Vanuit verschillende hoeken wordt afwachtend en kritisch
gereageerd op de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs van
OCW. Het HBO is opvallend positief. Zo ook Leendert Klaassen. "Er
wordt veel aangekondigd in het plan dat met relatief weinig
middelen gerealiseerd moet worden. Maar het biedt in elk geval
aanknopingspunten, zeker op het gebied van profilering en
internationalisering."
Niet de eerste die roept
Op het gebied van internationalisering is Stenden één van de
koplopers in het hoger onderwijs, hetgeen niet altijd makkelijk is.
Maar ook wat betreft profilering is de hogeschool al druk bezig
zwaartepunten aan te brengen, vertelt Klaassen. "Het moet ook
gewoon kunnen, om binnen je eigen organisatie en met eigen middelen
je profiel te versterken."
Uitgaan van eigen kracht, en je niet beroepen op de extra kosten
die bijvoorbeeld intensiever onderwijs met zich meebrengt. "Wij
werken bij Stenden met probleemgestuurd onderwijs. Dat is vrij
arbeidsintensief dus dat zijn we al gewend. Ik ben ook niet de
eerste die roept: 'kunnen we er meer geld bij krijgen?'"
Toch moet ook Klaassen toegeven dat het wel eens wringt. "Als de
stroom nieuwe studenten blijft toenemen, dan keert op een gegeven
moment de wal het schip. Scherp profileren is echter ook een vorm
van voorselectie." Door duidelijk je profiel te kiezen en daar
scherpe keuzes in te maken, zorg je er ook voor dat studenten de
keuze maken wel of niet voor een bepaalde opleiding te gaan.
Een voorbeeld bij Stenden zijn de toerismeopleidingen met de
Grand Tour, waarin studenten op verschillende buitenlandse locaties
een deel van hun opleiding genieten. "Zoiets moet natuurlijk niet
een witte stranden en palmbomen imago gaan krijgen. We leggen de
nadruk op het opleidingsaanbod daar, gericht op aansluiting op het
werkveld waar men later aan de slag gaat."
Scherp profileren met partners
Scherpe profilering moet niet aan het HBO op een formeel,
bestuurlijk niveau worden overgelaten, stelt Klaassen. Zijn
voorbeeld is het Sectorplan Noord waarin Stenden een belangrijke
rol speelt en samenwerkt met andere Noordelijke
onderwijsinstellingen. "We maken met elkaar afspraken wie wat doet
ten behoeve van de ontwikkeling van het Noorden. Wij hebben voor
alles een onderwijsopgave te vervullen."
Voor Stenden Hogeschool liggen deze zwaartepunten bij toerisme
en in educatie. "Wij hebben zes verschillende pabo's in vijf
locaties in Noord Nederland, dus dat is één van de speerpunten."
Het Sectorplan Noord is volgens Klaassen dan ook een goed
instrument om tot de ordening te komen die het OCW voorstaat in de
Strategische Agenda. Het is één van de uitdagingen waar de
collegevoorzitter zich nu voor gesteld ziet.
"Nee, minder leuk wordt het werk zeker niet," constateert
Klaassen. "Het hoger onderwijs is in zijn aard dynamisch omdat het
verbonden is met vele maatschappelijke thema's. De jonge generatie
geeft nieuwe impulsen in dat proces." Ontwikkelingen in het HBO als
het recent verschenen rapport van de Onderwijsinspectie over de
buitenlandse activiteiten van Stenden en de situatie bij Inholland
zijn slechts een greep uit de uitdagingen die Klaassen dagelijks
tegenkomt in zijn werk.
Het gaat over anderen
Ongeveer een jaar na de Theo-route maakt Leendert Klaassen,
voorheen als NVAO-bestuurder verantwoordelijk voor het waarborgen
van de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs, de balans
op van de ontwikkelingen die het HO sindsdien is doorgegaan. "We
hebben ons binnen de sector te laat gerealiseerd dat dit tot een
publiek debat zou leiden. Conclusies uit de rapportages hebben we
te makkelijk laten generaliseren. Je ziet het gebeuren, maar je kan
hem moeilijk keren."
Toch zijn er in de aanpak destijds ook zeker positieve elementen
aan te wijzen. "Men is onmiddellijk in actie gekomen bij Inholland,
qua toezicht. Meteen zijn ze gaan kijken hoe het er toegaat. Zowel
via de commissie Leers als vanuit de Inspectie en de NVAO, dat vind
ik adequaat."
