"Na drie uur schrijven leg ik mijn pen neer. Wat ik de afgelopen
weken heb geleerd staat nu op zeven kantjes klam papier. Terwijl de
docent alle tentamens op haalt heb je de mogelijkheid een korte
enquête in te vullen over het vak. Ik doe dat altijd, maar een
studiegenoot weigert steevast.
Zijn geheelonthouding kent geen theoretische onderbouwing, dus
tot een academisch dispuut hierover is het nog niet gekomen. Hij
ziet simpelweg het nut niet en vraagt zich af wat er in hemelsnaam
met die resultaten wordt gedaan.
Goed punt. De bestuurders hoor ik al schuchter toegeven: "Ja die
resultaten moeten we inderdaad beter terugkoppelen naar de
student". Dat is echter lang niet het belangrijkste probleem, bleek
toen ik de theorie indook.
De enquête is betrouwbaar
Over schriftelijke enquêtes onder studenten is veel onderzoek
gedaan. Sterker nog, ik vond een publicatie waarin is onderzocht
hoeveel onderzoek naar deze enquêtes is gedaan. Conclusie: heel
veel. Wat daar zoal uit blijkt? De enquête is een betrouwbaar en
valide meetinstrument voor de effectiviteit van een docent.
Dat moest ik even ontleden. Met effectiviteit van een docent
wordt de mate bedoeld waarin studenten iets leren. Zo`n enquête
meet dat dus betrouwbaar en valide. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het
volgende: Wanneer een docent wordt beoordeeld door een groep
studenten en door collega`s, dan zijn die oordelen vaak met elkaar
in overeenstemming.
Dit lijkt goed nieuws. We willen weten welke docenten in staat
zijn de studenten iets bij te brengen en dat kan blijkbaar gemeten
worden met zo`n enquête. Dat wordt dan ook volop gedaan. In
Noord-Amerika en Europa gebruikt bijna 100% van de instellingen een
schriftelijke enquête, in de rest van de wereld neemt het gebruik
toe.
Ten onder aan eigen succes
De enquête gaat echter aan haar eigen succes ten onder. Het is
niet langer een middel om te leren van studenten, terwijl het ooit
zo is begonnen. Begin vorige eeuw stelden veel docenten zelf
vragenlijstjes samen. Nu wordt dat centraler geregeld. Op de
enquête die ik vorige week invulde stonden tien vragen over de
docent. Tussen haakjes werd vermeld: indien meerdere docenten, neem
gemiddelde.
Het vak werd inderdaad door meerdere docenten gegeven, die ik
liever apart had beoordeeld. Voor de docent is het ook weinig
leerzaam, vooral ook omdat de (multi-interpretabele) vragen zelden
worden toegesneden op de individuele professionele
ontwikkeling.
Onderaan het formulier is ruimte voor overige opmerkingen. Daar
kan ik iets kwijt, specifiek over dit vak en deze docent. U praat
te zacht. U gaat te snel. Uit onderzoek blijkt dat het voor de
docent lastig is een conclusie te verbinden aan alle verschillende
opmerkingen. Er zijn experts die aan de hand van de opmerkingen de
docenten goede tips kunnen geven. Dat gebeurd echter zelden, dus
veel onderzoek concludeert: Het is een wijdverbreid misverstand dat
docenten beter gaan lesgeven naar aanleiding van de
evaluatieformulieren.
Doel onduidelijk voor studenten
Kortom, de ooit zo leerzame informele methode heeft een
transitie ondergaan. Het is nu vooral een meetinstrument waaruit
een zogenoemde performance indicator rolt. Geen vies
woord, maar bij het gebruik ervan is het oppassen geblazen.
Studenten is nu niet duidelijk wat het doel is.
Zij beoordelen een individu, maar de resultaten worden gebruikt
om docenten onderling te vergelijken. Daarnaast is het ook
denigrerend. Iedere docent is zo anders, maar de instelling geeft
de boodschap af dat je hen allemaal kan beoordelen met eenzelfde
vragenlijstje. Logisch dus dat geen docent de loftrompet blaast
voor deze methode.
Voor wie de formulieren gebruikt als performance indicator heb
ik tot slot nog een evaluatiepuntje. Volg een paar colleges en vul
dan zo`n vragenlijst in. Voelt gek hè?"
Lees alle columns van Lodewijk Berkhout hier