• A
  • A
  • Waak voor voorbarige ingrepen voor de bühne

    - "Loopt Zijlstra niet te hard van stapel? Als de rapporten van de Inspectie en de NVAO nader worden bezien, blijven belangrijke vragen onbeantwoord. Het lijkt alsof de Kamer het liefst zelf tentamens wil nakijken." Vanuit de Commissie-Leers werd Inholland als eerste scherp gescreend en nu kijken experts daarvan naar het vervolg.

    "Naar aanleiding van de bevindingen van de Commissie Leers die afgelopen zomer onderzoek verrichtte naar berichten over hogeschool Inholland, heeft de inspectie uitgebreid onderzoek gedaan naar 'alternatieve afstudeerroutes'. Daarbij werd gekeken naar de kwaliteitsborging bij enkele opleidingen van Inholland." Henno van Horssen was voorzitter van het ISO en lid van de Commissie Leers. Samen met commissie-expert Michiel Hes van Berenschot schrijft hij nu een eerste evaluatie van wat gebeurde en nagelaten is in het natraject na hun eerste bevindingen over de Theoroute.

    "Ook werd aan de hand van een vragenlijst en andere input  gekeken naar elf andere opleidingen elders in het hbo. De Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) heeft verder het gerealiseerde eindniveau getoetst van afgestudeerden van enkele opleidingen die in de beklaagdenbank waren gezet.

    Er bleek veel mis. Zowel de opleidingen waar een vermoeden bestond dat er iets mis was, als ook opleidingen die steekproefsgewijs geselecteerd waren ter verificatie van de conclusies, bleken niet van onbesproken gedrag. Staatssecretaris Zijlstra heeft direct gereageerd en aangekondigd dat hij de accreditatie voor vier opleidingen van Inholland gaat intrekken. Een draconische maatregel, die niet snel wordt ingezet.

    Maar loopt de Staatssecretaris niet te hard van stapel? Als de rapporten van de Inspectie en de NVAO namelijk nader worden bezien, dan blijven twee belangrijke vragen onbeantwoord. Beantwoording van deze vragen lijkt ons wel van belang voor de Staatssecretaris om de juiste maatregelen te treffen.

    1] Hoe kan het dat een groot deel van de als onvoldoende beoordeelde opleidingen recent nog is geaccrediteerd?

    Instellingen krijgen in Nederland veel speelruimte, als ze maar zijn geaccrediteerd door de NVAO. Opleidingen worden elke zes jaar getoetst. Indien die toetsing wordt doorstaan, dan wordt hun 'vergunning' weer voor zes jaar verlengd. Opmerkelijk in dit licht is dat twee van die vier opleidingen van Inholland in 2009 door de NVAO nog als voldoende zijn beoordeeld, terwijl diezelfde NVAO nu - na anderhalf jaar dus al - oordeelt "dat het aantal onterecht met een voldoende beoordeelde (eind)werken voor alle opleidingen groot is". Maar het wordt nog opmerkelijker: twee opleidingen van de Hanzehogeschool die ook een veeg uit de pan kregen, hebben zelfs afgelopen januari -toen de onderzoeken in volle gang waren- nog een positieve beoordeling gekregen en zijn tot 2018 geaccrediteerd.

    In feite constateert de NVAO dat de door haar als goed beoordeelde opleidingen niet in staat geweest zijn de kwaliteit te borgen. Dat zou op zich nog kunnen, ware het niet dat de NVAO volgens artikel 5a.8 lid 2 van de WHW in ieder geval moet toetsen dat "de opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg [is] gericht op de systematische verbetering van de opleiding." Verbetering dus, niet verslechtering.

    Dit leidt tot de vraag of allerlei nieuwe maatregelen nodig zijn om het accreditatiesysteem aan te scherpen, of dat de NVAO 'gewoon' beter moet gaan beoordelen. Met andere woorden: het systeem hoeft wellicht geen wijziging, maar eerder de werkwijze van de NVAO.

    2] Welke visie op de OER is leidend: die van de Inspectie of die van de NVAO?

    De onderzoeken van de Inspectie en van de NVAO lijken op een belangrijk punt met elkaar in tegenspraak. Hierbij staat de Onderwijs- en Examenregeling (OER) centraal. Hierin zijn de inhoud van de opleiding, de rechten en plichten van studenten en de ruimte voor student en docent vastgelegd. Daarmee is de OER in feite de schakel van de wettelijke regels uit de WHW naar de uitvoering van het onderwijs in de praktijk.

    De Inspectie en de NVAO kijken beide vanuit een ander perspectief naar de OER. De NVAO kijkt in haar onderzoek vooral naar de uitvoering ervan. Hierbij wordt gefocust op de 'formele documenten ter uitvoering van de OER'. De NVAO vindt dat deze van prima kwaliteit zijn, alleen dat de uitvoerbaarheid te wensen over laat:

    "Ten eerste bleken docenten weinig binding te hebben met vigerende regels: veel documenten zijn ver weg van de werkvloer geconcipieerd. Ten tweede bleken de uitvoeringsregels soms zo uitgebreid en complex te zijn geformuleerd dat het wel een zeer zware opgave moet worden genoemd zich hier aan te houden. Het perfectionisme van de regelgever wint het hier van de bruikbaarheid en daarmee van de kwaliteit van het onderwijs."

