• A
  • A
  • Universitaire bloei

    - De universiteiten bloeien. De nieuwste Rathenau-cijfers tonen groei op alle positieve factoren: meer geld van buiten, meer goede vrouwen, scherper profiel, wetenschappelijke prestaties. De ‘werfkracht’ stijgt fors alfa én bèta. Het aantal bureaucraten daalt al tien jaar.

    Zorgelijke geluiden en klaagzangen zijn de gebruikelijke muziek in hoger onderwijs land. Gustav Mahlers jeugdwerk 'Das klagende Lied' - met groot koor en solisten - zou de nationale hymne kunnen zijn. Dan is het altijd fijn te lezen hoe de jongste cijfers en data een opbeurende realiteit schetsen.

    Het Rathenau Instituut geeft zo'n verheugend beeld in 'De  Nederlandse universiteiten. Feiten en cijfers 2012'. Dit is een science system assessment dat eens in de vier jaar verschijnt. Hierin zijn alle relevante cijfers over structuur, werk, impact en prestaties van het WO bijeengebracht.

    Die feiten en cijfers helpen - zoals zo vaak - een reeks mythen en broodjes aap onttakelen. En zij geven nieuwe inzichten en doorkijkjes  naar de realiteit van ons HO-bestel. ScienceGuide biedt een overzicht van de meest saillante punten.

    1.)   Het einde van de dip

    De jaren negentig van de vorige eeuw waren een trektocht door de woestijn, van oase naar oase, voor de universiteiten. De 'Ritzen-jaren' lieten een krimp van studenten zien. Zelfs van het aantal meisjes, ondanks de wereldwijde trend naar versnelde emancipatie en de opbloei van de kenniseconomie.

    De 'Balkenende-jaren' vertoonden een regelrechte renaissance. De opmars van de vrouwelijke studenten werd rap, een onmiskenbaar inhaaleffect van het afknijpbeleid van de paarse periode. Het aantal jongens dat het WO bezocht herstelde veel trager: pas in 2007/2008 waren er meer mannelijke studenten dan in 1990-91. Het aandeel van de WO-studenten onder de leeftijdsgenoten tussen 18 en 25 nam dan ook markant toe. Van een niveau tussen 10 en 11% tussen 1990 en 1998 naar 15% in 2011.

    Een renaissance was er ook in de geldstromen. De universiteiten slaagden erin veel aantrekkelijker te worden als investeringsobject voor maatschappelijke partners. Sinds de paarse periode is de 'onderzoeksfinanciering door derden' ruim verdubbeld naar anderhalf miljard euro. Met opvallend en opbeurend: een verdrievoudiging vanuit het bedrijfsleven ( €112 miljoen à €344 miljoen) en vanuit het buitenland (€68 miljoen à €203 miljoen).

    2.)   Girlpower

    Dat na de paarse-dip-jaren voor het eerst vrouwen minister van OCW werden - Maria van der Hoeven (CDA) en Marja van Bijsterveldt (CDA) - is niet meer dan logisch. De vrouwen hebben het WO gered uit de spiraal omlaag. Het is dan ook geen verrassing, dat vrouwen  van formaat het gezicht van de universitaire wereld zijn gaan bepalen: Yvonne van Rooy (UU), Dymph van den Boom (UvA), Pauline van der Meer Mohr (EUR), Rietje van Dam (UL) en hoogleraren als Louise Fresco, Eveline Crone, Hester Bijl en vele anderen, van Kysia Hekster tot en met Eva-Maria Westbroek.

    Het aantal meisjes dat het WO opzocht voor een studie daalde na 1993 tegen alle internationale trends in en nog meer in strijd met het formele doel van het overheidsbeleid. Het herstel vanaf 1999 was zo markant, dat in 2005 hun aandeel 50% was en sindsdien verder steeg. En niet alleen kwalitatief, bovendien.

    Vrouwen domineren waar het studiesucces meetbaar is. 50% van de bachelordiploma's gaat naar een vrouwelijke student, 62% van de doctorale diploma's , 34% van de masters en liefst 66% van de wetenschappelijke vervolgdiploma's. 45% van de promovendi is een vrouw inmiddels.

