• A
  • A
  • Links verspeelde zelf meerderheid Senaat

    - “Wie dacht dat Amerikaanse toestanden met hertellingen en rare systeemtwisten niet mogelijk waren, de verkiezingen voor de Senaat hebben aangetoond dat het ook hier kan.” ScienceGuide-columnist Pieter Omtzigt rekent voor wat er nu echt gebeurde bij de verkiezingen van de Eerste Kamer.

    "Wetten kunnen soms vergaande gevolgen hebben. Neem bijvoorbeeld de kieswet. Laat nou net kort geleden de kieswet voor de Eerste Kamer gewijzigd zijn. Die wijzigingen speelden een doorslaggevend effect bij het behalen van de meerderheid in de Eerste Kamer door de combinatie VVD/CDA/PVV/SGP.

    Want hoe zagen de kampen eruit na de verkiezingen voor de provinciale staten? De statenleden hebben stemgewichten. Omgerekend hadden de partijen genoeg gewicht voor het volgende aantal zetels (De OSF is de partij van regionale partijen: Zeeuwen, Friezen, een Groninger en een Noord Hollandse ouderenpartij)

    VVD

    15,58

    SGP

    1,46

    ChristenUnie

    2,57

    PvdA

    13,33

    CDA

    10,90

     

     

     

     

    SP

    7,57

    PVV

    9,48

     

     

     

     

    D66

    6,22

     

     

     

     

     

     

    GroenLinks

    4,79

     

     

     

     

     

     

    PvdD

    1,10

     

     

     

     

     

     

    50+

    1,37

     

     

     

     

     

     

    OSF

    0,64

    TOTAAL

    35,96

     

     

    TOTAAL

     

     

    35,01

     

     

     

     

     

     

    TOTAAL

     

    37,42

    TOTAAL

     

     

    37,58

    De dag na de verkiezingen had de combinatie VVD/CDA/PVV met SGP dus stemmen voor 37,42 zetels. Als je onder welk kiesstelsel dan ook de meerderheid hebt, dan kun je ook de meerderheid van de zetels binnenhalen. De bedoeling was dus een coalitie te vormen met ten minste 37,51 zetels.

    Om dit te behalen was duidelijk dat de SGP hoe dan ook in het coalitiekamp moest komen en de VVD handelde daar onmiddellijk naar. Maar dan nog ontbrak er een klein beetje stemgewicht. Mark Rutte gaf publiekelijk aan dat hij alles zou doen wat wettelijk geoorloofd was om de meerderheid te halen.
    Wat te doen?

    1. De VVD had in Flevoland net verloren met een paar stemmen. De VVD vroeg onmiddellijk een hertelling aan. Dit leverde geen extra zetel op.
    2. Twee Zeeuwse statenleden zouden precies het verschil kunnen maken. Dus de fractievoorzitter van de Partij voor Zeeland, die bij de OSF hoorde, werd uitgenodigd in het torentje. Van hem was bekend dat hij politiek dicht tegen de VVD aanzat. Na een gesprek is hij wel overtuigd, maar zijn fractiegenoot niet. Het totaal stijgt dan naar 37,47 voor de coalitie. Nog steeds minder dan de helft van de stemmen voor 23 maart.

    Een merkwaardig debat

    Deze berekeningen werden natuurlijk overal gemaakt en dus kwam er onmiddellijk een spoeddebat in de Tweede Kamer: mag je een Statenlid vragen om op je te stemmen? Een merkwaardig debat, want alleen in dictaturen mag je niet openlijk campagne voeren voor een verkiezing, maar goed, de toon was gezet.

    Achter de schermen was het iedereen natuurlijk volstrekt duidelijk waar het om ging: 38 zetels voor de oppositie of 38 zetels voor de uitgebreide coalitie in de senaat. Dat maakt het verschil tussen wetten kunnen aannemen of bij iedere wet en maatregelen ten minste één oppositiepartij moeten overtuigen, die vervolgens wisselgeld wil. Een feitelijke heronderhandeling van het regeerakkoord dus.

