• A
  • A
  • HBO-student deel van lector-onderzoek

    - Veel lectoren mopperen dat hbo-docenten en studenten onvoldoende onderzoeksvaardigheden hebben. Stenden-lector Social Work and Arts Therapies Marinus Spreen jammert niet mee. Hij heeft een onderzoeksmethode ontwikkeld die voor iedere student in de sociale sector bruikbaar is.

    De methode van Spreen, die ook als methodoloog geschoold is, wordt de n=1 methode genoemd. Het uitgangspunt is een vraagstuk waarmee veel hulpverleners worstelen: hoe kan ik  nu aantonen wat het effect is van de  interventie die ik bij deze patiënt heb toegepast? Spreen meent dat je ook met een onderzoekspopulatie van 1 betrouwbare onderzoeksresultaten kunt verkrijgen, vandaar n=1.

    Gevraagd naar een voorbeeld schetst Spreen het beeld van een hulpverlener die Ritalin voorschrijft aan een tienermeisje met ADHD. Hoe weet je nu of de Ritalin werkt?

    "Je kunt het wel vragen aan dat meisje, maar zo vaak zie je haar niet en dan nog alleen in de spreekkamer. Ik raad dan aan om significante anderen uit de omgeving van het meisje te selecteren die zowel formele als informele invloed op haar hebben. Leg die dan vervolgens maandelijks een gestructureerde vragenlijst voor om na te gaan hoe het staat het medicijngebruik van het meisje. Zo krijg je niet alleen meer informatie, maar je stimuleert mensen ook op een subtiele manier om het medicijngebruik van dit meisje te  controleren."

    Hoe hebt u deze methode ontwikkeld?

    "Ik werk 3 dagen per week in de Mesdagkliniek, een tbs-kliniek in Groningen en 2 dagen als lector op Stenden. In de Mesdagkliniek merkte ik al snel dat je onderzoek toepasbaar moet zijn, anders isoleer je jezelf. Behandelaars zijn voornamelijk geïnteresseerd in onderzoek die meteen een positieve invloed heeft op hun dagelijkse werkzaamheden. Ik wende me zelf er dus aan het personeel te betrekken bij de onderwerpkeuze en opzet  van mijn onderzoeken."

    Hoe weet u of deze methode werkt?

    "Als onderzoeksleider bij de Mesdagkliniek heb ik deze methode toegepast op 15 tbs-patiënten die naar buiten gingen zonder begeleiding. Nadat ze daartoe toestemming hadden gegeven, hebben we bij 8 van hen twee maal telefonische interviews gehouden met mensen uit hun netwerk. Deze interviews zijn gedaan door SPH studenten van Stenden. Bij de andere 7 hebben we dat niet gedaan.

    Vervolgens hebben we gekeken naar incidenten, zoals te laat terugkomen van verlof. We hebben statistisch aangetoond dat deze interventie leidde tot beter gedrag en dus hielp. De verklaring daarvoor? Als je mensen erbij betrekt, vergroot dat niet alleen je controle op het proces, maar het geeft betrokkenen ook een warm gevoel, want je toont aandacht.

    U moet weten dat tbs-patiënten vaak moeizaam communiceren met hun familieleden. Maar op deze manier zetten we dus ook familieleden op een ander spoor."

    Is dit ook in andere contexten toepasbaar?

    "Zeker. De methode is in veel contexten toepasbaar. Een voorbeeld: Hier in de regio loopt het project Rebound, voor kinderen op de middelbare school met gedragsproblemen. Zij worden een half jaar in een andere klas geplaatst. Studenten SPH en creatieve therapie bedenken interventies om motivatie en gedrag van de kinderen te verbeteren. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het maken van raps met de kinderen. Met de n=1 methode kijken ze wat werkt.

    Het werkveld heeft veel baat bij deze methode omdat er nu per individuele casus een formele methode beschikbaar is welke de interventie toetst. Daarnaast is het betrekken van netwerkleden bij de behandeling vaak moeizaam omdat de hulpverleners een erg hoge werkdruk hebben. Studenten kunnen dit doen.

    Voor ons HBO-onderzoek betekent deze methode dat alle docenten een onderzoeksgebied hebben om zich verder in te bekwamen; deze clusters van docenten onderhouden contact met het werkveld en zorgen ervoor dat de n=1  studies per onderzoeksgebied gestapeld kunnen worden zodat groepsanalyses op den duur mogelijk worden. We zijn nog maar een jaar bezig, dus voor geaggregeerde gegevens is het te vroeg. In ieder geval heb je door middel van deze methodiek een natuurlijke samensmelting van   onderzoek-onderwijs-werkveld."

    Waarom moet een hbo-student dit kunnen?

    "Ik kom uit de hulpverleningsdiscipline. Ik weet zodoende dat er grote behoefte aan is dat hbo-professionals de kwaliteit van hun eigen interventies kunnen beoordelen en ook kunnen nagaan hoe ze interventies desnoods kunnen aanpassen.

    In principe is de methode bedoeld en ontwikkeld voor de professionele hulpverlener; deze methode is zo bruikbaar voor  het HBO-onderwijs omdat deze methode een  praktijk interventie onderzoek is welke door de student wordt gedaan bij een echte cliënt  of patiënt in opdracht van het  werkveld. 

    De student dient al zijn onderzoeksvaardigheden uit de kast te halen: literatuur bestuderen over de diagnose, met de patiënt spreken, een interventie bedenken of uit de literatuur halen, netwerkleden van de patiënt erbij betrekken. Want deze worden minstens twee keer benaderd om op een gestandaardiseerde wijze te rapporteren over de voortgang van de patiënt.,Ook het overleg met de betrokken  professionals, het doen van de interventie en de analyse van de gegevens en het rapporteren van de resultaten aan de patiënt, de netwerkleden en de professionals, behoren alllemaal tot de benodigde vaardigheden op hbo-niveau."  

    Hoe zijn de reacties in de hogeschool?

    "
    Tot nu toe alleen maar enthousiast. Docenten heb ik geschoold in zulke onderzoeksvaardigheden en gaan studenten inzetten voor onderzoekslijnen. Instellingen hebben daar weer baat bij. Niet alle docenten hoeven zelf onderzoek te doen, maar ze moeten zich er wel van bewust zijn dat een stage in een bepaald onderzoeksprogramma valt."

    Marinus Spreen is sinds 2009 lector Social Work and Arts Therapies aan Stenden Hogeschool.