• A
  • A
  • Amerikanen

    - "Het is zeven uur ’s avonds en het is al donker. Ik loop naar huis van een lange middag voetballen met mannen van de Design School. En vrouwen. Want die zijn hier gelijk aan de man. Gelukkig maar, want zonder het degelijke samenspel met mijn vrouwelijke spelers, was het potje weinig vermakelijk geweest." Een Hollander in Harvard leert zelfs van voetbal. Soccer.

    De mannelijke speler heeft de individualistische nutsmaximalisatie ter harte genomen. Gegeven eeuwige roem na een doelpunt, betekent dit dat je op doel moet schieten bij elke gelegenheid daartoe. Geen kans te klein voor een positieve verwachtingswaarde. Goddank lopen er ook nog Arabieren op het veld die zich verliezen in elke actie--niets belangrijker dan je man voorbij komen.

    Eenzaam, uitverkoren voetbal kijken

    Ik loop naar huis in het donker. Auto's razen voorbij op de tweebaansweg naast het grindpad waarop ik loop. Een licht schijnt fel in de verte. Komt dichterbij. Het verplaatst zich met een joggende vrouw.

    In haar hand houdt ze een mobiele telefoon. Als ze me passeert hoor ik een flard van haar gesprek. Iets van he-said-she-said. Met haar andere hand duwt ze een buggy voort. Een klein kind ligt erin te slapen. Boven het kind op de buggy gemonteerd: het licht dat me toescheen.

    Ik begin al te acclimatiseren, aan het academische klimaat dan, want van het weer snap ik niets. Maar ik schijn te moeten genieten van elk straaltje zonneschijn. Binnenkort begint immers de lange, koude en witte winter. Ik probeer een beetje te 'bonden' met wat ze mijn cohort noemen, waarbinnen ik de enige man ben van de tien promovendi. Uitverkoren dus. Maar eenzaam voetbal kijken.

    Enorme weelde

    De vakken die ik volg zijn erg interessant. En tijdrovend. Innemend. Uitdagend in ieder geval, al verschilt het niveau van de studenten sterk binnen elke groep. (Zeg maar van 'wat doe jij hier?' tot 'wat doe jij hier nog?') De positie van promovendi is erg vreemd. Aan de ene kant worden we overladen met (de symboliek van) geld, vooral ook omdat aan van alles een prijskaartje hangt (ook al zie je er soms niets van).

    De bibliotheken, sportvelden en de campus in het algemeen stralen enorme weelde uit. Aan de andere kant moeten we voor de meest basale dingen betalen (printen, koffie), kregen we een bureau zonder computer en zit ik met vier mensen in een kantoor van 3x3 meter zonder ramen. Ondertussen probeer ik een beetje aan te pappen met professoren, die tot nu toe erg veel gelijknissen tonen met Nederlands horecapersoneel (blik-op-oneindig).

    Mijn eerste succesje: ik heb mijn scriptie mogen presenteren in een workshop over 'Black Youth Culture'. Een goede match, maar ik stond wel flink te vloeken in de cultuurkerk. Kijken of ze dat kunnen hebben.

    Jonathan Mijs
    mijs@fas.harvard.edu