    Andere visie inspectie

    De inspectie kijkt er heel anders tegen aan: "Weinig onderwijs- en examenregelingen bevatten toereikende informatie over de vaststelling en de reikwijdte van de regeling zelf (aspect 1), de inhoud van de opleiding (aspect 2), de te realiseren eindkwalificaties (aspect 3), de studielast (aspect 4), de opleidingsvarianten (aspect 6), de aard van de tentamens en examens (aspect 8) en de gronden voor vrijstelling (aspect 9). Op al deze aspecten krijgt minder dan de helft van de opleidingen een positief oordeel."

    Het lijkt erop dat de inspectie een zeer formele insteek kiest: als informatie ontbreekt, dan voldoet de OER niet aan de wet. De NVAO kiest vooral een materiële insteek: hoe werkt een OER op de werkvloer? Daarbij lijkt de NVAO zelfs te zeggen dat te veel regels in de OER tot vermindering van de kwaliteit van het onderwijs leiden.

    Deze insteken zijn niet met elkaar te rijmen. Het zal voor onderwijsinstellingen moeilijk zijn te voldoen aan beide: én alles opnemen in de OER om te voldoen aan "het perfectionisme van de regelgever" én alle regels zo vastleggen dat ze in de praktijk bruikbaar zijn.

    Drie risico's

    Antwoord op bovenstaande twee vragen lijkt ons noodzakelijk voordat maatregelen worden getroffen. Nu ingrijpen brengt volgens ons een aantal risico's mee:

    a) De touwtjes zullen strakker worden aangetrokken. De Kamer zal pleiten voor meer toezicht en een duidelijke centrale regie vanuit OCW. Dit bleek al bij eerdere debatten over het hoger onderwijs. De SP pleitte voor het opsplitsen van Inholland tot instellingen van maximaal 2000 studenten. (Dit zou overigens betekenen dat Media Entertainment Management, de opleiding waar alle problemen zijn begonnen, een zelfstandige hogeschool wordt...)

    De PVV heeft een andere oplossing en wil dat de staatssecretaris voortaan het bestuur en de raad van toezicht benoemt. Ook bij de langstudeerboete werd gepleit voor duidelijke sturing vanuit Den Haag. Er werden moties ingediend om deeltijdstudenten, bètastudenten en zelfs studenten in een studentenorkest vrij te stellen van de maatregel.

    Het lijkt alsof de Kamer het liefst zelf tentamens wil nakijken, terwijl het hoger onderwijs in Nederland veel autonomie kent. Daar komt bij dat de NVAO, maar ook de inspectie, onvoldoende in staat blijken te zijn om misstanden tijdig te signaleren. Het is de vraag of zij een centrale aansturing wel zouden kunnen monitoren.

    b) Een ander risico is dat het accreditatiesysteem op de schop gaat, terwijl nog onduidelijk is of het systeem 'schuldig' is aan tekortkomingen op het gebied van kwaliteit, of de toezichthouder zelf. De NVAO heeft volgens ons in ieder geval iets uit te leggen.

    c) Wat de OER betreft, bestaat het risico dat de relatie tussen student en de instelling wordt gejuridiseerd. Als OCW op basis van de politieke reacties centraal de regie over de OER gaat voeren, wordt het speelveld verkleind. Instellingen zullen de OER gaan hanteren als reglement en niet als regeling.

    De insteek die de inspectie kiest, lijkt daar in ieder geval aan bij te dragen. Dat terwijl in het onderwijs professionele ruimte essentieel is om kwaliteit te leveren. Die ruimte is niet in regels te vatten. Wel moeten de kaders helder zijn en dat lijkt op basis van het onderzoek van de inspectie nog onvoldoende geborgd te zijn.

    Deze risico's zijn wat ons betreft te groot om nu al zware middelen in te zetten. Een onderzoek dat startte naar aanleiding van misstanden bij een onderdeel - het afstudeertraject voor langstudeerders - van een opleiding Media & Entertainment Management van een hogeschool, bracht een mogelijk falen van het accreditatieorgaan en een meningsverschil tussen de Inspectie en de NVAO over de OER op tafel. Dit wordt niet opgelost door het intrekken van de accreditatie van enkele opleidingen. Dat is slechts ingrijpen voor de bühne en daar komt het hoger onderwijs in Nederland niet verder mee.

    Michiel Hes (Senior Consultant bij Berenschot, betrokken bij ondersteuning Commissie Leers) en Henno van Horssen (lid voormalige Commissie Leers, oud-voorzitter van het ISO)