Herhaling van zetten
De meest interessante constatering in het rapport van de Commissie Van Pernis over de
toekomst van het technisch HBO is zonder meer de voetnoot op
pagina 19: "In 2002 adviseerde de Werkgroep 'Verbreding
Bachelor‐opleidingen HTNO' om brede bachelor opleidingen in te
voeren. Het advies van die werkgroep heeft niets aan actualiteit
ingeboet. De commissie bouwt er dan ook op voort."
Maar, zo vraagt de lezer zich af, is dat advies dan toen niet
opgevolgd? Waren er soms redenen voor de hogescholen om er zich
weinig van aan te trekken? En is de situatie, tien jaar later,
anders? Wat zijn de redenen van de commissie om aan te nemen dat
het advies van toen nu wel effect heeft? Helaas, daarover lezen we
in het rapport niet.
Het rapport ontbeert elke reflectie op hoe verkenningscommissies
in het hbo werken, wanneer ze wel effect hebben en wanneer niet. De
commissie lijkt als de docent die op onbegrip bij zijn leerlingen
stuit en zich met luide stem tot de klas richt "jongens, ik zal het
nog één keer uitleggen!" Helaas, de uitleg was het probleem niet.
Herhaling van de uitleg is dan ook niet de oplossing.
Adviezen om de hbo-opleidingen te verbreden zijn er al ongeveer
twintig jaar, vanaf het begin van het visitatie-stelsel. Steevast
rolden er drie aanbevelingen uit:
- de opleidingen moeten verbreden
- de opleidingen moeten profileren
- de kleine opleidingen moeten verdwijnen.
Het eerste is in het hbo niet gebeurd. Er zijn in de sector
Sociaal Agogisch Onderwijs enkele pogingen ondernomen om tot een
brede bachelor 'Social Work' te komen, maar van de aanvankelijke
euforie en vastberadenheid om dat model landelijk in te voeren was
al gauw weinig over.
Het tweede - profilering - heeft zeker plaats gevonden, maar
vooral via nieuwe programma's, gericht op een specifiek
werkterrein. Het is niet juist - zoals de commissie wel doet - om
zulke opleidingen 'smal' te noemen. Met evenveel recht kun je het
omgekeerde beweren: traditionele opleidingen als werktuigbouw of
elektrotechniek zijn 'smal'; ze richten zich immers op een heel
beperkt deel van het industriële productieproces. Een opleiding als
"Engineering, Innovation & Design" of "Aquatische
Ecotechnologie" is breed, omdat het diverse disciplines met elkaar
verbindt.
Wat is smal?
De commissie legt niet uit wanneer een opleiding volgens haar
opvatting 'smal' is, nog afgezien van de vraag of 'smal' een
probleem is; ook daar gaat de commissie niet op in. Interessant in
dit verband is om te beseffen, dat als je studenten vraagt wat ze
aantrekkelijk vinden aan de opleiding die ze studeren, ze vrijwel
zonder uitzondering zeggen "hij is lekker breed, ik kan er allerlei
kanten mee uit". 'Smal opgeleid worden' komt in de perceptie van
studenten vrijwel niet voor.
Wat de derde aanbeveling betreft, af en toe verdwijnt er een
kleine opleiding. Hogeschool Inholland draagt een paar over aan
Hogeschool Rotterdam. Ooit heeft Hogeschool van Amsterdam de hele
laboratoriumtak afgestoten en daar een paar jaar later reuze spijt
van gekregen. Een weg terug was er echter niet. Het blijft bij een
paar van zulke voorbeelden, in twintig jaar tijd.
Blijkbaar is 'klein' het probleem niet. Natuurlijk moet je het
als hogeschool slim organiseren. Je gaat niet een kleine opleiding
optuigen met een opleidingsmanagers, een opleidingscommissie, een
examencommissie, een beroepenveldcommissie, e.d. De commissie
doet alsof er een heel groot verschil is tussen de twee volgende
situaties: a) diverse kleine opleidingen georganiseerd binnen één
instituut; b) één opleiding, met daarbinnen diverse programma's /
routes (met weinig studenten).
Zowel financieel als in de aansturing is er tussen beide
situaties in de praktijk echter geen verschil.
Dus: óf de commissie toont aan dat momenteel studenten in het
HTNO te smal worden opgeleid, óf ze toont aan dat het aanbieden van
kleine opleidingen geen efficiënte besteding is van
overheidsmiddelen. Voor geen van beide opvattingen staan in het
rapport steekhoudende argumenten.
Al sinds 1837 een groot succes!
De praktijk van het hbo leert dat 'de markt' anders werkt. Een
hogeschool heeft - in welk bekostigingsmodel dan ook - er belang
bij om veel studenten te trekken. Studenten werf je met
aansprekende namen van opleidingen: "kom bij ons en word …".