    De stemvoorkeuren waren ondertussen dus duidelijk. Maar waarom was het kiesstelsel doorslaggevend? Nou,  vroeger waren lijstverbindingen mogelijk. Als de hele oppositie een lijstverbinding was aangegaan, had zij in haar totaliteit gewoon 38 zetels gekregen. Geen onderhandelingen voor nodig. Bij Cohen had de vlag uitgekund.

    In 2009 echter vond Fractievoorzitter Han Noten van de PvdA lijstverbindingen na de verkiezingen niet kunnen. Hij diende een (zeldzame Eerste Kamer) motie in waarin hij vroeg om dat onmogelijk te maken. Dus maakte de regering Balkenende-Bos een wet.

    Geen lijstverbindingen meer

    De regering legde een wetsvoorstel op tafel: alleen partijen die ook in de provincies lijstverbindingen gehad hadden, mochten voor de provinciale statenverkiezingen een lijstverbinding aangaan voor de Eerste Kamer en wel voor de statenverkiezing. Dan was er een lijstverbinding geweest tussen PvdA en GroenLinks en tussen ChristenUnie en SGP. Die laatste had ervoor gezorgd dat de SGP rest (0,46) effectief bij de ChristenUnie terecht gekomen was. De coalitie zou op 37,01 gestaan hebben. Als dit de wet geworden was, dan was er een meerderheid geweest voor de oppositie.

    Dit wetsvoorstel werd echter tijdens de behandeling van de wet in de Tweede Kamer veranderd in: helemaal geen lijstverbindingen meer. Dat had te maken met de bijzondere positie van de Partij voor Zeeland en de OSF. Die konden namelijk geen lijstverbindingen aangaan in provincies omdat ze er maar in één meedoen. De SGP en de Partij voor de Dieren wisten dat dit wetsvoorstel hun zetels kon kosten en stemden tegen de wet.

    Zonder lijstverbindingen kun je elkaar alleen helpen door op elkaar te stemmen. Dat staat niet fraai, maar het werd wel de wet. En dus kwamen er Eerste Kamerverkiezingen, waar de oppositie net iets meer stemmen had dan de combinatie VVD/CDA/PVV/SGP.

    Amerikaanse toestanden

    Vergaande linkse samenwerking was nodig om een ingewikkeld systeem te bedenken om die kleine meerderheid te verzilveren: de eenvoudigste manier? Een lange oppositielijst. Als iedereen daarmee zou instemmen zou die 38 zetels krijgen en kon men daar dus 38 kandidaten op kwijt. Wel moet je elkaar dan helemaal vertrouwen: geen voorkeursacties van lagere kandidaten. En bij opvolging moet iemand van de PvdA een PvdA'er opvolgen en moeten allerlei kandidaten bedanken. Het plan strandde dus. Zo hecht was de samenwerking aan de linkerkant niet. En links had natuurlijk het nadeel dat ze met meer kleine partijen zijn.

    Nu kwam het op de stemmingen aan op 23 mei. Ingewikkelde schema's gaven de oppositie nog steeds de mogelijkheid om met heel veel op elkaar stemmen en precieze berekeningen 38 zetels te halen. Zelfs als de ChristenUnie niet mee zou willen doen aan zo'n spel (de rest was duidelijk wel bereid), kon het. Al moest er dan wel bijvoorbeeld een D66-er op de ChristenUnie stemmen.

    Bij de stemmingen bleek het aantal tactische stemmen beperkt. En ach, al hadden ze het gedaan, dan nog was er een D66'er geweest met een ongeldige stem. Die had dan echt de 38e zetel van de oppositie naar de coalitie gebracht. In zijn eentje. Dat leed is hem bespaard gebleven, maar voor wie dacht dat Amerikaanse toestanden met hertellingen en rare systeemtwisten niet mogelijk waren, (wel meer stemmen, maar toch geen president in 2000), de verkiezingen voor de Senaat hebben aangetoond dat het ook hier kan."

    Dr. P.H. Omtzigt is lid van de Tweede Kamer voor het CDA, van de Assemblee van de Raad van Europa en econometrist. In die rollen houdt hij op ScienceGuide een column bij over zijn ervaringen in de eigenzinnige werelden van politiek en wetenschap, hun wederzijdse beïnvloeding en hun confrontaties.