Bekostiging op basis van accreditatieoordelen - een
beschouwing vanuit de accreditatiepraktijk
Kwaliteit en bekostiging
In de Strategische Agenda heeft het kabinet via
staatssecretaris Zijlstra een voorschot genomen op
'kwaliteitsbekostiging'. Voortaan wordt het hoger onderwijs voor
een beperkt deel gefinancierd op basis van 'kwaliteit'. Zo'n zeven
procent van de bekostiging van hogeronderwijsinstellingen moet
worden gekoppeld aan indicatoren zoals uitval, rendementen,
accreditatieoordelen, contacturen en de docentkwaliteit.
Deze zeven procent gaat de VVD echter niet ver genoeg. In een
uitgebreid betoog op ScienceGuide geeft onderwijswoordvoerder
Anne-Wil Lucas te kennen dat het onacceptabel is dat 93 procent van
de bekostiging blijft lopen via studentenaantallen. Volgens haar is
dat een perverse prikkel die leidt tot een kwantiteitsstreven bij
instellingen. In een inmiddels aangenomen motie pleit ze
ervoor om kwaliteitsbekostiging breder in te voeren, aan de hand
van de onafhankelijke oordelen van de NVAO. Op basis van de
accreditatieoordelen voldoende / goed / excellent kunnen
opleidingen dan meer of minder financiering krijgen. Ook pleit
Lucas voor een uitbreiding van de selectiemogelijkheden wanneer een
opleiding het oordeel 'goed' of 'excellent' krijgt.
Door haar bekostigingsvoorstel te presenteren als 'strijd tegen
perverse prikkels' gebruikt ze slimme retoriek, die ze heeft
afgekeken bij partijgenoot en oud-staatssecretaris van OCW
Mark Rutte. Diens plannen om studentenrechten drastisch in te
perken werden verkocht onder de titel 'leerrechten'. Ook in
het voorstel van Lucas kan de retoriek niet verhullen dat de inhoud
rammelt.
Wij denken dat het inbouwen van bekostigingsprikkels op
basis van accreditatieoordelen minstens zo pervers is als
bekostiging op basis van studentenaantallen. Daarnaast leidt het
gebruik van accreditatieoordelen bij selectie of bij
collegegelddifferentiatie[1] tot
uitholling van het accreditatiesysteem.
Reacties uit het veld
Een keur aan wetenschappers, deskundigen en autoriteiten heeft
zich inmiddels gebogen over de (on)zin van bekostiging op
kwaliteit. Bestuurskundige en ex-hogeronderwijstopambtenaar prof.
Roel in't Veld verbaast zich over het feit dat Zijlstra in
zijn Strategische Agenda kiest voor beleidsprikkels in de
bekostiging en noemt het 'de aankondiging van de volgende fraude'.
In't Veld stelt dat vanuit de wetenschappelijke literatuur al een
jaar of 25 bekend is dat dergelijke prikkels niet werken. De
Onderwijsraad waarschuwt in zijn reactie op de Strategische Agenda voor
'maatstaffixatie' en voor perverse effecten wanneer instellingen
financieel worden afgerekend op falen.[2] Het gaat uit van wantrouwen en er worden harde,
meetbare doelen gesteld, die het echte doel (de
onderwijskwaliteit!) doet verdwijnen achter een papieren
werkelijkheid; de regering probeert te meten wat niet meetbaar
is.
Ook vanuit de instellingen zijn zeer kritische geluiden te
horen. Voorzitter Guusje ter Horst van de HBO-raad waarschuwt
óók voor perverse effecten en een mogelijke verlaging van de
onderwijskwaliteit, juist door het gebruik van
prestatie-indicatoren bij de bekostiging. Collegevoorzitter Marcel
Wintels van Fontys noemt in het Financieel Dagblad sturen met geld
een idee-fixe. Volgens hem ontbreken simpelweg criteria en
indicatoren om prestaties eenduidig, objectief en eerlijk met
elkaar te vergelijken.
Bovendien wijst hij op de nadelige gevolgen van de grotere
bureaucratie waar dit mee gepaard zal gaan, en op het feit dat een
dergelijke vorm van bekostiging geld weghaalt waar het nodig is en
brengt naar waar men zich wel redt. Ook WHW-kenner, onderwijsjurist
en specialist op het gebied van geldstromen in het onderwijs Peter
Kwikkers doet een duit in het zakje: er is geen enkel bewijs dat
het werkt, indicatoren als 'contacttijd' zeggen niets over de
kwaliteit van het onderwijs en het voorstel van Lucas leidt tot
perverse effecten in de accreditatiesystematiek.
Het perspectief van de kwaliteitszorg
Bovenstaande argumenten zijn valide, in aanvulling daarop zijn
vanuit de praktijk van de kwaliteitszorg eveneens ernstige bezwaren
te maken. Hieronder geven wij er drie. Ten eerste veronderstelt het
bekostigen op basis van accreditatieoordelen dat deze volledig
vergelijkbaar zijn. Het is echter de vraag of dat zo is.
