Als keynotespeaker op het Nationaal Hoger Onderwijs Congres
begon Dittrich met de constatering, dat 2011 een bewogen jaar was
geweest voor HIO en NVAO beide. "De Inholland-affaire ontplofte. We
zijn van vertrouwen naar wantrouwen gegaan". De NVAO hekelde
daarbij het politieke discours dat een jaar na unaniem
vertrouwen in het nieuwe accreditatiesysteem te hebben
uitgesproken, direct al had geroepen om een heel ander systeem. Een
systeem dat van vertrouwen naar wantrouwen als grondslag moest
gaan. "Dat nieuwe stelsel is op zich goed bedacht, maar procedureel
onuitvoerbaar."
Stelsel hard, peers zacht
"We stikken tegenwoordig van de handboeken en protocollen. Mijn
stelling is dat als het stelsel harder wordt, de peers juist
zachter worden", stelde Dittrich. De HO-peers durven namelijk
vanwege hun terechte neiging tot nuance en analyse niet bij een
kwaliteitsbeoordeling tot harde conclusies te komen als de gevolgen
daarvan 'digitaal' zijn. Als een opleiding geen enkele kans krijgt
bij minder goede resultaten of interne processen tot snelle
verbeteringen te komen, dan houdt men de conclusies liever vlak en
genuanceerd.
Het gevolg is ironisch. Een harder stelsel leidt tot meer
bureaucratie en minder verbetering. "We zijn de afgelopen tijd naar
meer kwaliteitszorg gegaan, maar minder naar kwaliteit." Dat kan
volgens de NVAO-voorzitter niet de bedoeling zijn.
"Accreditatie, kwaliteitsmeting is eenzaam werk. De
opleidingen zien wat wij doen als een last op hun dagelijkse
onderwijstaken. De politiek vindt de uitkomsten te genuanceerd
vaak, men heeft het liefst zwart-wit stelligheid."
Dat er misstanden zijn geconstateerd die de kwaliteit en de
status van HO en docenten niet ten goede komen, erkent Dittrich
zonder meer. Het is mer dan alleen maar een enkel incient, omdat er
af en toe iemand niet 'in control' bleek te zijn. Het debat
daarover heeft zuiverend gewerkt. "Beter Onderwijs Nederland
verdient wat dat betreft een pluim voor het agenderen daarvan. Het
was een nogal onsympathieke manier van doen, maar wel terecht",
merkte hij op.
Kwaliteitscultuur en autonomie
"De docent is door alle incidenten en nadruk op control en
protocollen eigenlijk gedegradeerd. We moeten hem en haar weer meer
op een voetstuk plaatsen." Belangrijk onderdeel van dat voetstuk is
het terugbrengen van professionele autonomie naar de docent.
"Autonomie is de belangrijkste grondstof voor kwaliteit", vond
Dittrich. "Een kwaliteitscultuur betekent dat de docent in staat is
zelf een professionele ethos te hanteren. U legt de lat, niemand
anders."
"Docenten moeten op hun eigen professionele wijze met kwaliteit
bezig zijn. Er is daarom altijd wel een teamverantwoordelijkheid
van docenten als vakgenoten in hun professie. De trots daarop moet
daarin weer terug komen: 'wij zijn ambachtslieden van het
onderwijs'. Het gaat in goed onderwijs vanuit een echte professie
immers niet om losse individuen die voor een klas staan."
Het kwetsbare HBO
Karl Dittrich wees er in het slot van zijn speech nog op dat
Nederland in de positie verkeert om kritisch naar het eigen
onderwijsstelsel te kijken. "We weten in Nederland ongelooflijk
veel over ons onderwijs. We weten het meeste over het gerealiseerde
niveau van ons onderwijs in Europa durf ik wel te zeggen."
Hij prees daarbij de HBO-monitor en betreurde dat het WO zo'n
instrument niet meer bezit. Deze transparantie heeft ook haar
nadelen. "We weten zo veel, dat we ook erg goed weten wat niet goed
gaat. Daarmee zijn we kwetsbaar door onze eigen kennis
geworden."
Tussen HBO en WO ziet Dittrich een opvallend verschil in cultuur
en omgang met kwaliteit. Daarbij noemt hij het HBO kwetsbaarder.
"In het HBO heb je leraren en collega's. In het WO onderzoekers en
concurrenten. In het HBO vindt men het belangrijk dat de student
veel leert maar het ook een beetje leuk heeft. In het WO is men
toch allereerst met elkaar in competitie, van publicaties tot
R&D-resultaten. In het HBO is een College van Bestuur de baas.
In het WO vraagt men 'wie? Hoe heet die man?' "
De hoofdpunten uit de speech van Karl Dittrich leest u
hier op de NVAO-site