aan de orde. Men
merkt bij de aansluiting en voorbereiding op het hbo dat de
havo-opleiding een brede, algemene VO-vorming geeft. Het havo kent
echter weinig beroepsgerichte kanten, niet veel oriëntatie op
latere beroepen. Dat heeft grote invloed op de studie- en
beroepskeuze van studenten, op hun manier van kiezen ook. Daar kan
het hbo veel sterker in betrokken worden, met veel positieve
gevolgen voor het rendement.
Dat kan door al in havo-4 het hbo te betrekken in verschillende
vakgebieden en kennismakingsvormen met wat men later in de
hbo-opleiding en in de beroepspraktijk kan 'beleven'. Want het kan
toch niet dat er nu jongens en meisjes zijn die al na enkele weken
in de propedeuse in het hbo zeggen: 'dit past helemaal niet bij
mij, dit soort beroep is ook niks voor mij.'
Dat is zowel voor die jongeren zelf, als voor het hbo en het havo
volstrekt demotiverend, en dat kun je toch voorkomen door meer
samen te werken hierin. Je moet de scholen in het voortgezet
onderwijs dit soort vraagstukken niet in hun eentje laten oplossen,
hier kunnen de verschillende onderwijstypen elkaar echt versterken.
Die 'lange leerlijnen' kunnen ze het beste samen inrichten, dat
moet OCW niet gaan regelen! Moeten we ook niet willen.
Dat kon je ook zien in het werk van onze 'Student van 2009',
Rabia Bouzian, in het peercoachtraject in vmbo-mbo-hbo bij de
Hogeschool Rotterdam.
Ja, dat vond ik ook zo geweldig aan wat zij doet met haar club van
coaches! Wat je daar ook ziet, is dat het instellingen zelf zijn
die dit oppakken. Zoiets zou de stichting ook kunnen stimuleren,
door verschillende instellingen en schoolsoorten meer bijeen te
brengen op dit terrein.
Er zijn tussen vmbo en mbo al meer geïntegreerde trajecten
bijvoorbeeld tot stand gebracht, waardoor het studiesucces ook op
dat niveau duidelijk omhoog gaat. Ook dat is iets voor de
samenwerking tussen VO en HO: door meer van die trajecten te
integreren, bijvoorbeeld voor leerlingen die al toe zijn aan eerste
leerervaringen op hbo- en academisch niveau. Het blijkt
bijvoorbeeld bij Fontys, dat als men in de propedeuse duidelijke,
steviger eisen stelt, dat het rendement stijgt.
De lat hoger leggen
U noemde als toekomstthema nadrukkelijk
'arbeidsproductiviteit', mede in het licht van de
vergrijzing.
Dat zal best een gevoelig onderwerp zijn. Toch zullen we daar
met elkaar naar moeten kijken, het gesprek aan gaan. Want hoe kom
je bij minder mensen toch tot het hoger leggen van de lat? Dan moet
je niet alleen naar de bestaande werkwijzen en organisatievormen
kijken. De inzet van moderne educatieve technologie, nieuwe
leermiddelen en inzet van ICT, dat komt sowieso op de agenda, in
heel de wereld. Het Innovatieplatform is hier ook mee bezig,
bijvoorbeeld.
Dit is een zaak die niet alleen docenten aangaat. Als je de
organisatie van het onderwijs zelf moet verbeteren hiervoor, vergt
dit ook veel van het onderwijsleiderschap. Ik zag dat de stichting
in zijn eerste position papers dit punt ook aangeeft en het is goed
als zij dit zou oppakken. Want gelet op de vergrijzing, de vraag
naar hoogopgeleide docenten en de noodzaak de lat hoger te leggen
kunnen we niet om dit soort onderwerpen voor de lange termijn heen.
Het zal gewoon moeten.