• A
  • A
  • Politiek wil zwart-wit stelligheid

    - “Competentiegericht onderwijs is goed, maar we zijn doorgeschoten in onze verwachtingen van de zelfstandigheid van 16- en 17-jarigen.”, aldus NVAO-voorman Karl Dittrich op het NHOC. “Een kwaliteitscultuur betekent dat de docent in staat is zelf een professionele ethos te hanteren. U legt de lat.”

    Als keynotespeaker op het Nationaal Hoger Onderwijs Congres begon Dittrich met de constatering, dat 2011 een bewogen jaar was geweest voor HIO en NVAO beide. "De Inholland-affaire ontplofte. We zijn van vertrouwen naar wantrouwen gegaan". De NVAO hekelde daarbij het  politieke discours dat een jaar na unaniem vertrouwen in het nieuwe accreditatiesysteem te hebben uitgesproken, direct al had geroepen om een heel ander systeem. Een systeem dat van vertrouwen naar wantrouwen als grondslag moest gaan. "Dat nieuwe stelsel is op zich goed bedacht, maar procedureel onuitvoerbaar."

    Stelsel hard, peers zacht

    "We stikken tegenwoordig van de handboeken en protocollen. Mijn stelling is dat als het stelsel harder wordt, de peers juist zachter worden", stelde Dittrich. De HO-peers durven namelijk vanwege hun terechte neiging tot nuance en analyse niet bij een kwaliteitsbeoordeling tot harde conclusies te komen als de gevolgen daarvan 'digitaal' zijn. Als een opleiding geen enkele kans krijgt bij minder goede resultaten of interne processen tot snelle verbeteringen te komen, dan houdt men de conclusies liever vlak en genuanceerd.

    Het gevolg is ironisch. Een harder stelsel leidt tot meer bureaucratie en minder verbetering. "We zijn de afgelopen tijd naar meer kwaliteitszorg gegaan, maar minder naar kwaliteit." Dat kan volgens de NVAO-voorzitter niet de bedoeling zijn.  "Accreditatie, kwaliteitsmeting  is eenzaam werk. De opleidingen zien wat wij doen als een last op hun dagelijkse onderwijstaken. De politiek vindt de uitkomsten te genuanceerd vaak, men heeft het liefst zwart-wit stelligheid."

    Dat er misstanden zijn geconstateerd die de kwaliteit en de status van HO en docenten niet ten goede komen, erkent Dittrich zonder meer. Het is mer dan alleen maar een enkel incient, omdat er af en toe iemand niet 'in control' bleek te zijn. Het debat daarover heeft zuiverend gewerkt. "Beter Onderwijs Nederland verdient wat dat betreft een pluim voor het agenderen daarvan. Het was een nogal onsympathieke manier van doen, maar wel terecht", merkte hij op.

    Kwaliteitscultuur en autonomie

    "De docent is door alle incidenten en nadruk op control en protocollen eigenlijk gedegradeerd. We moeten hem en haar weer meer op een voetstuk plaatsen." Belangrijk onderdeel van dat voetstuk is het terugbrengen van professionele autonomie naar de docent. "Autonomie is de belangrijkste grondstof voor kwaliteit", vond Dittrich. "Een kwaliteitscultuur betekent dat de docent in staat is zelf een professionele ethos te hanteren. U legt de lat, niemand anders."

    "Docenten moeten op hun eigen professionele wijze met kwaliteit bezig zijn. Er is daarom altijd wel een teamverantwoordelijkheid van docenten als vakgenoten in hun professie. De trots daarop moet daarin weer terug komen: 'wij zijn ambachtslieden van het onderwijs'. Het gaat in goed onderwijs vanuit een echte professie immers niet om losse individuen die voor een klas staan."

    Het kwetsbare HBO

    Karl Dittrich wees er in het slot van zijn speech nog op dat Nederland in de positie verkeert om kritisch naar het eigen onderwijsstelsel te kijken. "We weten in Nederland ongelooflijk veel over ons onderwijs. We weten het meeste over het gerealiseerde niveau van ons  onderwijs in Europa durf ik wel te zeggen." Hij prees daarbij de HBO-monitor en betreurde dat het WO zo'n instrument niet meer bezit. Deze transparantie heeft ook haar nadelen. "We weten zo veel, dat we ook erg goed weten wat niet goed gaat. Daarmee zijn we kwetsbaar door onze eigen kennis geworden."

    Tussen HBO en WO ziet Dittrich een opvallend verschil in cultuur en omgang met kwaliteit. Daarbij noemt hij het HBO kwetsbaarder. "In het HBO heb je leraren en collega's. In het WO onderzoekers en concurrenten. In het HBO vindt men het belangrijk dat de student veel leert maar het ook een beetje leuk heeft. In het WO is men toch allereerst met elkaar in competitie, van publicaties tot R&D-resultaten. In het HBO is een College van Bestuur de baas. In het WO vraagt men 'wie? Hoe heet die man?' "

    De hoofdpunten uit de speech van Karl Dittrich leest u hier op de NVAO-site