Ten tweede legt deze vorm van bekostiging een enorme
verantwoordelijkheid bij de panelleden; niet langer gaan zij langs
om te controleren of een opleiding voldoet aan de inhoudelijke
basiskwaliteit en daarbij nuttige verbetersuggesties te geven,
neen: hun oordeel bepaalt hoeveel geld zo'n opleiding krijgt, of
studenten geselecteerd mogen worden en/of er een hoger collegegeld
gevraagd mag worden. Het is de vraag of je die verantwoordelijkheid
bij een panel wil leggen, en het is óók de vraag of panelleden deze
verantwoordelijkheid wel willen.
Last but not leastlegt een dergelijke vorm van bekostiging een
bom onder het accreditatiestelsel. Het is voor de verbeterfunctie
van het stelsel namelijk essentieel dat opleidingen zich volledig
openstellen voor een visiterend panel. Alleen als een panel zicht
krijgt op wat er in een opleiding gebeurt, kunnen nuttige
verbetersuggesties worden gegeven waarmee de kwaliteit van het
onderwijs verhoogd kan worden. De vraag is: hoe genegen zijn
opleidingen om zichzelf bloot te geven, wanneer hun financiering
van het oordeel afhangt? Hieronder worden deze bezwaren
uitgewerkt.
Vergelijkbaarheid van oordelen
Pas sinds ongeveer een jaar[3]
krijgen opleidingen een totaaloordeel op een vierpuntsschaal:
onvoldoende, voldoende, goed of excellent. In het beoordelingskader
is gekozen voor brede standaarden en breed geformuleerde
beslisregels , die bewust veel ruimte geven aan het timmermansoog
van de panelleden. En dat is maar goed ook, want het alternatief is
een afvinklijstje waar de kwaliteit van een opleiding nooit mee
gevangen kan worden.[4] Om een
indruk te geven van de breedte van de beslisregels volgen hier de
definities voor voldoende en goed zoals gedefinieerd door de
NVAO:
Voldoende: De opleiding voldoet aan de gangbare
basiskwaliteit en vertoont over de volle breedte een acceptabel
niveau.
Goed: De opleiding steekt systematisch en over de volle
breedte uit boven de gangbare basiskwaliteit.
Opleidingen presteren echter nooit op alle punten precies even
goed, of dat nu op het niveau van de basiskwaliteit is of ruim
daarboven. Neen, iedere opleiding heeft sterke en zwakke punten, en
dus zal een panel altijd de afweging moeten maken tussen een
onvoldoende en voldoende, of tussen een goed en excellent. Soms is
dat volstrekt duidelijk, maar soms is het een dubbeltje op zijn
kant.
De grens tussen een opleiding die wel of niet aan de maat is, is
bovendien veel helderder voor een panel dan de grens tussen een
voldoende en een goed, of tussen een goed en een excellent. Wat het
nog lastiger maakt is dat het begrip 'basiskwaliteit' nooit
gedefinieerd is, wat nog meer ruimte geeft aan de panels. Panels
die ook qua samenstelling per visitatie verschillen
Verantwoordelijkheid van panelleden?
Een visitatiepanel wordt samengesteld uit een aantalpeers. In
het hbo gaat het meestal om vier personen: één of meerdere
experts uit de beroepspraktijk, iemand met relevante
onderwijsexpertise en een student. Panels bestaan doorgaans uit
gedreven mensen die vooral een bijdrage willen leveren aan de
kwaliteit van de opleiding die zij bezoeken. De voorgestelde
maatregelen maken de verantwoordelijkheid van het panel
echter vele malen groter. Ineens krijgen de leden een hele andere
taak, en bepaalt het oordeel van depeersof een opleiding mag
selecteren, hogere collegegelden mag vragen en meer of juist minder
overheidsbekostiging krijgt.
Los van de vraag of het verstandig is om dergelijke beslissingen
af te laten hangen van een relatief kleine groep mensen zitten veel
panelleden niet te wachten op deze verantwoordelijkheid. Panelleden
willen de kwaliteit van opleidingen verbeteren, maar zien de focus
op kwaliteit verlegd worden naar geld en toegankelijkheid.
Je zult als panellid maar principieel tegenstander zijn van
selectie aan de poort en plots verantwoordelijk worden
gemaakt voor de mogelijkheid van een opleiding om te selecteren. Of
er voor verantwoordelijk worden dat een opleiding een vijfvoudig
collegegeld gaat vragen. Het is maar afwachten hoe deze randzaken,
die niets met de opleidingskwaliteit te maken hebben, van invloed
zullen zijn op de beoordeling.
Recent stelde NVAO-voorzitter Karl Dittrich nog dat de peers zachter worden bij
een harder stelsel "De HO-peers durven namelijk vanwege hun
terechte neiging tot nuance en analyse niet bij een
kwaliteitsbeoordeling tot harde conclusies te komen als de gevolgen
daarvan 'digitaal' zijn. Als een opleiding geen enkele kans krijgt
bij minder goede resultaten of interne processen tot snelle
verbeteringen te komen, dan houdt men de conclusies liever vlak en
genuanceerd," aldus Dittrich op het NHOC.
