• A
  • A
  • Geen WC-eend

    - Alexander Rinnooy Kan stapt op als SER-voorzitter. Hij wordt in september hoogleraar economie en bedrijfskunde aan de UvA. Somber zei hij recent: “Nederland is een treurige middenmoter en gaat nu verder afzakken, terwijl om ons heen anderen wel investeringen en visie weten te realiseren.”

    Met de KIA-coalitie schreef hij begin 2011 een advies waarin nadrukkelijk gevraagd werd om diepe investeringen in de kennissector teneinde Veerman en de motie-Hamer ook echt waar te maken. Dat kwam hem op kritiek te staan van HAN-lector Frans Nauta, het advies zou meer van hetzelfde zijn en vragen.

    Rinnooy Kan was het daar niet mee eens en ook wel een tikje beledigd door Nauta's vergelijking met de wc-eend die de wc-eend aanbeval. "Het is echt niet zo dat we alleen maar meer van hetzelfde vragen! De KIA-partners leveren zelf een bijdrage die aantoonbaar rendeert. En de prestatie-indicatoren zijn nu zo scherp, dat we elkaar ook echt kunnen en zullen houden aan de realisatie van wat we afspreken."

    LLL gaat niet beter

    Die vurigheid bij het bepleiten en verdedigen van het belang van kennisinvesteringen is een constante geweest in het werk van de SER-voorzitter en oud-rector van de Erasmus Universiteit. Wie de hitte van dat vuur zeker heeft gevoeld was Ronald Plasterk. In 2008 kwam Rinnooy Kan als SER-voorzitter met een opvallend hard advies aan het adres van de toenmalige OCW-minister

    Tegenover ScienceGuide zei de SER-voorman daar een jaar later over: "Ik vind het nog steeds goed wat we toen opschreven. Inderdaad hebben we daarin gewezen op een gebrek aan coherentie in het beleid op sommige punten. Er stonden goede onderwerpen op de agenda, maar hoe die verbonden waren met de actiepunten in het beleid riep wel eens vragen op."

    Eén van de punten waar Rinnooy Kan zich toen over uitsprak was de Nederlandse stagnatie op het gebied van LevenLangLeren, een punt dat juist nu Zijlstra de deeltijdopleidingen niet langer wil financieren weer op de agenda staat. "Ik denk dat we in elk geval kunnen vaststellen dat de arbeidsmarkt voor oudere werknemers slecht functioneert. Van daaruit komen er dus geen echte impulsen om LevenLangLeren tot een vast onderdeel van de loopbaan van mensen te maken. Daardoor gaat het niet beter en blijven de inspanningen op dat terrein min of meer stabiel, terwijl de afspraak was dat dit aanzienlijk omhoog moest."

    Als meedenker heeft Rinnooy Kan veel betekend voor hoger onderwijs en kennissector. Het advies 'Leerkracht' was bijvoorbeeld trendsettend voor de herwaardering van die professie. Hij zat de club voor die dit advies schreef. Dat gold ook voor de commissie die het BaMa-stelsel uitwerkte en klaarmaakte voor snelle invoering onder minister Hermans. Als lid van zowel de commissie-Veerman als het Innovatieplatform was zijn bijdrage van grote betekenis voor de HO-toekomst.

    Een treurige middenmoter

    Over die toekomst was hij de laatste tijd somber van toon. "Ik kan alleen maar hopen dat de regierol van de minister van EL&I beter gespeeld gaat worden dan voorheen gebeurde." SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan was "bezorgd" over visie en investeringen bij innovatie "De ambitie van de KIA is in deze kabinetsperiode niet realiseerbaar. Nederland is een treurige middenmoter en gaat nu verder afzakken, terwijl om ons heen anderen wel investeringen en visie weten te realiseren."

    Een symposium van de HBO-raad over het praktijkgericht onderzoek was voor Rinnooy Kan aanleiding de innovatieve kansen voor het HBO en zijn onderzoek optimistisch te schetsen. Maar over het daarvoor benodigde beleid lukte het hem niet zijn somberheid te verbergen. "De top 5 ambitie voor ons land kreeg in het parlement de volledige steun[met de motie-Hamer]. Dat is een opbeurend signaal. Dit moet dan niet bij voornemens blijven en dat is wat nu wel dreigt."

    Net niet minister

    Bijna was Rinnooy Kan de minister voor deze sector geweest. In het voorjaar van 2010 gaf hij aan die post te willen bekleden in een nieuwe paarsige coalitie, waarin zijn D66 zou meedoen. Die had er ook kunnen komen na de verkiezingen in juni van dat jaar, maar de besprekingen liepen stuk.

    Kort daarvoor had de SER-voorzitter een prachtig betoog gegeven over de ambitie van sommige politici om ons land qua kennisinvesteringen naar het gemiddelde van de OECD-landen te laten groeien. Die wat sardonische tekst mag bij zijn vertrek niet onvermeld blijven.

    Armenië als benchmark?

    "Vergelijking van de Nederlandse ambities met het huidige OECD gemiddelde is leerzaam. Zo zou het geen verbazing moeten wekken dat onze ambities op de basisvaardigheden van taal en rekenen uitstijgen boven het OECD gemiddelde, en daarmee boven het huidige niveau in landen als IJsland, Moldavië, Slovenië en Armenië (als het gaat om basisonderwijs) of  Oostenrijk, Ierland en Frankrijk als het gaat om voortgezet onderwijs.

    Ook onze innovatieambities op bedrijfsniveau liggen boven datzelfde OECD gemiddelde, dat op dit moment gerealiseerd wordt in landen als Slovenië en Portugal, ook landen die door Nederland te kloppen zouden moeten zijn. Dat doen we dan ook, zij het krap.

    Maar elders roept deze internationale vergelijking toch wel verrassingen op. Zo ligt de Nederlandse waardering voor ondernemerschap qua  ambitieniveau precies op het huidige OECD gemiddelde, en daar treffen wij landen als Hongarije en Malta aan, op zijn minst niet bijzonder eervol gezelschap.

    En wat betreft de uitstroom van bètastudenten van hoger onderwijs in totaal ligt het Nederlandse ambitieniveau over 5 jaar onder het huidige OECD gemiddelde, en daarmee onder het huidige niveau van landen als Italië en Portugal. Zelfs deze bescheiden analyse geeft hier en daar dus aanleiding tot enigszins schaamtevolle zelfreflectie."