• A
  • A
  • De excellente academie

    - Goede studenten en docenten zijn noodzakelijk om te excelleren. Maar minstens zo belangrijk is de context: de organisatiestructuur van de instelling, aldus Hans Adriaansens (Roosevelt Academy). Hij geeft de bestuurders van universiteit en hogeschool huiswerk mee. “Een excellente school is geen school die excellente studenten selecteert, maar een school die studenten en docenten laat excelleren.”

    Speciaal voor onderzoekers en ontwikkelaars van excellentiebevorderende programma's  vond afgelopen week de conferentie Excellence, Research & Development plaats. Het was de eerste gezamenlijke bijeenkomst van het Sirius Programma en het Excellentienetwerk van de Vereniging van Onderwijsresearch (VOR HO). Hans Adriaansens, dean van de Roosevelt Academy, opende de conferentie met een rede over 'de excellente school'.

    Met die titel wilde hij aandacht vragen voor de nogal eens vergeten helft van de fit die nodig is om te kunnen excelleren. De ene helft van de vergelijking, die van de noodzakelijke individuele kwaliteiten van docenten en studenten, heeft in de afgelopen tijd de nodige aandacht gekregen. Maar gedreven studenten en gekwalificeerde docenten zijn zeker geen voldoende voorwaarde voor excellentie.

    Aandacht voor context

    Ook de organisatiestructuur van de instelling moet die kwaliteiten kunnen ondersteunen, betoogt Adriaansens. Doet die dat niet dan blijven de resultaten tegenvallen, blijven potentieel excellente studenten op middelmatig niveau steken, raken docenten hun drive kwijt, blijft de uitval onder studenten onverminderd groot en zijn er nauwelijks verbeteringen van rendement te melden. "In feite is dat de situatie van dit moment. Vandaar dat aparte aandacht gewenst is voor de context waarin studenten en docenten het onderste uit de kan moeten zien te halen."

    "Gelukkig zijn er op dat vlak ook vorderingen te melden, vooral in de vorm van academische gemeenschappen binnen honours colleges en honours programmes. Dat die vorderingen er zijn valt af te leiden uit de omstandigheid dat studenten daarin wel excelleren, dat docenten er met de nodige betrokkenheid opereren, er nauwelijks uitval is en het rendement vier tot vijf keer hoger ligt - na de officiële studieduur - dan gemiddeld in de Nederlandse universiteit", aldus Adriaansens.

    Zwemmen met Cruijff

    Misschien wel het aardigste voorbeeld van de invloed die van context uitgaat op studieprestaties is verpakt in Adriaansens' zwembadmetafoor. Hij refereerde aan een discussie met de voormalige Rector Magnificus van de  Universiteit Leiden toen bleek dat de daar uitgevoerde mock-selectie van studenten met meer of minder een 7 gemiddeld op het VWO geen duidelijke verschillen te zien gaf in studierendement. Op de vraag van de Leidse rector hoe die verrassende uitkomst kon worden verklaard, antwoordde Adriaansens dat "als je Cruijff in een zwembad gooit, je ook niet kunt zien dat hij beter kan voetballen dan ik."

    Adriaansens: "Zonder verder in te gaan of de vergelijking met de universiteit als een zwembad nu wel passend is, is het aardige van een voorlopige meting van eindresultaten van afgestudeerden aan de Roosevelt Academy dat die vrijwel volledig parallel loopt aan de eerder door hen behaalde VWO-gemiddeldes: die correlatie is bijna maximaal."

    "Studenten die binnenkwamen met een VWO-gemiddelde van een 8 of meer studeerden vrijwel allemaal summa cum laude af. Met een gemiddelde van 7.5 werd het een cum laude, met een 7 een honours degree. Studenten die waren toegelaten met een gemiddelde tussen de 6 en 7 hadden doorgaans moeite om het honours niveau te halen, studeerden veelal zonder judicium af, maar vonden wel dat ze voor hun doen uitstekend hadden gepresteerd. Eigenlijk vonden vrijwel alle afgestudeerden dat ze op college beter hadden gepresteerd dan op het VWO."

    Het onderste eruit, ongeacht de kan

    Het lijkt er op dat in dit geval de organisatiecontext wel degelijk ondersteuning biedt voor de individuele intellectuele kwaliteiten van studenten. En daar is het, volgens Adriaansens, uiteindelijk om te doen: een onderwijsinstelling moet waarde toevoegen aan het intellectuele potentieel waarmee studenten binnenkomen. Een instelling dient ervoor te zorgen dat studenten kunnen excelleren, het onderste uit de kan kunnen halen, hoe verschillend de diepte van hun kannen ook mag zijn.

    "Een excellente school is dus niet een school die excellente leerlingen of studenten selecteert, maar een school die studenten - en docenten - laat excelleren, zegt Adriaansens. "Met de startkwaliteiten van VWO-afgestudeerden - 15 procent van de jaargroep, hetzelfde percentage high school graduates waar Berkeley en de andere campussen van de Universiteit van California het mee moeten doen- en met de door BKO en SKO opgeschroefde kwaliteiten van het Nederlandse docentencorps moet dat resultaat gehaald kunnen worden. Maar ja, dan moeten de universitaire bestuurders wel de hand in eigen boezem steken en de organisatie van hun instelling bij de tijd brengen."


    Gerelateerd nieuws:
    21 oktober  Chinese MOOCs uit Delft
    16 oktober  Geen groei zonder wortels
    10 oktober  Staatspedagogiek als verslaving
    9 oktober  Rebellen van de rector
    8 oktober  Aida en Nicomachos
    6 oktober  Ook na aardgas excellent