Waterplanten en waterdiertjes verspreiden zich niet alleen via
het water zelf, ze krijgen daarvoor veel hulp van watervogels, zo
bleek uit dit Utrechts proefschrift. Die eten immers de planten en
diertjes en vliegen vervolgens soms de halve wereld over.
Charalambidou deed haar experimenten in de watervogelverblijven
van het Nederlandse Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW). Terwijl
eerder onderzoek zich voornamelijk beperkte tot de wilde eend,
besloot Charalambidou verschillende vogelsoorten te vergelijken:
meerkoet, wintertaling, smient, wilde eend, marmereend, pijlstaart,
slobeend en krooneend.
Poep verzamelen in gans Europa
Zij voerde elke vogel zaden en eitjes, en keek hoe lang die er
over doen om het darmkanaal te passeren, en hoeveel er dan nog
levensvatbaar zijn. Daaruit bleek dat de levensvatbaarheid niet
zozeer afhangt van het type watervogel, maar vooral met hoe snel ze
weer de darm verlaten. Kleine zaden en eitjes passeren de darm soms
al binnen 4 uur, en blijven veel beter intact dan grotere eitjes en
zaden, die er langer over doen.
Om te zien of dit ook in de praktijk geldt, ging de promovenda
naar wetlands in Denemarken, Engeland en Zuid-Frankrijk. Om verse
poep te verzamelen, werkte ze in teams van twee. Terwijl de ene
persoon met een verrekijker de vogel in het oog hield, schepte de
ander de poep op, om zo zeker te weten van welke vogelsoort een
poepmonster afkomstig was. In het lab werden de poepmonsters
gespoeld, gezeefd en onder de stereoscoop bekeken. Daar vond ze in
37% van de 216 uitwerpselen intacte eitjes en zaden. Veel daarvan
waren klein, in overeenstemming met wat je zou verwachten op basis
van haar experimenten.
Zaden tot 1000 kilometer ver gevlogen
Met haar onderzoek kan Charalambidou berekenen tot welke afstand
watervogels wetlands met elkaar kunnen verbinden. Al met al blijkt
dat watervogels in hun darmen eitjes van ongewervelde dieren kunnen
verspreiden over een afstand van 60 tot 300 kilometer, en misschien
incidenteel verder. Omdat de eitjes klein zijn, gaan ze snel door
de darm heen. Dat betekent een grotere kans om te ontwikkelen tot
een levend beestje, maar een minder verre verspreiding.
Voor zaden gold een afstand van 40 tot wel meer dan duizend
kilometer. Ook hier gold weer: hoe groter het zaad, hoe langer het
in de darm bleef. Dat resulteert in een kleinere levensvatbaarheid,
maar een grotere afgelegde afstand. Al met al blijft het een
kwestie van kans: als er ergens honderdduizenden vogels
neerstrijken en planten eten, kan het best gebeuren dat één vogel
één zaadje ongeschonden duizenden kilometers verder weer uitpoept
en zo de plant de gelegenheid geeft om een nieuw gebied te
koloniseren.