Wat stellig geformuleerd misschien
Het gesprek à trois begon met reflecties op hoe het
rapport-Veerman over de toekomstige verscheidenheid van het hoger
onderwijs was 'gevallen'. Welke reacties, welke kritiek, welke
recensies en hun toon waren opgevallen? Welke brengen nieuwe
gedachten en verdere verdieping daarin?
Ron Bormans: Wat voor mij de grootste tegenvaller was?
Misschien toch de heftigheid van de reactie van de Open
Universiteit. Dat die zich zo aangesproken ging voelen, heeft
eigenlijk averechts gewerkt. Je merkt dat het thema levenlangleren
in het hoger onderwijs en het beste antwoord op de vraag daarnaar
nu weggedrukt raakt in de discussie en dat is echt jammer. We
wilden bij dit punt de boel goed op scherp zetten, ook al hebben we
het wat stellig geformuleerd misschien. Het gaat om de zaak zelf en
dat dit averechts is gaan werken is geen goede zaak. Laten we het
HO-breed alsnog gedegen op de agenda zetten, vind ik.
Cees Veerman: Ik vroeg me al snel na publicatie af
waarom het stuk zo gladjes werd ontvangen. Waarom zo weinig
tegenspraak? Het is nogal ongebruikelijk in dit land dat een
rapport als 'verlossend woord' wordt ontvangen. Ik heb vijf
jaar leiding gegeven aan een universiteit en dan ben je er eerder
aan gewend, dat het nooit zo meevalt met de kritische reacties die
je mag verwachten!
Na die eerste reacties speet het mij dat het zo stil werd. Je
loopt dan het gevaar dat het in dood water terecht komt, terwijl we
als commissie toch een behoorlijke steen in de vijver hebben willen
gooien. Wacht men in het hoger onderwijs niet te veel af?
Bormans: Nou ja, iedereen wacht nu natuurlijk wel af op
een nieuw kabinet. Wat voor soort ook. Men kijkt de kat uit de
boom, to put it mildly.
Veerman: Maar moest het dan tegelijk zo stil blijven,
zonder veel weerwoord? Plasterk zei bovendien, dat hij "het zelf
ook wel zo gedacht had" wat betreft de toekomst van het HO en hij
het zo ook zou gaan uitvoeren. Het bewijst nog eens: 'je leeft niet
bij de dag, maar bij de minuut in de politiek.'
Wat nu te vrezen valt, is dat het met dit advies bij alle
veranderingen in de politieke omgeving daarbij blijft. Men gaat
over tot de orde van de dag. En de la waarin het stuk zou passen
heeft men al uitgezocht, vrees ik.
Een mêlee van profielen
Fons van Wieringen: Mij fascineert dan toch de vraag:
"waarom is dat advies dan zó omarmd?' Had het niet controversiëler
moeten zijn in analyse en uitwerking, wellicht? Neem nu het accent
op differentiatie. Dat vindt men mooi, want men vindt in het HO
vast dat daar al veel van gerealiseerd is. Er zijn de TU's, de
klassieke universiteiten, specifiekere instellingen als Wageningen
en allerlei hogescholen. In het HBO zijn er ook allerlei soorten
instellingen. De vraag had kunnen zijn: is dat soort differentiatie
wel voldoende geweest, wel adequaat nog?
Daarbij is er nu de Europese denklijn, de classificatie zoals
Van Vught deze ontwikkelt. Die differentiaties zouden we bij wat er
nu voorligt bij elkaar moeten brengen. Daar zouden dan de profielen
van de instellingen uit kunnen ontstaan. De minister van OCW heeft
dan tot taak de kracht, de helderheid van die profielen en het
geheel daarvan te stimuleren. Hoe dat te doen zal voor de minister
een zeer belangrijk vraagstuk blijken te zijn. Er zal immers een
nationaal evenwichtig beeld moeten komen over wat wij met ons hoger
onderwijs als geheel ambiëren en moeten waarmaken. De vraag voor de
nieuwe onderwijsminister is: kijk ik naar wat er al is of geef ik
zelf het kader voor de profielen aan. Oftewel, kies ik voor een
alomvattend plan of voor een meer incrementele benadering?
Bormans: Ja, daar hebben we in ons rapport onvoldoende
een antwoord op gegeven. Het is legitiem als de minister dat thema
op gaat pakken, dunkt me.
