De methode van Spreen, die ook als methodoloog geschoold is,
wordt de n=1 methode genoemd. Het uitgangspunt is een
vraagstuk waarmee veel hulpverleners worstelen: hoe kan ik nu
aantonen wat het effect is van de interventie die ik bij deze
patiënt heb toegepast? Spreen meent dat je ook met een
onderzoekspopulatie van 1 betrouwbare onderzoeksresultaten kunt
verkrijgen, vandaar n=1.
Gevraagd naar een voorbeeld schetst Spreen het beeld
van een hulpverlener die Ritalin voorschrijft aan een
tienermeisje met ADHD. Hoe weet je nu of de
Ritalin werkt?
"Je kunt het wel vragen aan dat meisje, maar zo vaak zie je haar
niet en dan nog alleen in de spreekkamer. Ik raad dan aan om
significante anderen uit de omgeving van het meisje te selecteren
die zowel formele als informele invloed op haar hebben. Leg
die dan vervolgens maandelijks een gestructureerde vragenlijst voor
om na te gaan hoe het staat het medicijngebruik van het meisje. Zo
krijg je niet alleen meer informatie, maar je stimuleert mensen ook
op een subtiele manier om het medicijngebruik van dit meisje te
controleren."
Hoe hebt u deze methode ontwikkeld?
"Ik werk 3 dagen per week in de Mesdagkliniek, een tbs-kliniek
in Groningen en 2 dagen als lector op Stenden. In de Mesdagkliniek
merkte ik al snel dat je onderzoek toepasbaar moet zijn, anders
isoleer je jezelf. Behandelaars zijn voornamelijk geïnteresseerd in
onderzoek die meteen een positieve invloed heeft op hun dagelijkse
werkzaamheden. Ik wende me zelf er dus aan het personeel te
betrekken bij de onderwerpkeuze en opzet van mijn
onderzoeken."
Hoe weet u of deze methode werkt?
"Als onderzoeksleider bij de Mesdagkliniek heb ik deze methode
toegepast op 15 tbs-patiënten die naar buiten gingen zonder
begeleiding. Nadat ze daartoe toestemming hadden gegeven, hebben we
bij 8 van hen twee maal telefonische interviews gehouden met mensen
uit hun netwerk. Deze interviews zijn gedaan door SPH studenten van
Stenden. Bij de andere 7 hebben we dat niet gedaan.
Vervolgens hebben we gekeken naar incidenten, zoals te laat
terugkomen van verlof. We hebben statistisch aangetoond dat deze
interventie leidde tot beter gedrag en dus hielp. De verklaring
daarvoor? Als je mensen erbij betrekt, vergroot dat niet alleen je
controle op het proces, maar het geeft betrokkenen ook een warm
gevoel, want je toont aandacht.
U moet weten dat tbs-patiënten vaak moeizaam communiceren met hun
familieleden. Maar op deze manier zetten we dus ook familieleden op
een ander spoor."
Is dit ook in andere contexten toepasbaar?
"Zeker. De methode is in veel contexten toepasbaar. Een voorbeeld:
Hier in de regio loopt het project Rebound, voor kinderen op de
middelbare school met gedragsproblemen. Zij worden een half jaar in
een andere klas geplaatst. Studenten SPH en creatieve therapie
bedenken interventies om motivatie en gedrag van de kinderen te
verbeteren. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het maken van raps met de
kinderen. Met de n=1 methode kijken ze wat werkt.
Het werkveld heeft veel baat bij deze methode omdat er nu per
individuele casus een formele methode beschikbaar is welke de
interventie toetst. Daarnaast is het betrekken van netwerkleden bij
de behandeling vaak moeizaam omdat de hulpverleners een erg hoge
werkdruk hebben. Studenten kunnen dit doen.
Voor ons HBO-onderzoek betekent deze methode dat alle docenten een
onderzoeksgebied hebben om zich verder in te bekwamen; deze
clusters van docenten onderhouden contact met het werkveld en
zorgen ervoor dat de n=1 studies per onderzoeksgebied
gestapeld kunnen worden zodat groepsanalyses op den duur mogelijk
worden. We zijn nog maar een jaar bezig, dus voor geaggregeerde
gegevens is het te vroeg. In ieder geval heb je door middel van
deze methodiek een natuurlijke samensmelting van
onderzoek-onderwijs-werkveld."
Waarom moet een hbo-student dit kunnen?
"Ik kom uit de hulpverleningsdiscipline. Ik weet zodoende dat er
grote behoefte aan is dat hbo-professionals de kwaliteit van hun
eigen interventies kunnen beoordelen en ook kunnen nagaan hoe ze
interventies desnoods kunnen aanpassen.
In principe is de methode bedoeld en ontwikkeld voor de
professionele hulpverlener; deze methode is zo bruikbaar voor
het HBO-onderwijs omdat deze methode een praktijk interventie
onderzoek is welke door de student wordt gedaan bij een echte
cliënt of patiënt in opdracht van het
werkveld.
De student dient al zijn onderzoeksvaardigheden uit de kast te
halen: literatuur bestuderen over de diagnose, met de patiënt
spreken, een interventie bedenken of uit de literatuur halen,
netwerkleden van de patiënt erbij betrekken. Want deze worden
minstens twee keer benaderd om op een gestandaardiseerde wijze te
rapporteren over de voortgang van de patiënt.,Ook het overleg
met de betrokken professionals, het doen van de interventie
en de analyse van de gegevens en het rapporteren van de resultaten
aan de patiënt, de netwerkleden en de professionals, behoren
alllemaal tot de benodigde vaardigheden op
hbo-niveau."
Hoe zijn de reacties in de hogeschool?
"Tot nu toe alleen maar enthousiast. Docenten heb ik geschoold
in zulke onderzoeksvaardigheden en gaan studenten inzetten
voor onderzoekslijnen. Instellingen hebben daar weer baat bij.
Niet alle docenten hoeven zelf onderzoek te doen, maar ze moeten
zich er wel van bewust zijn dat een stage in een bepaald
onderzoeksprogramma valt."
Marinus
Spreen is sinds 2009 lector Social Work and Arts Therapies
aan Stenden Hogeschool.