Hogescholen hebben, net als elke organisatie, behoefte aan een
periodieke verversing van hun producten. Zij willen niet gedwongen
worden om nieuwe studenten te werven met een slogan als
"werktuigbouw, al sinds 1837 een groot succes!" Liever gaat men met
een inspirerend verhaal over het belang van "human technology" de
boer op.
Hogescholen hebben er te veel belang bij om die handelingsruimte
niet uit handen te geven. Over titulatuur zijn mogelijk zaken te
doen, maar niet over het inleveren van het huidige
opleidingsassortiment. Ik zou het in elk geval elke bestuurder
sterk afraden.
De commissie maakt het zichzelf hierbij onnodig moeilijk door de
door haar gewenste indeling van de opleidingen te koppelen aan de
naamgeving van de diploma's: vier opleidingen betekent dus vier
diploma's. Dat is wishful thinking. In het hbo is er
weinig logica en nog minder consistentie in de vermelding op het
diploma van wat de student heeft gestudeerd.
Dat begint er al mee dat sommige hogescholen - waarvan
vertegenwoordigers keurig meedoen aan het landelijk overleg - voor
dezelfde opleiding een heel ander diploma, namelijk uit een andere
sector afgeven. CMD leidt bijna overal tot een diploma van de
sector HTNO, maar er zijn hogescholen die een ander diploma geven.
Hetzelfde is het geval met de opleiding pedagogiek: diploma uit het
domein Educatie of een uit het domein Social Work? De school mag
het zeggen.
Hogescholen willen het ook in dit soort zaken voor het zeggen
hebben. Strategisch was het tot nu toe heel onverstandig om in een
aantal apart geregistreerde opleidingen in het CROHO te laten
omzetten in één brede registratie. Er is namelijk geen weg terug.
Een fabrikant die tientallen patenten heeft op het gebied van
mobiele communicatie gaat deze ook niet inleveren voor één breed
patent op een bepaald typesmartphone.
Zijn er wel 84 HBO-tech opleidingen?
Het rapport van de commissie overtuigt niet. Dat komt door het
opdienen van een oud advies, waarvan we al jaren zien dat het niet
werkt, maar ook doordat de commissie de materie niet echt lijkt te
beheersen. Zo spreekt ze steeds van 'opleiding'; het begrip
'studierichting' komt in het hele rapport niet voor. Maar als er
één begrip in het hbo diffuus is, is het wel 'opleiding'. De
opleiding Forensisch onderzoek valt bij de ene hogeschool samen met
de studierichting, bij de andere hogeschool niet; daar is het een
variant van een bredere studierichting.
Dat maakt alleen al de simpele uitspraak "er zijn 84 opleidingen
in het HTNO" onduidelijk. De HBO-raad komt op haar site tot slechts
60 (excl. associate degree), waarvan er meer dan 20 geen eigen
landelijk profiel, bijvoorbeeld omdat het een bijzonder profiel is
van of binnen een van oudsher bekende studierichting. Zie
bijvoorbeeld Engineering, Design & Innovation, van de
Hogeschool van Amsterdam.
Daarmee praten we feitelijk in het HTNO over zeker niet meer dan
40 opleidingsprofielen. Is dat te veel? Ik weet dat niet. Wat ik
wel weet is dat de commissie op dit terrein met meer precisie had
moeten opereren en precisie is wat dit rapport mist. Zo spreekt de
commissie steeds van 'licenties', als het gaat over de in het CROHO
geregistreerde opleidingen. Zeker een technisch georiënteerde
commissie behoort te weten dat een licentie een heel andere
zakelijke verhouding regelt dan bij hbo-opleidingen het geval is.
Het is alsof je in de gezondheidszorg zou zeggen dat een huisarts
een licentie heeft om medicijnen voor te schrijven. Zo'n manier van
spreken schept alleen maar verwarring.
Tot slot, de bijlage
Achterin het rapport staan 27 figuren met recente gegevens. De
relatie tussen die gegevens en het betoog van de commissie blijft
echter duister. Nergens, bij niet één opvatting, oordeel of advies
van de commissie verwijst zij naar een van deze figuren. Ook een
literatuurlijst ontbreekt; het rapport mist elke dialoog met
eerdere en andere benaderingen. Het is volstrekt stand
alone.
Daarmee bevestigt het rapport een karikatuur van de technicus:
kan niet reflecteren, heeft geen historisch besef, heeft geen
inzicht in hoe de markt werkt en heeft alleen een knop voor
'zenden'. Gauw vergeten dit rapport.
Pieter Mostert
Was van 1990 - 1993 coördinator kwaliteitszorg bij de HBO-raad.
Werkt sindsdien in het hbo als adviseur op het gebied van
accreditatie, kwaliteitszorg en onderwijsvernieuwing.