• A
  • A
  • 84 soorten technisch HBO?

    (foto: Calsidyrose

    (foto: Calsidyrose

    - De commissie Van Pernis wil de HBO-techniek sector verbeteren. Maar te weinig onderbouwd. Zij lijkt op “de docent die op onbegrip stuit en zich met luide stem tot de klas richt: ‘Jongens, ik zal het nog één keer uitleggen!’ Helaas, de uitleg was het probleem niet,” aldus kwaliteitszorg-expert Pieter Mostert.


    Herhaling van zetten

    De meest interessante constatering in het rapport van de Commissie Van Pernis over de toekomst van het technisch HBO is zonder meer de voetnoot op pagina 19: "In 2002 adviseerde de Werkgroep 'Verbreding Bachelor‐opleidingen HTNO' om brede bachelor opleidingen in te voeren. Het advies van die werkgroep heeft niets aan actualiteit ingeboet. De commissie bouwt er dan ook op voort."

    Maar, zo vraagt de lezer zich af, is dat advies dan toen niet opgevolgd? Waren er soms redenen voor de hogescholen om er zich weinig van aan te trekken? En is de situatie, tien jaar later, anders? Wat zijn de redenen van de commissie om aan te nemen dat het advies van toen nu wel effect heeft? Helaas, daarover lezen we in het rapport niet.

    Het rapport ontbeert elke reflectie op hoe verkenningscommissies in het hbo werken, wanneer ze wel effect hebben en wanneer niet. De commissie lijkt als de docent die op onbegrip bij zijn leerlingen stuit en zich met luide stem tot de klas richt "jongens, ik zal het nog één keer uitleggen!" Helaas, de uitleg was het probleem niet. Herhaling van de uitleg is dan ook niet de oplossing.

    Adviezen om de hbo-opleidingen te verbreden zijn er al ongeveer twintig jaar, vanaf het begin van het visitatie-stelsel. Steevast rolden er drie aanbevelingen uit:

    • de opleidingen moeten verbreden
    • de opleidingen moeten profileren
    • de kleine opleidingen moeten verdwijnen.

    Het eerste is in het hbo niet gebeurd. Er zijn in de sector Sociaal Agogisch Onderwijs enkele pogingen ondernomen om tot een brede bachelor 'Social Work' te komen, maar van de aanvankelijke euforie en vastberadenheid om dat model landelijk in te voeren was al gauw weinig over.

    Het tweede - profilering - heeft zeker plaats gevonden, maar vooral via nieuwe programma's, gericht op een specifiek werkterrein. Het is niet juist - zoals de commissie wel doet - om zulke opleidingen 'smal' te noemen. Met evenveel recht kun je het omgekeerde beweren: traditionele opleidingen als werktuigbouw of elektrotechniek zijn 'smal'; ze richten zich immers op een heel beperkt deel van het industriële productieproces. Een opleiding als "Engineering, Innovation & Design" of "Aquatische Ecotechnologie" is breed, omdat het diverse disciplines met elkaar verbindt.

    Wat is smal?

    De commissie legt niet uit wanneer een opleiding volgens haar opvatting 'smal' is, nog afgezien van de vraag of 'smal' een probleem is; ook daar gaat de commissie niet op in. Interessant in dit verband is om te beseffen, dat als je studenten vraagt wat ze aantrekkelijk vinden aan de opleiding die ze studeren, ze vrijwel zonder uitzondering zeggen "hij is lekker breed, ik kan er allerlei kanten mee uit". 'Smal opgeleid worden' komt in de perceptie van studenten vrijwel niet voor.

    Wat de derde aanbeveling betreft, af en toe verdwijnt er een kleine opleiding. Hogeschool Inholland draagt een paar over aan Hogeschool Rotterdam. Ooit heeft Hogeschool van Amsterdam de hele laboratoriumtak afgestoten en daar een paar jaar later reuze spijt van gekregen. Een weg terug was er echter niet. Het blijft bij een paar van zulke voorbeelden, in twintig jaar tijd.

    Blijkbaar is 'klein' het probleem niet. Natuurlijk moet je het als hogeschool slim organiseren. Je gaat niet een kleine opleiding optuigen met een opleidingsmanagers, een opleidingscommissie, een examencommissie, een beroepenveldcommissie, e.d.  De commissie doet alsof er een heel groot verschil is tussen de twee volgende situaties: a) diverse kleine opleidingen georganiseerd binnen één instituut; b) één opleiding, met daarbinnen diverse programma's / routes (met weinig studenten).

    Zowel financieel als in de aansturing is er tussen beide situaties in de praktijk echter geen verschil.

    Dus: óf de commissie toont aan dat momenteel studenten in het HTNO te smal worden opgeleid, óf ze toont aan dat het aanbieden van kleine opleidingen geen efficiënte besteding is van overheidsmiddelen. Voor geen van beide opvattingen staan in het rapport steekhoudende argumenten.

    Al sinds 1837 een groot succes!

