De grootste verandering in 25 jaar Hogeschool Leiden? "Zo'n
rondetafelbijeenkomst als deze. Dat wij in deze setting zo'n
discussie voeren. Dat was 25 jaar geleden ondenkbaar."
Ton Ouwerkerk was collegevoorzitter van Hogeschool Leiden in
haar begindagen tot en met 2006. Nooit had hij het voor mogelijk
gehouden dat hij in 2011 met zo'n gezelschap om de tafel zou zitten
om na te denken over de ontwikkeling en de toekomst van het Leidse
HBO. Vooral als het gaat om onderzoek in het HBO en het
waarborgen van kwaliteit worden een paar harde noten gekraakt.
Kloof HBO-WO is kleiner
Ton Ouwerkerk was dus in 1986 al verbonden aan Hogeschool
Leiden, maar waar waren de overige Leidse bestuurders die aan de
rondetafel zitten destijds? Een reeks ontboezemingen zorgt ervoor
dat ze elkaar even met andere ogen bekijken. Collegevoorzitter Paul
van Maanen vertelt over zijn werk destijds bij de Nederlandse
Basketbal bond en ROC-voorman Jeroen Knigge over zijn onderzoek aan
de UvA naar de belevingswereld van kinderen in de 'tuindorpen' rond
Amsterdam. Agnita Mur, lid van het CvB, blijkt in 1986 hbo stagiair
in Brussel te zijn geweest vanuit de Haagse Hotelschool en Lid van
de Raad van Toezicht Jan Anthonie Bruijn werkte als patholoog die in zijn
spaarzame vrije uurtjes ook nog een proefschrift schreef. "Ik was
toen vrijgezel, dat hielp natuurlijk wel."
De vergelijking van het HBO in 1986 en 2011 maakt Bruijn
pregnant. "In mijn eigen werk zie ik de verandering. We werken met
analisten uit het HBO in ons LUMC-laboratorium. Dat zijn goede
mensen. Collega's die mee veranderd zijn met de steeds hogere eisen
die aan ons en ons vak gesteld zijn. Ik ben echt heel content met
hen.
Dat het verschil tussen de jaren zeer groot is, kwalitatief ook,
zie je aan nog iets anders. Inmiddels zijn twee van die mensen bij
mij gepromoveerd. Zoiets was vroeger ondenkbaar. Het blijkt dat
HBO-laboratoriumonderwijs nu wel opleidt voor zo'n vervolgloopbaan
in het onderzoek. Dat valt des te meer op, omdat het onderzoek in
mijn vakgebied totaal veranderd is in de voorbije twintig à dertig
jaar door nieuwe technologieën en inzichten. De hbo'ers komen daar
niettemin sterk in mee. Wat HBO en WO doen binnen de
kennissector is als concept ook sterk veranderd, de kloof is veel
minder groot geworden. Daar moeten we consequenties aan gaan
verbinden, lijkt mij."
Nieuwe academievorming
Paul van Maanen wijst op vergelijkbare ontwikkelingen 'aan de
andere kant' van het hbo bij de ROC's. "Wij zijn daar meer en meer
op brede disciplines als 'zorg' en 'techniek' coherente
opleidingsstromen aan het inrichten. Een nieuw soort
academievorming voor professionele domeinen komt van de grond. Maar
het is lastig gemaakt om zulke kwaliteitsdoorbraken en een goede
matching van student en opleiding te verwezenlijken.
Neem alleen al de grote verschillen in regelgeving. Zo wordt de
borging van de kwaliteit heel verschillend opgevat. De WHW kent
andere principes van regelgeving en bestuurlijke verhoudingen dan
de Wet Educatie en Beroepsonderwijs voor het MBO. En die is weer
volstrekt anders dan de Wet VO. De stelsels zijn daardoor op
verschillende bestuurlijke en inhoudelijke beginselen gebouwd. Maar
men verwacht van ons als onderwijsinstellingen tegelijkertijd dat
wij soepel, goed afgestemde doorlopende 'leerlijnen' voor jongeren
organiseren. Ga er maar aan staan."