Veerman: Een kader voor het geheel zal wel gesteld
moeten worden, want anders wordt het een mêlee van profielverhalen.
Voor je het weet hebben elf hogescholen zichzelf uitgeroepen tot
centra van ondernemerschap, of duurzaamheid, of een heleboel
universiteiten doen het meeste aan innovatie. Dat werkt dus
niet.
Van Wieringen: Dat roept de vraag op naar de regie,
bijvoorbeeld tussen de universiteiten en de formulering van hun
profielen. Bij de vraag daarnaar komt geen antwoord. Doodstil is
het…
Bormans: Zou het nou zo verkeerd zijn als er hier zo'n
kader geformuleerd zou worden? Dat was - in een heel andere
situatie - in de jaren tachtig ook effectief bij de grote
fusieoperaties als STC en TVC.
Van Wieringen: Het moet dan niet overkomen als: 'Den
Haag moet weer zo nodig'. Zoiets moet wel slim en gezaghebbend
getrokken worden, zoals destijds het geval was. Met Wim Deetman en
Roel in 't Veld was dat natuurlijk wel sterk, ook met Jan Karel
Gevers bij de HBO-Raad daarbij toen.
Eerst inhoud, dan regie
Veerman: Inventariseer nou eerst maar eens wat de
universiteiten en hogescholen zelf willen en voor zich zien als
profielen en differentiaties, denk ik. En stel dan maar vast of het
een zooitje blijkt te zijn, waar iedereen volstrekt andere dingen
lijkt te denken. Of dat alles uiteindelijk ongeveer hetzelfde zou
blijven. Stel dat dan maar vast, als dat zo zou zijn. Vervolgens
kijken we dan samen hoe we verder kunnen komen. Kom dus daarna pas
met de roep om regie.
Bormans: Ja, dat ben ik met je eens! Voer dat gesprek
maar met elkaar, in HBO en WO en samen. Zelfs los van de vraag naar
'wat moeten we nu meteen gaan uitvoeren?'. We moeten ook de balans
opmaken van wat die profielen en differentiatie aan ambities willen
en kunnen waarmaken. Die ambities strekken breder dan de
individuele instellingen. Je zult die ook moeten willen zien in het
kader van bijvoorbeeld de motie-Hamer: komen we zo weer in de top5
van de wereld, zoals we allemaal willen? Voor de kunstopleidingen
heeft de Commissie-Dijkgraaf zoiets nu geschetst. Die gaat ook uit
van heldere definities van ambities en profielen en leidt tot een
zekere regie daarin bij de concrete uitwerking.
Veerman: Daar ben ik dus ook voor: eerst zorgen dat je
beginnen kunt met een heldere visie van zo'n sector of zo'n
discipline op profielen en toekomstige ontwikkelingen en dan daarna
de regie daarvoor samen inrichten.
Bormans: Het kan volgens mij inderdaad alleen langs
zo'n benadering vanuit de inhoud. Dat zie je bijvoorbeeld ook bij
de sector Techniek in het HBO. De Commissie De Boer heeft daar ook
vanuit de inhoud een lijn uitgezet naar zwaartepunten in profielen,
met bijvoorbeeld expertisecentra binnen de sector. Deze lijn en die
van Dijkgraaf bij het kunstonderwijs zijn daardoor zeer
interessant, ze zijn ook analoog qua denken, bij alle verschillen
van de betrokken disciplines en hogescholen.
Van Wieringen: Dat houdt in dat HBO en WO in deze
aanpak zelf nauw 'erin getrokken' moeten worden, omdat het veel
meer om de inhoud dan om bestuurlijke vragen gaat daarbij. Zou dat
wel willen lukken?
Bormans: Dat denk ik wel. Als je dan wel sectoraal de
balans op durft te maken en daar de conclusies voor de langere
termijn uit trekt. Dat was bijvoorbeeld de kracht van de
'verkenningscommissies' en hun weerslag op de conclusies die in het
HOOP werden geformuleerd. Je zult bijvoorbeeld binnen die sectoren
en met de profielen 'competitie' moeten aandurven ten aanzien van
de 'pieken in de delta' van de verschillende disciplines en
sectoren. Ook zul je de regie dan breder moeten durven in te
richten en anderen, betrokkenen uit het beroepenveld en dergelijke
erbij halen. Samen moet je dan bijvoorbeeld ook de niches, de witte
vlekken die je dan ontdekt gaan invullen.
