• A
  • A
  • Jo Ritzen, Europa en Hoger Onderwijs

    - Europa moet veel meer met HO bezig zijn en de nationale benchmarks moeten vooral Europees zijn. Rond het nieuwe boek van Jo Ritzen hierover hielden TU/e en Nuffic een seminar. Een van de sprekers was Joeri van den Steenhoven, oud-student-opponent van Ritzen en nu voorzitter van Kennisland. "Wat me blijft verbazen, is dat dit debat nog steeds wordt gevoerd in termen van ‘we gaan een kenniseconomie worden’. Maar de kenniseconomie is er allang. We leven er middenin."

    Dank voor deze gelegenheid om hier te spreken en te reageren op de oproep van Jo Ritzen voor meer Europa in het hoger onderwijs. Een oproep waar ik het hartgrondig mee eens ben. En dat ik het eens ben met Jo Ritzen is wel eens anders geweest. Want we kennen elkaar al lang. Midden jaren negentig was hij Minister van OCW en ik als jong broekie vice-voorzitter van de Landelijke StudentenVakbond.

    Overigens was onze gastheer vandaag, Sander van den Eijnden, toen een jonge maar snel opkomende ambtenaar op het department die samen met toenmalig collega Ron Bormans alle lastige klussen binnen het hoger onderwijs mocht oplossen. Dat was destijds een vermaard duo, ik zal u hun bijnamen besparen. [Exclusief voor de ScienceGuide-lezers: 'Knabbel en Babbel'. red ScienceGuide]

    Ik mag toen regelmatig met Minister Ritzen de degens hebben gekruist. Maar met Jo viel soms ook goed te onderhandelen en op één thema hadden we dezelfde overtuiging: de noodzaak om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verhogen. Die ambitie zie ik nu weer terug in zijn oproep van vandaag. Ik vind het daarom goed Jo weer te zien en een eer om, inmiddels als voorzitter van Kennisland, op zijn oproep te reageren.

    Ik ben gevraagd in te gaan op de Europese dimensie van onderzoek en innovatie. En wat dit betekent voor Nederlandse universiteiten en hogescholen. Ik zie daarin drie uitdagingen waarop ik wil ingaan. Ten eerste, Europa als een open markt voor onderzoek en innovatie. Ten tweede, de balans tussen fundamenteel onderzoek en ondernemerschap. Ten derde, de grote maatschappelijke uitdagingen van de toekomst. 

    Maar voordat ik deze uitdagingen verder bespreek, wil ik eerst kort kijken waarom de Europese dimensie van belang is. 

    Al jaren praten we in Europa over de kenniseconomie. Dat begon met de Lissabon Agenda en hier in Nederland enkele jaren later met het Innovatieplatform. Wat me daarbij blijft verbazen, is dat dit debat nog steeds wordt gevoerd in termen van 'we gaan een kenniseconomie worden'. Maar de kenniseconomie is er allang. We leven er middenin. Het grootste deel van de Nederlandse economie bestaat uit kennisintensieve dienstverlening. Voor iedereen geldt dat je opleiding niet alleen de belangrijkste succesfactor is op de arbeidsmarkt, maar ook bepaalt hoeveel je verdient en hoe lang je gezond leeft. En door globalisering wordt de concurrentiepositie van bedrijven en zelfs landen steeds meer bepaald door hun innovatiekracht.

    De kenniseconomie is dus geen keuze, maar een realiteit. De enige keuze die we als land hebben is hoe goed we willen zijn als kennisland. Dat stelt eisen aan het hoger onderwijs. Van hen wordt niet alleen gevraagd aan zoveel mogelijk mensen de kans te bieden hun talent te ontwikkelen, maar ook bij te dragen aan de innovatiekracht van bedrijven. En Europa is daarbij het minimale speelveld. Want door diezelfde globalisering zoekt talent internationaal de beste plekken om zich te ontwikkelen en bedrijven zoeken dat talent weer op.

    Niet alleen de omgeving van het hoger onderwijs verandert in rap tempo.  Datzelfde geldt voor het hoger onderwijs zelf. In zijn recente boek The Great Brain Race, how universities are reshaping the world beschrijft Ben Wildavsky de effecten van globalisering op het hoger onderwijs, en vice versa. Hij ziet een mondiale wedloop om wetenschappelijke talent.  Met de opkomst van de kenniseconomie wordt wereldwijd ingezet op hoger onderwijs. Het idee is dat een universiteit van wereldklasse noodzakelijk is om in deze nieuwe tijd mee te draaien in de top. Dus zijn Amerikaanse universiteiten als NYU en Yale druk bezig in het Midden-Oosten dependances op te zetten. Met middelen waar Nederlandse univerisiteiten alleen maar van kunnen dromen. De oliesjeiks proberen zich op deze manier een plek in de kenniseconomie te kopen.  De vraag is of dat gaat lukken. Een goed kennisklimaat is meer dan een dure campus. Maar indrukwekkend is het wel. 

    Tegelijk zijn universiteiten in China en India hard bezig zich te ontwikkelen tot wereldspelers op het vlak van onderzoek en innovatie. Ook daar worden miljarden geïnvesteerd en de groei is fenomenaal.  Kende China in 1998 nog  ruim 3 miljoen academische studenten, in 2008 was dit aantal al op 21 miljoen. Evenveel als in Europa.  En waar dit aantal hier stagneert, zal het daar de komende jaren doorgroeien. Daarnaast staan China en India inmiddels op plek 1 en 2 waar het gaat om aantrekken van nieuwe R&D-investeringen. Ruim 40% van de mondiale R&D-investeringen wordt vandaag de dag in Azië gepleegd, tegen 24% in Europa. Kortom, zoals wij onlangs in onze Kenniseconomie Monitor 2010 lieten zien: van het idee van een kenniseconomie waarin wij in het westen het denkwerk doen en de rest van de wereld het doewerk, moeten we snel afscheid nemen.