Een cruciaal verschil stippen ook anderen in het gesprek aan.
"We zijn van 'high trust' achter de HOAK-nota en de WHW verzeild
geraakt in een 'low trust'-discussie. De benadering is er veel meer
één van 'en nu moeten er koppen rollen', vaak op grond van
incidenten", zegt Van Maanen. Ook de inspectie en het ministerie
van OCW kunnen er niet omheen. "Die moeten ons steeds met
detailkwesties overspoelen vanwege die 'low trust'-houding."
Bruijn wijst op de ingebouwde tegenstelling hierin die hem
regelmatig frappeert. "We eisen outputprestaties en resultaten als
samenleving, maar regelen het hoger onderwijs op basis van
input-criteria. Als we echter meer willen sturen op het stimuleren
van 'de top' en daar ruimte aan willen geven, dan zullen we minder
op input moeten sturen en output-criteria voorop moeten
plaatsen."
Als het de komende jaren die kant op gaat, dan zullen
universiteiten, hogescholen én ROC's wel een
gemeenschappelijk gedragen onderwijsconcept moeten kennen,
onderstreept Knigge. "Je kunt niet ?exibel zijn als je geen
standaarden deelt. Anders doet iedereen maar wat, dat is een
spannende paradox, steeds weer. Je moet het verschil leren zien
tussen je gezamenlijke 'visie' op onderwijs en de 'didactiek'. Je
kunt in de didactiek van je opleidingsprocessen de docenten veel
ruimte geven voor zijn eigen werk als je met elkaar de visie
duidelijk deelt. En als je daar ook afspraken over weet te maken en
elkaar daar ook echt aan houdt."
Accreditatie en kwaliteitszorg zijn daar volgens Ouwerkerk een
?inke externe hulp bij. "Zulke druk van buiten is alleen maar goed
om iedereen als organisatie scherp te houden. Die
accreditaties mogen ze van mij om die reden ook best nog
verder aanscherpen."
Leren afvinken
Paul van der Heijden zucht hoorbaar. "Ik vind dat ook wel, Ton.
Maar het nieuwe accreditatiesysteem is gewoon niet zo goed als de
validering die de visitaties gaven. In die opzet kwamen er goede
verbeterpunten op tafel waarmee de opleidingen verder konden en ook
wel moesten. De gesprekken daarover hadden meer substantie dan het
afvinken van voorbereide documenten. Iedereen weet dat de
accreditaties nu zowel procedureel als inhoudelijk tot achter de
komma voorbereid worden. We doen het zo goed, dat scholen van ons
leren dat je kunt trainen voor de CITO-toets. Je doet dan vooral
die dingen die voor het afvinken door zo'n commissie de moeite
waard zijn. Zo'n papieren exercitie is dus niet erg
inspirerend. Ik kan dat de docenten echter niet overbrengen."
Maar wat is het alternatief, een goedwerkende interne én externe
borging van je kwaliteit? Van Maanen wil in elk geval vaker intern
tot reviews komen van de geleverde prestaties. "Mij valt de mate
vaak nog best wel tegen waarin wij met de professies onze visies
over én de prestaties bij de kwaliteit delen. Je hebt meer nodig
dan elke zes jaar een soort formeel examen af te leggen."
"Geef mij maar openbare cursistenevaluaties, per vak", oppert
Van der Heijden. "Dat vinden ze aan Amerikaanse universiteiten heel
gewoon. Daar kun je er normaal onderling over praten en docenten
die niet zo begaafd zijn serieus helpen verbeteren als
didacticus."
Bruijn fronst zijn wenkbrauwen. "Kom zeg, dat doen we toch ook?
