Aanbeveling 7 van de Commissie Veerman in haar rapport
(Differentiëren in drievoud, 2010) luidde voor zover hier van
belang: "Bachelor- en mastergraden blijven wettelijk beschermd,
maar de instelling kiest het predicaat dat past bij het profiel van
de opleiding en verantwoordt zich daarover bij de accreditatie".
Dit was altijd al, en het is daarmee een bewijs dat Nederland
eerder went aan de euro dan aan Bachelors en Masters.
Bij wijzigingswet van 6 juni 2002 (Stb. 2002, 303) werden die
beide in Nederland ingevoerd, tegelijk met de accreditatiemethode
(Stb. 2002, 302). In oppervlakkige memories van toelichting en een
haastig gevoerde parlementaire behandeling is dit koppel verkocht
als een (niet-bestaande) verplichting uit het (ook al niet
bestaand) Bologna-verdrag.
Dat leverde ook vreemde discussies op omdat bama-structuur,
bama-graden en accreditatie 'technisch' volkomen los van elkaar
staan. Er heerst nog steeds spraakverwarring bij werkgevers,
beleidmakers, onderwijsmakers en de wetgever. Het verschil tussen
de bama-onderwijsstructuur en de bama-titulatuur is kennelijk
subtiel. Daarom recapituleer ik:
- De bama-structuur betreft
de hoofdstructuur van een onderwijsprogramma van een universiteit
of hogeschool.
- Accreditatie van een
opleiding (ba of ma) betreft een kwalititeitskeurmerk van de
overheid waaraan bepaalde rechtsgevolgen zijn verbonden.
- Bachelor en Master zijn
Angelsaksische graden; drs. ir, ing. en mr. Nederlandse titels. Dit
betreft titulatuur: herkenbaarheid en bescherming in het
maatschappelijk verkeer.
Grappig in dit kader is dat de reparatie- en herstelcursussen
voor studenten en afgestudeerden aanbacheloropleidingen die in
accreditatieproblemen kwamen, van wie studiepunten en
getuigschriften "onwaardig" zijn verklaard, door de desbetreffende
hogescholen 'masterclasses' zijn genoemd. Rendement- en
excellentiebeleid blijken een scherp inflatoir effect te kunnen
hebben (zie Accreditatie of Herexamen? In Expertise 2012 nr.
2).
Waarom bama?
Kort voor de behandeling van het BaMa-wetsvoorstel door de
Eerste Kamer, schreef ik: "Bachelor/master: De titels van de
keizer?" (Thema 2002 nr. 1, p. 25-27): een oproep om op die
policy borrowing nog eens te reflecteren. Moest dat wel
zo, kon het niet beter, wat zouden de gevolgen zijn voor het
binaire stelsel wo-hbo, en zouden de nuttige functies van de
propedeuse (oriënteren, selecteren, verwijzen) niet worden
uitgehold? Ik vreesde ook dat de nieuwe "gedeelde" opleidingen
aangrijpingspunt zouden worden voor kwestieus beleid en
bezuinigingsoperaties.
Voordat de complexe bama-wet in de Kamer was behandeld, was de
bama-structuur door de universiteiten al half ingevoerd. Dit kon
binnen de 'oude' WHW en zonder de 100 miljoen gulden subsidie die
ervoor werd uitgetrokken. De bama-structuur betreft immers
onderwijsstructuur en curriculumbouw en die behoren tot de
verantwoordelijkheid van de instelling. De wetswijziging
beïnvloedde dus alleen de terminologie; niet de inhoud. Echter: de
wijzigingswet beperkte toch de onderwijskundige inrichtings- en
profileringsvrijheid omdat ongedeelde opleidingen werden
verboden.
Voor de bepleite flexibiliteit en profilering was de bama-wet
ook niet nodig, want die zijn afhankelijk van elementen zoals
modulering, keuzevrijheid, financiering, toegankelijkheid,
doorstroom- en overstapmogelijkheden, en ook het vrij verkeer zoals
de EU en het Hof van Justitie borgen (zie voor dat laatste A space
for the higher education area, in Higher Eduction Policy, 2012 25
p. 39-63).
De wetgever had zich dus kunnen beperken tot de titulatuur. Maar
op dit punt was het overbodig. Artikel 7.21 WHW bepaalde al sinds
1993 dat afgestudeerden van universiteit en hogeschool tevens
gerechtigd zijn om de titel Master, respectievelijk Bachelor, te
voeren in plaats van de drs, ing, ir of mr. Het bama-wetsvoorstel
hoefde dus hooguit artikel 7.21 zo aan te vullen, dat instellingen
ook direct bama-graden aan studenten zouden mogen verlenen.