Veerman: Als dit inhoudsgedreven is, in zulke sectoren
bij elkaar gebracht, kan dat voor het onderwijsdeel van het hoger
onderwijs net zulke doorbraken geven als gebeurt voor het
onderzoek. De regie moet dan inderdaad breder ingericht worden. Ik
merk dat nu ook in de sector van watertechnologie. Daar kan
Nederland heel veel, we komen met allerlei ambities en nieuwe
mogelijkheden, maar het aantal mensen op het HBO en in het WO in
die disciplines schiet enorm tekort. Daar zul je in zo'n sectorale
regie met elkaar dus veel eerder en directer aan moeten kunnen
werken. Er zijn daar kansen genoeg.
Heel het HO in niveau omhoog
Bormans: Een punt dat hier niet ongenoemd mag blijven
is het niveau van het hoger onderwijs. Het HBO moet echt een stap
omhoog zetten, ook om voor VWO'ers aantrekkelijker te zijn.
Van Wieringen: Dit geldt voor alles, heel het hoger
onderwijs moet in niveau omhoog willen. De universiteiten
moeten nog meer zich richten op de standaarden van academische
kwaliteit. Die hebben ze ook, helderder nog meestal dan het HBO
deze kent. Het HBO kan hier meer doen, zeker ook doordat de
docenten daar zichzelf leren ontwikkelen in hun vakken,
bijvoorbeeld door meer betrokkenheid in praktijkgericht onderzoek.
Nu is 'nascholing' nog sterk een aanvulling die men soms pleegt.
Die ontwikkeling in het vak moet een mechanisme worden, dat bijna
vanzelf deel is van wat het betekent les te geven aan een
hogeschool.
Veerman: Neem in de discussie over 'niveau' wel het
karakterverschil van WO en HBO als je uitgangspunt. Dat is de kern,
niet een verschil in 'niveau' of zoiets. Veel wat in het WO gebeurt
is vaak HBO-achtig hoor, daar leiden we mensen op voor prachtige
beroepen waar je het nodige leert aanpakken in een professie op
hoog niveau.
Voor mij is de relatie tussen onderwijs en onderzoek echt
onontbeerlijk. Deze koppeling is zowel voor hogescholen als
universiteiten uiterst relevant. Onderwijs geven wordt met name aan
universiteiten nog te vaak als corvee gezien.
Zelf durven denken
Van Wieringen: Dan speelt hier ook nog het punt dat de
universiteiten zich nu toch zo langzamerhand groot genoeg vinden.
Tegelijk zeggen we: 'het niveau moet omhoog!'Dan stel ik mijzelf de
vraag: 'wat moet het HBO dan?' Moet dat nog sneller groeien dan nu
en tegelijk een hoger niveau verzorgen voor nog meer verschillende
soorten studenten? Bekijk het eens van een andere kant: je zou ook
kunnen bepleiten dat het HBO zijn kwaliteit beziet en aan upgrading
doet, terwijl je naar het WO juist meer studenten laat doorstromen
en deze daar een hogere, academische vorming krijgen. Tweederde van
onze studenten studeert aan een hogeschool en binnen Europa is dat
een uitzonderingspositie. Vinden we het vanzelfsprekend dat dit zo
blijft? Dit soort veronderstellingen in de discussie moeten we niet
zomaar laten liggen, die mag je best wat precies nagaan.
Bormans: Ik zie in elk geval dat het vraagstuk van het
eigen profiel van de instellingen serieus wordt opgepakt. De vraag
naar: Wat is mijn profiel en wie zijn daarbij mijn partners? In het
HBO zie ik dat dit geen vluchtig proces van het vinden van enkele
mooie algemene formuleringen. Men stelt zich per instelling
serieuze vragen, ook die van: 'moet je als hogeschool echt alles
doen wat je in het HBO zou kunnen aanbieden?' Het antwoord is
natuurlijk 'Nee'. En we moeten vooral zelf durven denken. Als ik de
vraag af en toe hoor 'maar is wat wij zouden willen wel
Veerman-proof dan ontplof ik zowat.'
Veerman: Dat meen je niet! Echt, vragen ze dat? Ben ik
wel Veerman-proof trouwens?