De klanttevredenheid wordt concreet zichtbaar gemaakt. Voor een
hogeschool is het belangrijk wat de HBO-Monitor laat zien. Wat de
alumni in de beroepspraktijk ervaren en met ons delen als ze
re?ecteren op wat ze uit de opleiding hebben meegekregen is
zinvolle informatie. Maar ook bij de borging van kwaliteit moeten
we waken voor de 'low trust'-benadering, de 'koppen moeten
rollen'-re?ex bij het eerste de beste incident. Als dat de insteek
wordt in plaats van de high trust-visie van de HOAK-nota, loopt het
hoger onderwijs vast."
Verongelijkt in een hoekje gaan zitten moet het HBO sowieso
niet doen. "Het veld moet proactief worden. Zeg vooral hoe je het
wél wilt zien, wat je zelf gaat doen. Geef de politiek zelf de
tools om bijvoorbeeld de kwaliteit beter te borgen. Maak die
gezamenlijke diplomagarantie van alle hogescholen concreet en geef
die dan ook af."
Massale toestroom
Dat de dilemma's van nu rond kwaliteit, bedrijfsvoering en
schaal alles te maken hebben met het succes van het HBO
in de afgelopen 25 jaar erkent iedereen. "Massale toestroom vang je
niet vanzelf op", zegt Knigge. "Die massi?catie kent het hele hoger
onderwijs, wij als ROC ook. Denk niet: er zijn veel mensen
bijgekomen, er komt meer geld, we breiden verder uit met grotere
gebouwen, en dat is het dan. Een opleidingsinstituut en onderzoek
in een context van 25.000 mensen vereist meer dan fysieke expansie.
Maar het hele bestel, de ?nancieringssystemen en de bedrijfsvoering
zijn nog ingesteld op expansie vanuit veel kleinere eenheden. Is er
een grens aan de groei van de instroom in het HBO en het WO?
Daar hebben we het nauwelijks over."
Mur knikt veelbetekenend en vergelijkt haar ervaringen bij
Inholland met die in Leiden. "Voordat er zoiets was als Inholland,
bestond er een reeks kleinere eenheden in verschillende steden in
de Randstad. Inholland kende hetzelfde soort vragen als Hogeschool
Leiden. Inholland wilde de krachten bundelen van die kleinere
eenheden, vooral aan de achterkant van het primaire proces; bij de
bedrijfsvoering voor het onderwijs en onderzoek dus."
"De voorkant, het onderwijs zelf, moest en kon zo kleinschalig
blijven. Dichtbij de student, primair op hen gericht, was het idee.
'Klein houden!' werd steeds benadrukt. En eigenlijk doen wij dat in
Leiden ook. We hebben nu vijf clusters ontwikkeld, die inhoudelijk
verwant zijn en hun eigen onderwijsaanpak moeten kunnen
ontwikkelen. Maatwerk in de bètahoek met het LUMC of
hightechbedrijfjes, dat is echt iets anders dan maatwerk met
jeugdzorg. En wij hebben in Leiden ook zo'n grootschalige
achterkant opgebouwd, waarop elk maatwerkaanbod verder kan. Daarin
zit dus geen principieel verschil met bijvoorbeeld Inholland of
Fontys."
Maar waarin dan wél? "Wij zijn meer ruimte gaan geven aan die
clusters om hun eigen aanpak concreter in te vullen. Daar is het
bij Inholland minder goed gegaan. Vanwege de grootschalige
achterkant werd één onderwijsconcept voorop gezet. Dat werd strak
ontwikkeld en opgelegd. Daar liep het mis." Knigge: "We zijn dus
terug bij het onderscheid tussen de onderwijsvisie die er is om te
delen en de didactiek die er is om ruimte te geven aan de docenten
als professionals in hun vak.
Iedereen koekhappen?
Het HBO is in 25 jaar een kenniscentrum met
praktijkgestuurd onderzoek geworden. Al twee hogescholen hebben een
eigen rector benoemd. Moet Leiden ook zo'n ?guur gaan kennen?