Er was één geluk. Al sinds ik ook buiten het Nederlandse
taalgebied actief ben, vanaf 1989, biedt het LLM achter mijn naam
uitkomst. Ik mocht na 2002 mijn vertrouwde Nederlandse titel gewoon
blijven gebruiken en blijf dus meester in de rechten (al maakt die
titel soms in de onderwijswereld enige uitleg over mijn werk
noodzakelijk).
Waarom bama? (vervolg)
Argumenten van uitwisselbaarheid en internationalisering en het
inruilen van de ingeburgerde titulatuur voor de Angelsaksische
benaming ontbraken. Verengelsing was niet nodig om internationale
transparantie en uitwisselbaarheid te bevorderen. Die leidde juist
tot een wirwar van predicaten achter de M of B, waarvoor zelfs een
Commissie (Abrahamsen) in het rapport 'Bridging the Gap' geen goede
oplossing wist.
Die misvatting lag al besloten in de door slechts de vier grote
EU-Lidstaten - Engeland, Frankrijk, Duitsland en Italië -
opgestelde Sorbonne Verklaring van 1998. Destijdse regelgeving
faciliteerde het internationale systeem van diplomawaardering en
-erkenning dat nationale getuigschriften over landsgrenzen heen
vertaalt.
Dit continentaal Europese systeem is verfijnd ingevuld door
EU-richtlijnen, internationale conventies zoals van de Raad van
Europa, en uitvoeringsorganen zoals NUFFIC, die zich met waardering
en erkenning bezighouden. Met het European Credit Transfer System
en de internationalisering van kwaliteitsborging, loste dit
eigenlijk alle belemmeringen voor internationale mobiliteit
op.
Dit op inhoudelijke kwaliteitsvergelijking gebaseerd stelsel, is
onder druk door de afgedwongen stelseluniformiteit. Iets wat niet
op elkaar leek, lijkt bij toverspreuk nu wel op elkaar. Zelf binnen
de Angelsaksische wereld van het twee-graden-stelsel bestaan sterke
inhoudelijke afwijkingen, waardoor wederzijdse diploma-erkenning
noodzakelijk blijft. Ook de Bologna Verklaring die beloofde om een
systeem van diploma's gebaseerd op twee cycli wettelijk te
verankeren, en de nieuwe initiatieven zoals U-Map, U-Multirank en
AHELO, doen daaraan niet af.
Terzijde: niet heel ambtelijk OCenW was in 1999 overtuigd dat de
toen net aangetreden minister Hermans "Bologna" ongewijzigd had
moeten tekenen; Nederland voldeed al geheel aan de strekking; het
twee-cycli-systeem verdroeg zich goed met Nederlandse regeling van
titulatuur en programmastructuur. Dit los van het feit dat de
Nederlandse wetgever zich bij voorkeur van het Nederlands zou
moeten bedienen.
Er is in 2002 meer niet doorgerekend.
- De U-bochtconstructie
waarmee hogescholen door samenwerking met een Engelse universiteit
- altijd eenformer polytechnic- die eerst fel was bestreden, werd
feitelijk gelegaliseerd (terwijl legitieme inhoudelijke trajecten
zoals van de NHTV ook daarna nog steeds door de IBG werden
tegengehouden).
- Samenwerking tussen
universiteit en hogeschool werd minder logisch, want als
universiteiten èn hogescholen masters en bachelors opleiden,
ontvallen redenen voor op complementariteit gebaseerde
institutionele taakafspraken.
- Het dilemma of en in
hoeverre hogescholen (bekostigde) masteropleidingen mogen
verzorgen, leidt tot verschraling, kwaliteitsverlies, selectie- en
schaalproblemen bij universiteiten èn hogescholen en leidt tot een
onhelder binair bestel. De vraag is dan wie de ware bachelor en wie
de ware master opleidt. Universiteiten hebben voor beide de betere
kaarten en willen (mede daarom) nu hun sterk gestegen instroom
eerder beperken.
- Toepassing van bama in een
binair stelsel (dat hebben de Angelsaksische landen niet of niet
meer) betekende geharrewar over BA-wo, B-hbo en MA-wo en
(onbekostigd of bekostigd) M-hbo, en over predicaten:
achtervoegsels die moeten aanduiden in welk vakgebied is
afgestudeerd.