    Tegen zoveel investeringsgeweld is het lastig concurreren. Het is ondenkbaar dat we dat als Nederland op ons zelf kunnen doen. Dat lukt alleen als we Europees gaan denken. En niet alleen denken en praten, maar nu eindelijk eens volwaardig gaan handelen. En daar zie ik drie uitdagingen voor:

    Ten eerste, het creëren van een open markt voor onderzoek en innovatie. Niet voor niets benoemde de Europese Commissie een aantal jaren gelden kennis als de vijfde vrijheid van de Unie.  Voor een welvarende toekomst is het van essentieel belang dat kennis vrij kan stromen binnen de Europese Unie. Maar tegelijk dat we op Europees niveau zorgen voor een excellente positie. Natuurlijk zijn de afgelopen jaren hiervoor stappen gezet. Ik denk aan de European Research Council, Europees Insititute of Technology en de zgn. KIC's. Bovendien zullen extra investeringen in onderzoek en innovatie, zoals die in de rest van de wereld ook worden gepleegd, de komende jaren vooral uit Brussel komen. Wat zijn hiervan de effecten voor Nederlandse kennisinstellingen?

    De belangrijkste uitdaging wordt hoe Nederlandse kennisinstellingen zich gaan profileren op dat Europese speelveld voor onderzoek en innovatie. Dat betekent keuzes maken waar je als instelling echt goed in wilt en kunt zijn. In dat licht kwam het rapport Veerman op het juiste moment. Nederlandse onderzoekers en instellingen zijn natuurlijk helemaal niet slecht. Integendeel. Maar we hebben in dit land toch vaak last van verdelende rechtvaardigheid. Iedereen krijgt een beetje en wij zijn allemaal gelijk. De vraag is of dat excellentie en een scherp profiel bevordert. En in Europa, zo voorspel ik, zal steeds vaker het winner takes all-principe gaan gelden. De besten krijgen het geld. Dus moeten Nederlandse instellingen bepalen op welke terreinen ze de besten willen zijn. En dat zal niet iedereen kunnen.

    Een tweede uitdaging is de balans tussen fundamenteel onderzoek en ondernemerschap. Het eerste hebben we nodig om op de lange termijn vernieuwend te blijven. Dit is diep verankerd in het idee van de Europese universiteit.  Het gaat terug op het Humboldtiaanse ideaal van ultieme vrijheid voor de wetenschapper om zelf te bepalen waar hij onderzoek naar pleegt en waarover hij doceert. Dat is en blijft een belangrijke waarde, juist van de Europese universiteit. Dat zullen ze in het Midden-Oosten en Azië niet makkelijk kunnen kopieren.

    Maar tegelijk verhoudt zich dit idee soms lastig met de notie van ondernemerschap. Met de economische behoefte aan nieuwe ideeën, nieuwe kennis en nieuwe toepassingen die zo centraal staat in de kenniseconomie. Willen we innovatie bevorderen, dan is het doen van excellent onderzoek en onderwijs niet genoeg. Dan moeten we kijken naar ondernemerschap, naar hoe nieuwe kennis tot nieuwe toepassingen in de markt leidt. Daarin zijn Europese universiteiten traditioneel zwak.

    De uitdaging is nu niet om in het vervolg alles op ondernemerschap in te zetten, met bedrijfsverzamelgebouwen, startups, octrooiportfoliomanagement en zo meer. Juist Europese universiteiten moeten hun Humboltiaanse kracht blijven zien. De echte uitdaging is de goede balans tussen deze twee te vinden. En daarbij heel goed te bepalen welke rol een kennisinstelling daarin heeft.  Hoe precies kan van geval tot geval verschillen. Daar mogen we best meer met elkaar het debat over aangaan.

    De laatste en derde uitdaging die ik hier wil neerleggen is de rol die universiteiten en hogescholen spelen bij het vinden van antwoorden op de grote maatschappelijke uitdagingen van de toekomst. Ik denk aan de klimaatcrisis, de vergrijzing, energiezekerheid en voedselveiligheid. Zonder antwoorden daarop zullen maatschappelijke tegenstellingen de komende jaren gaan verscherpen. Ik vind dat universiteiten en hogescholen bij uitstek hierin het voortouw moeten nemen. En deze uitdagingen zijn gigantisch, dat weten we allemaal.

    Ook dat kunnen we alleen Europees oplossen. Het is niet verrassend dat Máire Geoghegan-Quinn, de EU-commisaris voor Onderzoek en Innovatie, deze maatschappelijke uitdagingen centraal stelt in haar beleid. Dat alleen al is reden genoeg voor Nederlandse instellingen om te gaan bedenken hoe ze zich hiertoe verhouden.

    Dit zou er ook aan kunnen bijdragen dat we onze blik weer op de toekomst richten. Europa bevindt zich momenteel in een diepe crisis, economisch, financieel en sociaal. Dat heeft tot gevolg dat velen zich nu vooral richten op de waan van de dag. Vandaag moeten we Ierland redden en morgen Portugal of Spanje. Ondertussen raken de lange termijn uitdagingen uit het zicht. Wie heeft er de afgelopen maanden nog iets vernomen van de Europe 2020 strategie? Juist universiteiten en hogescholen moeten zorgen dat dit niet gebeurt. En dat we met elkaar werken aan een prachtig en welvarend Europa voor toekomstige generaties. Dat is ook in het belang van Nederland als kennisland.

    Het boek van Ritzen vindt u hier
    De recensie van prof Detlev Müller-Böling (oprichter CHE) leest u hier.