Het publieke debat werd evenwel niet beheerst en "dan kom je in
zekere zin in een defensieve reactie terecht", aldus Leendert
Klaassen. "De artikelen in de Volkskrant hebben ook bij ons de
dingen op scherp gezet. Er ontstond een algemeen beeld van niet in
control zijn." Een beeld dat het HBO zichzelf wel kan aanrekenen.
"We hadden toch te lang te veel iets van: het gaat over anderen,
niet over ons."
Dat beeld is zowel in de media als in Den Haag zichtbaar in de
reacties. Leendert Klaassen plaatst daar enige kanttekeningen bij.
Zo was men nu ineens zeer kritisch over de bewaking van de
HBO-kwaliteit, terwijl nog geen jaar geleden heel andere geluiden
klonken. "Ik kan me herinneren dat men toen behoorlijk positief was
over het nieuwe stelsel van kwaliteitsborging, en dan druk ik me
nog mild uit. Er is door het parlement unaniem gekozen voor de
doorvoering van een nieuw accreditatiestelsel. En dan zie je dat
het één jaar later geheel anders is. Alsof men op een ander spoor
is gaan zitten."
Zelf doen
"Ik vind dat we met het huidige accreditatiestelsel dichter bij
de werkelijke onderwijskwaliteit komen dan het vorige stelsel. We
zijn meer bezig met learning outcomes, het is nadrukkelijk
meer inhoudelijk. Zo moet er nu een scherper inzicht komen op
het niveau van de afstudeerstukken: zijn zij adequaat, zijn zij
echt op niveau."
"Veel breder denk ik dat het belangrijk is om te borgen dat het
bestuur van een instelling in control is op het thema
kwaliteit." Zaken als 'alternatieve' afstudeertrajecten of gerommel
bij het uitvoeren van de regels, ziet Klaassen ook in het nieuwe
accreditatiestelsel niet direct en en detail aangepakt. "Daar kun
je geen algemene regels voor opleggen. Dat moet met intern
toezicht, daar moeten we zulke verschijnselen zo snel mogelijk zien
af te vangen. Het hoort bij een instellingscultuur om er zorg voor
te dragen dat zoiets niet gebeurt. Ik denk niet dat je daar een
echt sluitend systeem van extern toezicht op kan zetten. Dat zul je
zelf moeten doen." Daarom is de kwaliteitstoets op het niveau van
de instellingen een belangrijk nieuw instrument tot verbetering,
zegt hij. Want daarin worden de cultuur en structuur van hoe een
hogeschool zijn kwaliteit intern borgt nadrukkelijk onderzocht en
gevalideerd.
Nog verdere verbeterstappen
Klaassen ziet mogelijkheden voor aanzienlijke verdere
verbeterstappen bij de borging. "Het HBO zou de meer geclusterde
visitaties die binnen het WO al aan de orde zijn, tot de zijne
kunnen maken. Dat maakt binnen een discipline of opleidingsdomein
de kwaliteiten en uitkomsten veel meer vergelijkbaar. In het HBO is
deze aanpak die voorheen usance was bijna helemaal weg en dat valt
te betreuren. Ik voel er wel voor dat dit herleeft."
Dat biedt meteen mogelijkheden voor veel grondiger analyses van
de uitkomsten, benadrukt hij. "Sectorale analyses op basis van de
visitatierapportages zijn vaak zeer interessant. Zeker nu in de
Strategische Agenda van Zijlstra de sectorplannen-nieuwe-stijl een
grotere rol zouden gaan spelen. Zulke analyses stelt de NVAO
op en laat ons daarmee zien 'waar we nu staan'. Dat kan
meteen gekoppeld worden aan meer internationale vergelijking en
benchmarking, bijvoorbeeld door die sectorstukken te vergelijken
met de uitkomsten van U-Map. Zo'n sectoranalyse is al gedaan voor
het kunstonderwijs en de Commissie Dijkgraaf en daar hebben alle
betrokkenen veel aan gehad."
De nieuwe opzet van accreditatie maakt Klaassen al met al een
optimistisch mens, zegt hij. "De aanpak die nu gaat gelden staat
dichter bij de vakdeskundigen en de docenten in hun professie. Er
zal met hen een ander soort gesprek over kwaliteit en resultaten
ontstaan. Het zal gaan om de inhoud van het programma en de vorm
waarin zij de studie en de overdacht organiseren en aanpakken. Meer
inhoud dus en minder protocollair afvinken."