Rector magni?cus van de oude Leidse universiteit Van der Heijden
kijkt spottend. "Ik word daar niet warm of koud van. Als zo'n
functionaris iets kan betekenen in zo'n omgeving moet je dat vooral
doen." Hij vertelt hoe een rector tot 1970 bij de universiteit
iemand was als bij een lyceum, de baas van de tent. "Een leraar die
is opgeklommen en als seniordocent meestal ook nog les geeft. Bij
ons was dat net zo, al was hij dan wel een magni?cus. Dat wel!"
Hij lacht. "Zo'n rector magni?cus werd gekozen, of vaak als
'vrijwilliger' aangewezen, je kent dat wel. Na 1970 kwam er een
College van Bestuur met mensen die ook echt moesten gaan besturen.
Daarbinnen werd de rector de inhoudelijk verantwoordelijke, de man
die onderzoek en kwaliteit in ogenschouw bleef houden. We doen wel
vaak of dit de authentieke, historische opdracht van de rector is
in het WO, maar eigenlijk is het allemaal heel recent."
Bruijn schatert om de droge onttovering van deze grote
academische traditie van eeuwen her. "Zullen we ook even nuchter
naar de onderzoekstaak van de hogeschool kijken? Die is recent. Nu
kunnen we twee dingen doen: of de term 'onderzoek' di?uus maken,
zodat iedereen in HBO en WO kan gaan koekhappen naar het
geld, de subsidies daarvoor, óf we gaan de eigen identiteit van
toegepast, toepassingsgericht onderzoek binnen het HBO
pro?leren. Dat verdient een eigen ?loso?e over het hoe en waarom en
dat verdient ook eigen parameters van de output. Anders dreigt er
vooral vertroebeling en veel overlap. Doodzonde!"
Rector van der Heijden deelt zijn bezorgdheid. "Het is nu al
behoorlijk blurry. Wij doen in het wetenschappelijk
onderwijs ook onderzoek dat vooral toegepast kan heten. Moeten we
de TU's daarom maar weer, net zoals vroeger, hogescholen gaan
noemen? Laten we als universiteiten en hogescholen vooral concreet
samenwerken op die gebieden waar we elkaar in onderzoek goed kunnen
aanvullen. Bij de Hogeschool van Amsterdam heb ik als rector van de
UvA de eerste stappen kunnen zetten in die richting. Nu, zo'n acht
jaar later, kijk ik voorzichtig maar optimistisch naar wat daaruit
gaat komen."
Van Maanen valt hem bij en waarschuwt voor "kopieergedrag" en
"gimmicks". Een rector bij een hogeschool die zelf nog weinig
onderzoek of traditie daarin kent, daar voelt hij weinig voor.
Liever kijkt hij per kennisdomein van een hogeschool naar "wat je
wilt en kunt". "Je moet lectoraten bewust inzetten op die punten
waar de beroepspraktijk aan upgrading kan werken. Kijk bij ons
bijvoorbeeld naar de jeugdzorg."
Voorbij Veerman
Kiezen voor een grotere verscheidenheid in de onderwijs-
en onderzoekstaken van de hogeschool dus, op basis van een
inhoudelijk pro?el. Dat zit dicht tegen het advies van de Commissie
Veerman aan. HBO, WO, het ministerie van OCW, iedereen werkt aan
mogelijke implementatie van de denklijnen uit haar rapport. Bruijn
springt er gretig bovenop. "Moeten we die hele pro?leringsoperatie
niet écht samen gaan doen, als hogeschool én universiteit? Als ik
in mijn vakgebied kijk hoe de Zweedse topinstelling Karolinska dat
nu al voor elkaar krijgt, zie ik de grote meerwaarde. Trouwens, de
Zorgacademie van onze hogeschool brengt ook hbo en universitaire
opleidingen veel meer bijeen, met het mbo als toeleverancier van
nieuw professioneel talent. Ik zou dus zeggen: Trek ' Veerman' naar
een hoger plan! Overstijg op grond van de inhoud het binaire, de
institutionele verdelingen. Of lopen we dan alweer te ver voor de
hoop uit?"