    De praktijk van het hbo leert dat 'de markt' anders werkt. Een hogeschool heeft - in welk bekostigingsmodel dan ook - er belang bij om veel studenten te trekken. Studenten werf je met aansprekende namen van opleidingen: "kom bij ons en word …". Hogescholen hebben, net als elke organisatie, behoefte aan een periodieke verversing van hun producten. Zij willen niet gedwongen worden om nieuwe studenten te werven met een slogan als "werktuigbouw, al sinds 1837 een groot succes!" Liever gaat men met een inspirerend verhaal over het belang van "human technology" de boer op.

    Hogescholen hebben er te veel belang bij om die handelingsruimte niet uit handen te geven. Over titulatuur zijn mogelijk zaken te doen, maar niet over het inleveren van het huidige opleidingsassortiment. Ik zou het in elk geval elke bestuurder sterk afraden.

    De commissie maakt het zichzelf hierbij onnodig moeilijk door de door haar gewenste indeling van de opleidingen te koppelen aan de naamgeving van de diploma's: vier opleidingen betekent dus vier diploma's. Dat is wishful thinking. In het hbo is er weinig logica en nog minder consistentie in de vermelding op het diploma van wat de student heeft gestudeerd.

    Dat begint er al mee dat sommige hogescholen - waarvan vertegenwoordigers keurig meedoen aan het landelijk overleg - voor dezelfde opleiding een heel ander diploma, namelijk uit een andere sector afgeven. CMD leidt bijna overal tot een diploma van de sector HTNO, maar er zijn hogescholen die een ander diploma geven. Hetzelfde is het geval met de opleiding pedagogiek: diploma uit het domein Educatie of een uit het domein Social Work? De school mag het zeggen.

    Hogescholen willen het ook in dit soort zaken voor het zeggen hebben. Strategisch was het tot nu toe heel onverstandig om in een aantal apart geregistreerde opleidingen in het CROHO te laten omzetten in één brede registratie. Er is namelijk geen weg terug. Een fabrikant die tientallen patenten heeft op het gebied van mobiele communicatie gaat deze ook niet inleveren voor één breed patent op een bepaald typesmartphone.

    Zijn er wel 84 HBO-tech opleidingen?

    Het rapport van de commissie overtuigt niet. Dat komt door het opdienen van een oud advies, waarvan we al jaren zien dat het niet werkt, maar ook doordat de commissie de materie niet echt lijkt te beheersen. Zo spreekt ze steeds van 'opleiding'; het begrip 'studierichting' komt in het hele rapport niet voor. Maar als er één begrip in het hbo diffuus is, is het wel 'opleiding'. De opleiding Forensisch onderzoek valt bij de ene hogeschool samen met de studierichting, bij de andere hogeschool niet; daar is het een variant van een bredere studierichting.

    Dat maakt alleen al de simpele uitspraak "er zijn 84 opleidingen in het HTNO" onduidelijk. De HBO-raad komt op haar site tot slechts 60 (excl. associate degree), waarvan er meer dan 20 geen eigen landelijk profiel, bijvoorbeeld omdat het een bijzonder profiel is van of binnen een van oudsher bekende studierichting. Zie bijvoorbeeld Engineering, Design & Innovation, van de Hogeschool van Amsterdam.

    Daarmee praten we feitelijk in het HTNO over zeker niet meer dan 40 opleidingsprofielen. Is dat te veel? Ik weet dat niet. Wat ik wel weet is dat de commissie op dit terrein met meer precisie had moeten opereren en precisie is wat dit rapport mist. Zo spreekt de commissie steeds van 'licenties', als het gaat over de in het CROHO geregistreerde opleidingen. Zeker een technisch georiënteerde commissie behoort te weten dat een licentie een heel andere zakelijke verhouding regelt dan bij hbo-opleidingen het geval is. Het is alsof je in de gezondheidszorg zou zeggen dat een huisarts een licentie heeft om medicijnen voor te schrijven. Zo'n manier van spreken schept alleen maar verwarring.

    Tot slot, de bijlage

    Achterin het rapport staan 27 figuren met recente gegevens. De relatie tussen die gegevens en het betoog van de commissie blijft echter duister. Nergens, bij niet één opvatting, oordeel of advies van de commissie verwijst zij naar een van deze figuren. Ook een literatuurlijst ontbreekt; het rapport mist elke dialoog met eerdere en andere benaderingen. Het is volstrekt stand alone.

    Daarmee bevestigt het rapport een karikatuur van de technicus: kan niet reflecteren, heeft geen historisch besef, heeft geen inzicht in hoe de markt werkt en heeft alleen een knop voor 'zenden'. Gauw vergeten dit rapport.

    Pieter Mostert
    Was van 1990 - 1993 coördinator kwaliteitszorg bij de HBO-raad. Werkt sindsdien in het hbo als adviseur op het gebied van accreditatie, kwaliteitszorg en onderwijsvernieuwing.