Bij de opening van 'zijn' hogeschooljaar sprak hij indringend
over de transitie van het hoger onderwijs in deze tijd en over de
plaats, rol en kansen van zijn hogeschool in die ontwikkeling.
Enkele behartigenswaardige passages daaruit leest u hier. Het
volledige betoog vindt u hier.
"Het snellere paard is altijd het dilemma van de oplossingen voor
de toekomst. Moet je werken aan de verbetering van een bestaande
oplossing of wachten op de brainwave van een nieuw concept?
In deze transitietijd zijn voor een hoger onderwijsinstelling in
ieder geval nodig:
• meer kennis en vaardigheden voor de studenten, omdat de
concurrentie op de markt van afgestudeerden heviger en mondialer
wordt;
• meer inzicht in de diepere betekenis van de verschuiving in het
wereld- en mensbeeld;
• meer kennis en vaardigheden om in de explosie van informatie,
kennis en onderzoek gegevens op waarde te kunnen beoordelen.
Concreet betekent dit:
• een groter probleemoplossend vermogen;
• meer mogelijkheden jezelf te kunnen leiden in veranderende
situaties;
• kosmopolitisch zijn.
De explosie in de digitale ontsluiting van informatie, kennis en
onderzoek vraagt een groot onderscheidingsvermogen. Welke
informatie is juist en welke niet? Hoe moeten tegenstrijdige
opvattingen geplaatst worden? Op de middelbare school leerde je als
leerling wat die ene theorie, die ene waarheid is. In het hoger
onderwijs moet je als inhoud leren dat er meer theorieën, meer
opvattingen van diezelfde werkelijkheid zijn. Dat blijkt erg lastig
te zijn. Veel eerstejaars vinden juist door dit aspect de overgang
van voortgezet naar hoger onderwijs moeilijk.
Het funderende onder onze activiteiten
De onzekerheid van een transitieperiode vraagt niet alleen
flexibiliteit, maar ook uithoudings- en doorzettingsvermogen:
lastig te programmeren competenties (of zijn dit eigenschappen?).
Je carrière als afgestudeerde en medewerker wordt minder zeker en
vanzelfsprekend. Er zijn meer tegenslagen op de arbeidsmarkt te
verwachten. We moeten als organisatie ook het funderende concept
onder onze activiteiten opnieuw scherp proberen te
formuleren.
Een inspirerende richting hiervoor is te vinden in een
indrukwekkende essaybundel van Rob Riemen "Adel van de geest, een
vergeten ideaal". Hij laat Elisabeth Mann Borgese, de dochter van
de grote Duitse schrijver Thomas Mann zeggen, die hij ontmoet:
"Mijn vader sprak ooit over de adel van de geest als het enige
correctief op de menselijke geschiedenis. Waar dit ideaal
verdwijnt, verdwijnt de geschiedenis."
Riemen verhaalt over de laatste ontmoeting van Thomas Mann met zijn
Joodse uitgever Sam Fischer in Berlijn in 1934 in Zürich. De oude
Fischer geeft een oordeel over een gemeenschappelijke kennis: "Geen
Europeaan", zei hij met zijn hoofd schuddend. "Geen Europeaan, Herr
Fischer, hoezo niet?" "Van grote humane ideeën begrijpt hij niets."
En Mann vervolgt: "Ik heb geen woorden om te beschrijven hoe diep
ik geraakt was. Hier sprak, al bijna in de dood, een generatie die
groter en beter was, dan een generatie die hier nu het heft uit
handen neemt."
Adel van educatie
Een antwoord op de huidige transitie is in het kielzog van Riemers
"adel van de geest" te formuleren: de "adel van de educatie". Dat
is een educatie die gebaseerd is op de ontwikkeling van het
onderwijs van het kind naar de volwassene met begrip voor de grote
humane ideeën en respect voor de traditie, in dialoog met de
megaverschuivingen en gevoel voor de nieuwe tijd. Een educatie die
zo een 'tacit curriculum' heeft.
Een adel van de educatie vraagt in ieder geval in een
transitieperiode een stevige hoger onderwijsinstelling. De eis van
kwaliteit ligt hierbij voor de hand. Een onderwijsinstelling, in
dit geval een hogeschool, dient te garanderen dat afgestudeerden
als managers, professionals, therapeuten, ingenieurs, ondernemers,
leraren hun beroep goed uitoefenen. Hiermee wordt het fundament
gelegd voor een gezonde economie, cultuur en ecologie. Daarom hoort
een hoger onderwijs instelling een 'institutie' te zijn: een
samenlevingscluster rond een collectieve of maatschappelijke
kernfunctie.