Dat is ook onze ervaring. Als een besluit harde (financiële)
gevolgen heeft, kan dat het oordeel van depeersbeïnvloeden. Een
panel komt in een rare spagaat terecht wanneer het constateert dat
een opleiding te weinig docenten heeft en daarom voldoende, maar
geen hoogstaand onderwijs aflevert. Een laag oordeel zorgt er
immers voor dat de opleiding juist minder geld krijgt en zichzelf
daardoor niet kan verbeteren.
Pervertering van het accreditatiestelsel
Tot slot komen we dan bij de pervertering van het
accreditatiestelsel zelf. Want niet alleen het oordeel van de
panels kan worden beïnvloed door de extra bagage waar 'Den Haag'
het stelsel mee wil opzadelen. Een nog veel groter gevolg zal het
hebben voor de manier waarop opleidingen zich opstellen.
Wanneer de consequenties van een visitatietraject zo
ingrijpend worden op meer aspecten dan alleen de kwaliteit, zal een
opleiding waar niet alles lekker loopt er veel aan doen om dit te
verzwijgen. Een ongewenst oordeel kost in de toekomst immers bakken
met geld. Geld dat juist nodig is om het onderwijs te verbeteren.
Dit leidt onvermijdelijk totwindow dressing, het ophouden van
schone schijn en geslotenheid richting de panels , terwijl
accreditatie juist is gebaat bij openheid.
Het merkwaardige is dat iedereen dat ook weet. Nog geen jaar
geleden woedde een discussie over het al dan niet aanhouden van een
herstelperiode bij een onvoldoende oordeel op het onderdeel
'examinering en gerealiseerd eindniveau'. Het feit dat zo'n periode
er lange tijd niet was, leidde tot verhullend gedrag bij
opleidingen en vlakke oordelen van panels. Na veel discussie is de
herstelperiode uiteindelijk gered na een sterk
betoog van de Landelijke Studenten Vakbond hier
op ScienceGuide. Deze redding is echter tevergeefs als nog
geen jaar later het accreditatieoordeel op een andere manier veel
zwaarder wordt, omdat het ministerie het gebruikt bij verdeling van
de bekostiging.
Conclusie
Het accreditatiestelsel komt het beste tot zijn recht wanneer er
geen andere zaken in de weg zitten. Panelleden moeten onbevangen
een oordeel kunnen geven over de kwaliteit van de opleiding en
verbetersuggesties kunnen aandragen, zonder zich druk te
maken of hun oordeel leidt tot minder geld voor de opleiding,
selectie aan de poort of hogere collegegelden.
Opleidingen moeten zich onbevreesd kunnen blootgeven aan een
visitatiepanel, zonder angst dat dit ten koste gaat van hun
financiering. Alleen dan kan optimaal worden gekeken naar de
kwaliteit van de opleiding en kan vervolgens werk gemaakt worden
van de verbetersuggesties van depeers.
Helaas zijn inmiddels al afspraken gemaakt over de rol van
accreditatieoordelen in de hoofdlijnenakkoorden
tussen OCW en de instellingen. Wij maken ons grote zorgen over de
weg die de overheid is ingeslagen en vragen de staatssecretaris en
de Tweede Kamer om uiterst voorzichtig te zijn met het ophangen van
genoemd beleid aan de accreditaties.
Het werkt niet in de praktijk, het heeft een negatieve invloed
op de kwaliteit van de visitaties, leidt tot minder verbeteringen
op opleidingsniveau en een lagere kwaliteit van ons onderwijs.
Komende generaties gaan daar de prijs voor betalen.
János Betkó en Lisa Westerveld
János Betkó is auditor en panelsecretaris bij
evaluatiebureau Netherlands Quality Agency. Zijn dagelijkse
werkzaamheden bestaan uit het begeleiden van visitaties in het
hoger onderwijs. Lisa Westerveld heeft aan meer dan veertig
visitaties deelgenomen als studentpanellid voor de NVAO en diverse
evaluatiebureaus. Zij is werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond.
Beide waren bestuurslid van de LSVb tussen 2007 en 2009 en vanuit
die functie betrokken bij de totstandkoming van het huidige
accreditatiestelsel.
[1] Dat is een idee uit de
Strategische Agenda.
[2] Het risico voor perverse
effecten is precies de reden dat bij de voorloper van de
prestatieafspraken van Zijlstra, de Meerjarenafspraken onder
Plasterk, studenten en instellingen altijd eensgezind gepleit
hebben voor een inspanningsverplichting en nadrukkelijk géén
resultaatverplichting.
[3] Bij de ingang van het huidig
accreditatiestelsel.
[4] Bij de totstandkoming van het
huidige accreditatiestelsel is er dan ook expliciet gekozen om
afvinklijstjes te vermijden en de experts in het panel de ruimte te
geven zich te focussen op de zaken die volgens hen het belangrijkst
is.