Volgens van Maanen helemaal niet. Hij wijst op het Bio Science
Park waar ze broederlijk met allerlei innovatieve, biomedische
bedrijfjes nieuwe kenniswerelden veroveren. "Daar zijn we onze
pro?elkeuzen wel degelijk samen aan het doen. Maar voeren we
als HBO en WO als geheel zo die discussie? Nee, helaas
niet. De binariteit blokkeert nog."
Bruijn laat niet los en noemt Veermans advies nu wel de kans.
Van der Heijden vindt dat zoiets van onderop zal moeten komen in
dat proces van pro?elkeuzes. "Want bestuurlijk en mentaal zit dat
binaire in Nederland nog zó diep." Daar wil ook Knigge het niet bij
laten. "Pro?elkeuzen en afstemming zijn voor de verbinding MBO-HBO
veel belangrijker dan het binaire gedoe. Belangrijk voor de
ontwikkeling van professies, voor de tekorten en snelle transities
in de arbeidsmarkt. Academievorming van MBO en HBO zullen
we verder moeten versterken om studiesucces en talentbevordering
fors te verhogen. Zo kunnen we mensen sneller en beter
kwali?ceren." Maar het huidige stelsel maakt dit nauwelijks
mogelijk", zucht hij." En ook Veerman laat het buiten beeld. Alle
lof, maar dit wezenlijke thema ontbreekt in dat advies."
Grote plus
Ton Ouwerkerk herinnert er daarom nog eens aan hoe het HBO
dit soort obstakels en beperkingen in het denken moest overwinnen.
"We hadden voor 1985 een smalle onderwijsopzet. Ik was bijvoorbeeld
bezig om voor de verpleegkundeopleidingen te zoeken naar
mogelijkheden voor een gemeenschappelijke propedeuse. Nou, daarvoor
moest ik mij verantwoorden bij de inspectie. Want of dàt zomaar
mocht…"
Totdat die HO-opzet dankzij de HOAK-nota de shredder in ging.
"Toen moest iedereen zélf gaan nadenken over wat HBO-onderwijs
inhield en dat viel niet mee. We konden de deur van ons lokaal niet
meer dichtlaten voor de ander. En na dat nadenken moesten we zelf
aan de slag. Het docentenbestand moest veranderen en zichzelf
kritisch bezien. De kwaliteitszorg ging zo naar een hoger niveau,
dat was een grote plus. Na de traditie met de visitaties is het nu
met het werk van de NVAO best goed gekomen. Maar als ik hoor dat
sommigen nu centrale examens voor het HBO als een nieuw idee
voor kwaliteitsborging zien… Tja, dat is triest."
Weg met de scheidslijn!
Als je 25 jaar bloei viert, moet je ook 25 jaar vooruit durven
kijken. Knigge ziet een gesloopte scheidslijn tussen de top van
het MBO en het HBO. "Er zullen dan minder hogescholen en
minder ROC's zijn. Dat vereist kennisdeling, ook de bedrijfsmatige
versterking leidt daartoe."
Van der Heijden schetst een compleet HO-landschap in de
zuidvleugel van de Randstad. "We zijn een regio met drie miljoen
mensen waar qua opleiding en topkwaliteit alles aanwezig is.
Leiden, Delft en Rotterdam zitten nu al bij elkaar als
universiteiten om die beweging samen te maken. Als de Randstad qua
bestuur, vervoer en zwaartepuntvorming meer durft, is alles
mogelijk voor de bevolking en voor bedrijven die zich hoog willen
ontwikkelen. En ze zal wel móeten."
Van Maanen valt hem bij. "Al was het maar vanwege het verschil
in demogra?e tussen nu en 2035! De gesloopte scheidslijn van Jeroen
Knigge is alleen al daarom noodzakelijk." Wie het MBO wil
opschalen naar het HBO zal wel moeten. "Met een groter
opleidingsaanbod op meer niveaus zullen we de arbeidsmarkt moeten
leren bedienen, nu we als bevolking krimpen en mensen langer actief
blijven in meerdere beroepen en levensfasen."