- De universitaire bachelor
wordt een uitstroommoment als wo-studenten dan hun in feite
onafgeronde opleiding afbreken. In een gespannen arbeidsmarkt is
die kans groter dan in een conjuncturele flauwte, maar juist dan
hebben - blijkt nu ook - op studenten afgewentelde bezuinigingen
een negatieve impact.
Tijdens de Kamerbehandeling in 2002 verklaarden alle fracties
zich voor "het bama-stelsel", vanwege de veronderstelde bevordering
van internationale mobiliteit; versterking van de internationale
concurrentiekracht; internationale standaardisatie, transparanter
onderwijsaanbod, doorstroom wo-hbo en hoger kwaliteit. Hier worden
nog meer voorspelde teleurstellingen zichtbaar.
Niet uniforme titulatuur vormde nauwelijks een belemmerende
factor, maar uniformiteit vermindert misschien wel internationale
mobiliteit omdat een drijfveer wegvalt om vanwege die andere graad
in het buitenland te studeren. Dat bama-titulatuur de
internationale concurrentiekracht van instellingen versterkt,
overtuigt evenmin; dat kon al via internationale samenwerking en
via artikel 7.21 WHW.
Hier helpen veeleer is adequate financiering,
kwaliteitsverbetering van onderwijs, versterking van de onderwijs-
en onderzoekinfrastructuur, en intelligentere internationale
marketing (bijvoorbeeld niet bedelen bij ons belangrijkste
exportland omdat er een paar Duitsers in Nederland studeren; dat
was gênant en onslim).
Terminologische standaardisatie brengt geen internationale
transparantie of harmonisatie van curricula teweeg, als we dat al
wenselijk moeten vinden. Elk land heeft eigen regels daarvoor.
Internationale diplomawaardering en erkenning kunnen nooit
vervallen. Dat is immers gericht op curriculumvergelijking en op
bewijzen van vertrouwen in elkaars ho-stelsels. Uniforme benaming
verhult kwaliteits- en oriëntatieverschillen landen en dat loopt
uiteindelijk vast in distorsies.
Is bama-onderwijs beter hoger
onderwijs?
Is het hoger onderwijsnade wetten van 2002 beter geworden zoals
dit door minister Hermans plechtig aan het Nederlandse Parlement
was beloofd? Berichten in media doen daaraan twijfelen, maar als
straks excellentie extra wordt bekostigd zal er ook wel beter
onderwijs komen (formeel gezien).
Is het hoger onderwijsdoorbama en accreditatie beter geworden?
Hiervoor is nog geen bewijs gevonden.
Zijn hierdoor internationale mobiliteit en internationale
vergelijkbaarheid verbeterd? Het is de vraag. Alleen al het feit
dat men in het buitenland veelal het model van 3 jaar Ba + 2 jaar
Ma hanteert en Nederland de competitie met andere kenniseconomieën
aangaat met een 4-jarige B-hbo en een meestal 3+1-jarige
universitaire Ba/Ma, fronst buitenlandse wenkbrauwen. Dit wordt
niet gezien als kwaliteitsslag maar als bezuiniging op inhoud en
kwaliteit.
Mijn vrees dat de bama-split aangrijpingspunt biedt voor
kwestieus beleid en bezuiniging blijkt terecht te zijn geweest.
Daarvan getuigen beleidsinitiatieven zoals de langstudeerdersboete,
de studentonvriendelijke harde knip, de Ba-wo als eindniveau en
uitstroommoment, het beleid rond pre- en doorstroom-masters, het
a-sociaal leenstelsel, en ander belemmerend beleid van instellingen
en overheid.
De bama-wet leverde dus geen aantoonbaar beter onderwijs, en
zeker geen aantoonbaar beter beleid. Of echter de wereld mooier zou
zijn geweest onder de vigeur van de ongedeelde opleidingen en de
vanouds bekende titulatuur, kan evenmin worden bewezen. Er is in de
overgangsperiode van bama en accreditatie door onderwijsmakers wel
veel over onderwijs nagedacht. En dat is altijd goed.
Peter Kwikkers is consultant bij TriasNet en was als
ambtenaar van het ministerie van OCW één van de auteurs van de
WHW.
Op 13 juni gaan in Spui25 onder meer Hans Adriaansens en andere HO-kenners met
elkaar in debat over 10 jaar bachelor masterstructuur. Dit ter
gelegenheid van de presentatie van de ASVA-bundel '10 jaar
BaMa)