    Bij het wetenschappelijk personeel blijft het beeld meer nostalgisch. Het hoogleraarsambt is in ons land als dat ene dorpje in Gallië waar Caesar - of beter Cleopatra - nog stuit op Asterix en Obelix met hun toverdrank. Het aantal vrouwelijke professoren kwam pas in 2006 boven de 10% van het totaal. Meest recente percentage: 13,3% (2010). "Te gering om de eerder afgesproken streefwaarde van 15 procent in 2010 te halen," meldt het Rathenau Instituut droogjes.

    Kampioen is de Universiteit Maastricht: 47,6% vrouwen in het wetenschappelijk personeel. Rode lantaarn drager is de TU Delft: 22,2%.

    3.)   Overhead ten koste van kennis?

    Een heel couplet van 'Das klagende Lied' gaat over de opmars van de managers, over de verstikkende bureaucratie en de vele nietsnutten die de plaatsen innemen van de oprechte wetenschappers aan de universiteiten. De Rathenau-cijfers zijn fraai ontnuchterend.

    Het aantal ingeschreven studenten steeg sinds 2000 van 166.999 naar 241.686. Het aantal fte wetenschappelijk personeel steeg sinds 2000 van 21.892 naar 24.321. Het aantal fte 'ondersteunend en beheerspersoneel' daalde sinds 2000 van 20.222 naar 18.646. Dus van 1 'bureaucraat' per 8 studenten naar 1 'manager' per 17 studenten. Zoiets heet efficiencywinst en minder overhead, dankzij schaalvergroting.

    4.)   Profiel en attractie

    Wat betekent de toegenomen toestroom van talent en geld voor het gezicht van de universiteit? Rathenau berekent op basis van de onderzoeksinzet-data hoe zich de 'werfkracht' per discipline heeft ontwikkeld. Dit biedt meteen een relevant, feitelijk beeld van het profiel van de universiteiten aan de hand van hun prestaties en zwaartepunten. Voor de opstellers van de prestatieafspraken én voor de Review Commissie Van Vught biedt dit dan ook boeiende informatie.

    In grote lijnen blijkt zowel de wetenschappelijke als de maatschappelijke werfkracht gestegen. Markant gestegen zijn de wetenschappelijke werfkracht in het alfa-domein en de maatschappelijke werfkracht in het bèta-domein, beide met zo'n 50%.

    De universiteiten hebben de voorbije tien jaar "een lichte specialisatie" ontwikkeld in hun soorten werfkracht op investeringen in kennisproductie. Zo hebben Leiden, de UvA en de UU relatief bovengemiddeld gescoord bij programma's als 'Vernieuwingsimpuls' van NWO, in lijn met hun hoge wetenschappelijke werfkracht. Van alle universiteiten biedt de Rathenau-assessment een indruk van de trends in hun werfkracht en profielontwikkeling. Een samenvatting daarvan levert het volgende beeld van profiel en aard van de werfkracht per instelling:

    "In tien jaar tijd heeft een lichte specialisatie plaats gevonden in het type werfkracht van de universiteiten. De TiU is meer gericht op eerste geldstroom (Onderwijzend); de UvA richt zich op tweede geldstroom (Wetenschappelijk); de TUD is meer gericht op derde geldstroom (Maatschappelijk); en de RU richt zich op tweede en derde geldstroom (Ondernemend).

    Verschuivingen hebben plaatsgevonden bij de: 

    - UL: van Onderwijzend naar Ondernemend

    - TU/e: van Onderwijzend naar Ondernemend

    - VU: van Onderwijzend naar Ondernemend

    - UU: van Onderwijzend naar Wetenschappelijk

    - RUG: van Wetenschappelijk naar Onderwijzend

    - UM: van Maatschappelijk naar Onderwijzend

    - EUR: van Maatschappelijk naar Onderwijzend

    - UT: van Ondernemend naar Maatschappelijk

    - WUR: van Ondernemend naar Maatschappelijk"

    Een volledig overzicht van de Rathenau-cijfers leest u hier