• A
  • A
  • Meer inhoud, minder protocol

    - Hij stapte in maart over van de NVAO naar Stenden Hogeschool. Borgingsexpert Leendert Klaassen kwam daar in Leeuwarden direct onder vuur te liggen over ‘de kwaliteit’. “Artikelen in de Volkskrant hebben ook bij ons de dingen op scherp gezet. Er ontstond een algemeen beeld van niet in control zijn in het HBO.” Wat gebeurde er toen en wat leren hogeschool en sector daarvan?

    Vanuit verschillende hoeken wordt afwachtend en kritisch gereageerd op de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs van OCW. Het HBO is opvallend positief. Zo ook Leendert Klaassen. "Er wordt veel aangekondigd in het plan dat met relatief weinig middelen gerealiseerd moet worden. Maar het biedt in elk geval aanknopingspunten, zeker op het gebied van profilering en internationalisering."

    Niet de eerste die roept

    Op het gebied van internationalisering is Stenden één van de koplopers in het hoger onderwijs, hetgeen niet altijd makkelijk is. Maar ook wat betreft profilering is de hogeschool al druk bezig zwaartepunten aan te brengen, vertelt Klaassen. "Het moet ook gewoon kunnen, om binnen je eigen organisatie en met eigen middelen je profiel te versterken."

    Uitgaan van eigen kracht, en je niet beroepen op de extra kosten die bijvoorbeeld intensiever onderwijs met zich meebrengt. "Wij werken bij Stenden met probleemgestuurd onderwijs. Dat is vrij arbeidsintensief dus dat zijn we al gewend. Ik ben ook niet de eerste die roept: 'kunnen we er meer geld bij krijgen?'"

    Toch moet ook Klaassen toegeven dat het wel eens wringt. "Als de stroom nieuwe studenten blijft toenemen, dan keert op een gegeven moment de wal het schip. Scherp profileren is echter ook een vorm van voorselectie." Door duidelijk je profiel te kiezen en daar scherpe keuzes in te maken, zorg je er ook voor dat studenten de keuze maken wel of niet voor een bepaalde opleiding te gaan.

    Een voorbeeld bij Stenden zijn de toerismeopleidingen met de Grand Tour, waarin studenten op verschillende buitenlandse locaties een deel van hun opleiding genieten. "Zoiets moet natuurlijk niet een witte stranden en palmbomen imago gaan krijgen. We leggen de nadruk op het opleidingsaanbod daar, gericht op aansluiting op het werkveld waar men later aan de slag gaat."

    Scherp profileren met partners

    Scherpe profilering moet niet aan het HBO op een formeel, bestuurlijk niveau worden overgelaten, stelt Klaassen. Zijn voorbeeld is het Sectorplan Noord waarin Stenden een belangrijke rol speelt en samenwerkt met andere Noordelijke onderwijsinstellingen. "We maken met elkaar afspraken wie wat doet ten behoeve van de ontwikkeling van het Noorden. Wij hebben voor alles een onderwijsopgave te vervullen."

    Voor Stenden Hogeschool liggen deze zwaartepunten bij toerisme en in educatie. "Wij hebben zes verschillende pabo's in vijf locaties in Noord Nederland, dus dat is één van de speerpunten." Het Sectorplan Noord is volgens Klaassen dan ook een goed instrument om tot de ordening te komen die het OCW voorstaat in de Strategische Agenda. Het is één van de uitdagingen waar de collegevoorzitter zich nu  voor gesteld ziet.

    "Nee, minder leuk wordt het werk zeker niet," constateert Klaassen. "Het hoger onderwijs is in zijn aard dynamisch omdat het verbonden is met vele maatschappelijke thema's. De jonge generatie geeft nieuwe impulsen in dat proces." Ontwikkelingen in het HBO als het recent verschenen rapport van de Onderwijsinspectie over de buitenlandse activiteiten van Stenden en de situatie bij Inholland zijn slechts een greep uit de uitdagingen die Klaassen dagelijks tegenkomt in zijn werk.

    Het gaat over anderen

    Ongeveer een jaar na de Theo-route maakt Leendert Klaassen, voorheen als NVAO-bestuurder verantwoordelijk voor het waarborgen van de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs, de balans op van de ontwikkelingen die het HO sindsdien is doorgegaan. "We hebben ons binnen de sector te laat gerealiseerd dat dit tot een publiek debat zou leiden. Conclusies uit de rapportages hebben we te makkelijk laten generaliseren. Je ziet het gebeuren, maar je kan hem moeilijk keren."

