Men kan bij Adriaansens rekenen op prikkelende, soms
zelfs provocatieve gedachten van een kenner die alles behalve blasé
is geworden in zijn werk als HO-bestuurder en innovator. "Al die
mensen die spreken over dat het in het onderwijs beter moet, doen
er zelf niets aan. Dat komt te veel voor."
Graag geeft hij pittig af op de babyboomers, "van wie ik er zelf
een ben. Al die mensen die nu in ingezonden stukken klagen over
jonge mensen, zijn vergeten hoe slecht ze zelf schreven toen ze
zelf 17 of 18 jaar waren".
Varen in Greenpeace bootjes
Over zijn eigen ervaringen als universitair decaan en daarna als
'bouwpastoor' van de toonaangevende colleges in Utrecht en
Middelburg zei hij tegen ScienceGuide eens: "Als decaan is het mij
niet gelukt, ik kreeg het schip maar één of twee graden uit koers.
Sinds ik in Greenpeace bootjes langs de colleges van besturen vaar,
heeft iedereen de pest aan mij. Maar er gebeurt tenminste wat.
Kennelijk is het nodig de kat de bel aan te binden".
Bij de vernieuwingen die hij in het HO graag zou zien, hoorde
ook een veel grotere aandacht voor het opdoen van onderzoekervaring
in de undergraduate fase. "Ik wil ook dat meer studenten in
het onderzoek participeren. Het is daarbij wel belangrijk dat we
afbakenen wat goed undergraduate research is. Dan wordt het ook
leuk voor docenten om daarin te participeren. Daarom vind ik dat we
voorzichtig moeten zijn met de term toponderzoek, omdat in
dergelijke onderzoeksprojecten voor undergraduate studenten
doorgaans geen plaats is".
Er zijn vorderingen
Excellentie en aandacht voor kwaliteit heeft Adriaansens altijd
gezien als thema's die het moeten hebben van een rijke context.
Alleen maar uitgaan van individuele kwaliteiten van studenten, dat
was voor hem een veel te dunne, smalle benadering. "Gedreven
studenten en gekwalificeerde docenten zijn zeker geen voldoende
voorwaarde voor excellentie. Ook de organisatiestructuur van de
instelling moet die kwaliteiten kunnen ondersteunen", betoogde
Adriaansens bij het Sirius-project. Doet die dat niet dan blijven
de resultaten tegenvallen, raken docenten hun drive kwijt,
blijft de uitval onder studenten onverminderd groot.
"In feite is dat de situatie van dit moment. Vandaar dat aparte
aandacht gewenst is voor de context waarin studenten en docenten
het onderste uit de kan moeten zien te halen. Gelukkig zijn er op
dat vlak ook vorderingen te melden, vooral in de vorm van
academische gemeenschappen binnen honours colleges en honours
programmes. Dat die vorderingen er zijn valt af te leiden uit de
omstandigheid dat studenten daarin wel excelleren, dat docenten er
met de nodige betrokkenheid opereren, er nauwelijks uitval is en
het rendement vier tot vijf keer hoger ligt - na de officiële
studieduur - dan gemiddeld in de Nederlandse universiteit"
Het zwembad van Cruyff
Hij noemde het "het aardige van een voorlopige meting van
eindresultaten van afgestudeerden aan de Roosevelt Academy dat die
vrijwel volledig parallel loopt aan de eerder door hen behaalde
VWO-gemiddeldes: die correlatie is bijna maximaal. Studenten die
binnenkwamen met een VWO-gemiddelde van een 8 of meer studeerden
vrijwel allemaal summa cum laude af. Met een gemiddelde van 7.5
werd het een cum laude, met een 7 een honours degree."
In deze dagen van VU-prof Steven ten Have en gymleraar Louis van
Gaal is de metafoor die Adriaansens graag gebruikt eens te meer to
the point. Hij vertelde bij Sirius over zijn discussie met de
Rector van de Leiden, Douwe Breimer, die ook op het NHOC zal spreken. Het bleek dat de daar
uitgevoerde mock-selectie van studenten met meer of minder dan een
7 gemiddeld op het VWO geen duidelijke verschillen te zien gaf in
studierendement.
Op de vraag van Breimer hoe die verrassende uitkomst kon worden
verklaard, antwoordde Adriaansens: "Als je Cruijff in een zwembad
gooit, kun je ook niet zien dat hij beter kan voetballen dan
ik."
U kunt zich nog aanmelden voor het NHOC, het Nederlands
Hoger Onderwijs Congres! Hoe en wat? Dat vindt u hier.
REACTIE LIETEKE VAN VUCHT TIJSSEN
"Dit sluit eigenlijk wel mooi aan op dat stuk over die
mopperende docenten hè", lacht Lieteke van Vucht Tijssen, als ze
het stuk over excellentie-goeroe Hans Adriaansens erbij pakt.
Excellentie staat of valt volgens Van Vucht Tijssen bij de
studieomgeving die je creëert voor je studenten. "Daarom ben ik ook
een beetje bang voor Middelburg. Dat is misschien wel te klein om
studenten echt aan zich te kunnen binden."
Waar Adriaansens terecht een grote reputatie heeft gekregen, is
zijn werk aan een creatieve, uitdagende studieomgeving. Van Vucht
Tijssen wijst in dat verband op de inspiratie daarvoor in eigen
huis vanuit een project van het lectoraat
Grootstedelijk Onderwijs en Jeugdbeleid onder leiding van Dolf van
Veen. Hun onderzoek naar studieuitval is vertaald in een pakket
maatregelen en acties. "De sleutel blijkt niet allerlei losse
actiepunten, maar ' studentnabij handelen'.
Zo is er een 100-dagen-aanpak waarin elke student in de eerste
drie maanden van zijn propedeuse actief gevolgd wordt en uit
onderzoek bekend geworden 'early warning' signalen meteen opgepakt
kunnen worden." De propedeuse wordt daarbij gezien als een
studiefase die elke student ' hbo-proof' moet maken. Zo kan de
hogeschool de dreiging van "stuwmeren van langstudeerders" in de
hoofdfase voorkomen.
Dissatisfiers wegnemen bij studenten
Juist in het creëren van zo'n actieve en uitdagende
studieomgeving zit volgens Van Vucht Tijssen ook een essentiële rol
voor het management. Dat is niet een zaak die je aan de student of
docent alleen moet willen overlaten. "Goed management is net zo
goed belangrijk voor de kwaliteit en voor het studiesucces in een
hogeschool.
Allereerst in het wegnemen van zulke 'dissatisfiers' bij
studenten en docenten, waar ik al over sprak bij Lodewijk Berkhouts
stuk. Wij moeten er voor zorgen dat studenten en docenten niet
zoveel te klagen hebben. Dan kunnen zij zich helemaal wijden aan
het onderwijs en het verwerven en overdragen van kennis!"