Nadat bleek door klachten van onder meer het ISO, dat de
betrokken studenten al enige jaren de verkeerde informatie was
gegeven over het beroepsperspectief en de benoembaarheid als docent
in het beroepsonderwijs zijn de meest betroekken partijen bij
elkaar gaan zitten, om de gedupeerden te helpen.
"Mijn uitgangspunt hierbij was dat een oplossing recht zou
moeten doen aan de verwachtingen die bij de studenten is gewekt
door de voorlichting die ze kregen bij de start van de studie. Maar
evenzeer was uitgangspunt dat een oplossing niet mag leiden tot
onverantwoorde risico's voor de kwaliteit van het onderwijs,"
schrijft staatsecretaris Zijlstra aan de Kamer.
Hogescholen springen in
De betrokken hogescholen 'maken het goed' met deze studenten
door hen de noodzakelijke bijscholing te bieden en voor de kosten
daarvan op te draaien. "De hogescholen zullen deze aanvullende
scholing kosteloos aanbieden, en ook eventuele andere kosten
betalen, bijvoorbeeld voortvloeiend uit de
langstudeerdersmaatregel. De duur is ca. een half jaar
deeltijd."
OCW heeft hiertoe afspraken gemaakt met de vier hogescholen
- Hogeschool Utrecht, Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, Fontys
Hogescholen en de Hogeschool Leiden - "om tot een oplossing te
komen die aan die uitgangspunten recht doet."
Serie afspraken ter oplossing
De uitgewerkte afspraken worden door de staatsecretaris als
volgt aan de kamer uiteengezet:
"1. Ik zal het initiatief nemen bij u een voorstel tot
wetswijziging in te dienen waarmee de onder punt 2 beschreven
specifieke groep studenten benoembaar wordt als leraar voor het
onderwijs in tien vakken aan uitsluitend voor leerwegondersteunend
onderwijs (LWOO) geïndiceerde leerlingen in het VMBO en in het
praktijkonderwijs, mits zij aanvullende scholing met goed gevolg
hebben afgerond. Als het parlement met deze wetswijziging instemt,
is hun benoembaarheid na het succesvol doorlopen van de aanvullende
scholing dan gelijk aan de benoembaarheid die verbonden is aan de
getuigschriften van de opleiding leraar omgangskunde die tussen 1
juni 2004 en 1 augustus 2006 zijn afgegeven. Het is vervolgens aan
de werkgevers om te beoordelen of zij de leraren omgangskunde
benoemen;
2. Het gaat om de studenten Omgangskunde van de Hogeschool
Utrecht, Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, Fontys Hogescholen en
de Hogeschool Leiden die tot en met het studiejaar 2011/2012 aan de
opleiding zijn begonnen en na 1 augustus 2006 hun diploma hebben
behaald of nog zullen behalen;
3. Zij krijgen deze bevoegdheid slechts nadat zij aanvullende
scholing hebben gevolgd. De hogescholen zullen deze aanvullende
scholing kosteloos aanbieden, en ook eventuele andere kosten
betalen, bijvoorbeeld voortvloeiend uit de
langstudeerdersmaatregel. De duur is ca. een half jaar
deeltijd;
4. Voor de toekomst heb ik ook afspraken gemaakt met de
hogescholen over de voorlichting aan studenten en toekomstige
studenten Omgangskunde. De hogescholen zullen in hun voorlichting
voortaan duidelijk vermelden tot welke bevoegdheid de opleiding
leidt en wat het arbeidsmarktperspectief is voor personen met die
bevoegdheid.
Gedurende de voorbereiding en parlementaire behandeling van de
voorgestelde wetswijziging, zijn de leraren omgangskunde uit deze
groep formeel nog niet benoembaar. Om te voorkomen dat deze leraren
tot die tijd niet aangesteld kunnen worden, heb ik het voornemen
om, vooruitlopend op de totstandkoming van deze wetswijziging tot
de inwerkingtreding van de wetswijziging, af te zien van handhaving
op dit punt. Deze leraren omgangskunde kunnen dan wel worden
aangesteld, maar zij zullen vóór 01-09-2016 alsnog de aanvullende
scholing met goed gevolg moeten afronden om wettelijk benoembaar te
worden."