    Toch zijn er in de aanpak destijds ook zeker positieve elementen aan te wijzen. "Men is onmiddellijk in actie gekomen bij Inholland, qua toezicht. Meteen zijn ze gaan kijken hoe het er toegaat. Zowel via de commissie Leers als vanuit de Inspectie en de NVAO, dat vind ik adequaat."

    Het publieke debat werd evenwel niet beheerst en "dan kom je in zekere zin in een defensieve reactie terecht", aldus Leendert Klaassen. "De artikelen in de Volkskrant hebben ook bij ons de dingen op scherp gezet. Er ontstond een algemeen beeld van niet in control zijn." Een beeld dat het HBO zichzelf wel kan aanrekenen. "We hadden toch te lang te veel iets van: het gaat over anderen, niet over ons."

    Dat beeld is zowel in de media als in Den Haag zichtbaar in de reacties. Leendert Klaassen plaatst daar enige kanttekeningen bij. Zo was men nu ineens zeer kritisch over de bewaking van de HBO-kwaliteit, terwijl nog geen jaar geleden heel andere geluiden klonken. "Ik kan me herinneren dat men toen behoorlijk positief was over het nieuwe stelsel van kwaliteitsborging, en dan druk ik me nog mild uit. Er is door het parlement unaniem gekozen voor de doorvoering van een nieuw accreditatiestelsel. En dan zie je dat het één jaar later geheel anders is. Alsof men op een ander spoor is gaan zitten."

    Zelf doen

    "Ik vind dat we met het huidige accreditatiestelsel dichter bij de werkelijke onderwijskwaliteit komen dan het vorige stelsel. We zijn meer bezig met learning outcomes, het is nadrukkelijk meer inhoudelijk.  Zo moet er nu een scherper inzicht komen op het niveau van de afstudeerstukken: zijn zij adequaat, zijn zij echt op niveau."

    "Veel breder denk ik dat het belangrijk is om te borgen dat het bestuur van een instelling in control is op het thema kwaliteit." Zaken als 'alternatieve' afstudeertrajecten of gerommel bij het uitvoeren van de regels, ziet Klaassen ook in het nieuwe accreditatiestelsel niet direct en en detail aangepakt. "Daar kun je geen algemene regels voor opleggen. Dat moet met intern toezicht, daar moeten we zulke verschijnselen zo snel mogelijk zien af te vangen. Het hoort bij een instellingscultuur om er zorg voor te dragen dat zoiets niet gebeurt. Ik denk niet dat je daar een echt sluitend systeem van extern toezicht op kan zetten. Dat zul je zelf moeten doen." Daarom is de kwaliteitstoets op het niveau van de instellingen een belangrijk nieuw instrument tot verbetering, zegt hij. Want daarin worden de cultuur en structuur van hoe een hogeschool zijn kwaliteit intern borgt nadrukkelijk onderzocht en gevalideerd.

    Nog verdere verbeterstappen

    Klaassen ziet mogelijkheden voor aanzienlijke verdere verbeterstappen bij de borging. "Het HBO zou de meer geclusterde visitaties die binnen het WO al aan de orde zijn, tot de zijne kunnen maken. Dat maakt binnen een discipline of opleidingsdomein de kwaliteiten en uitkomsten veel meer vergelijkbaar. In het HBO is deze aanpak die voorheen usance was bijna helemaal weg en dat valt te betreuren. Ik voel er wel voor dat dit herleeft."

    Dat biedt meteen mogelijkheden voor veel grondiger analyses van de uitkomsten, benadrukt hij. "Sectorale analyses op basis van de visitatierapportages zijn vaak zeer interessant. Zeker nu in de Strategische Agenda van Zijlstra de sectorplannen-nieuwe-stijl een grotere rol zouden gaan spelen. Zulke analyses stelt de NVAO op  en laat ons daarmee zien 'waar we nu staan'. Dat kan meteen gekoppeld worden aan meer internationale vergelijking en benchmarking, bijvoorbeeld door die sectorstukken te vergelijken met de uitkomsten van U-Map. Zo'n sectoranalyse is al gedaan voor het kunstonderwijs en de Commissie Dijkgraaf en daar hebben alle betrokkenen veel aan gehad."

    De nieuwe opzet van accreditatie maakt Klaassen al met al een optimistisch mens, zegt hij. "De aanpak die nu gaat gelden staat dichter bij de vakdeskundigen en de docenten in hun professie. Er zal met hen een ander soort gesprek over kwaliteit en resultaten ontstaan. Het zal gaan om de inhoud van het programma en de vorm waarin zij de studie en de overdacht organiseren en aanpakken. Meer inhoud dus en minder protocollair afvinken."