In 'Kennis die werkt' worden de meest recente feiten, en cijfers
en managementinformatie over het HBO bijeengebracht. De HBO-raad
vergelijkt deze waar mogelijk in een lange termijn
meerjarenperspectief. Zeker zo interessant is de vergelijking met
andere publieke sectoren.
Overhead niet kostenverslindend
Zo blijkt de overhead in het HBO niet een kostenverslindend
geheel van uitgaven die verdwijnen in 'de leemlagen' van bobo's en
managers. Een regelmatig herhaalde meting laat zien dat zo'n 76%
van de personele uitgaven naar functies en taken voor onderwijs,
onderzoek en onderwijsondersteuning gaat.
De 24% resterende kosten liggen daarmee als overhead aanzienlijk
lager dan die bij gemeenten en woningcorporaties, ongeveer de helft
minder. Veel hoger zijn de overheadkosten bij de ministeries in Den
Haag. Een hogeschool is kortom geen Vestia.
Kosten voor gebouwen gedaald
Nog opvallender zijn de feiten rond de kosten voor de gebouwen.
De beeldvorming wil nog wel eens suggereren dat in het HBO allerlei
ijdele bestuurders vooral bezig zijn met het neerzetten van hun
eigen monumenten. Flamboyante nieuwbouw en bouwkundige hoogstandjes
zouden ten koste gaan van de docent voor de klas. De cijfers en de
trend zijn gans anders.
Toen OCW het eigendom van de HBO-gebouwen afstootte en overdroeg
aan de instellingen zelf, was dit een majeure bezuiniging. Immers,
in 1996 ging 12% van het totale budget op aan huisvestingslasten.
Het beeld is nu markant anders.
De nieuwe eigenaren, het HBO zelf, hebben de belastingbetalers
en de onderwijsmensen in de hogescholen zelf een flinke meevaller
bezorgd. Sinds 1996 dalen de kosten voor gebouwen en huisvesting
met zo'n half procent per jaar. In 2010 was het bedrag geen 12%
meer, maar 6,5% van het totaal van de HBO-uitgaven oftewel bijna
een halvering.
Studenten beter bediend
Deze forse trend omlaag is niet ontstaan doordat men oude,
vervallen locaties overeind hield om de kosten te drukken. De
expansie van het HBO naar meer dan 400.000 studenten heeft zowel
forse innovatie van de gebouwen als veel meer doelmatigheid daarvan
mogelijk gemaakt. De 'winst' door kostenbeperking is gegaan naar
extra docenten en onderzoekers die de toevloed van studenten konden
opvangen. Van stenen naar studenten, van 88% naar 93,5% uitgaven
voor onderwijs en ondersteuning.
Die studenten worden in het HBO intensiever en beter bediend dan
voorheen. De nieuwste cijfers laten een trendbreuk zien. 84% van de
opleidingen biedt hun eerstejaars meer uren college dan 10 per
week. Het effect daarvan is fors: gemiddeld gaven HBO-docenten in
2010 twee à vier uur per week meer college dan in 2007.
Bijna 50% van de eerstejaars krijgt 10 tot 15 uur college per
week, terwijl het aantal studenten dat 15 tot 20 uur kreeg met 50%
toenam, van 16% naar 24%. Ook in het tweede jaar is de
intensivering stevig: een stijging van 16 uur naar 20 uur per week
gemiddeld over heel het HBO, 25% meer dus.
Docent hoger opgeleid
Meer college per week wordt gegeven door beter opgeleide
docenten. 95% van hen geniet van de inhoud waar hun werk voor
staat, een droomcijfer. Bijna nog opvallender: 83% zegt dat hun
eigen invloed op die inhoud van hun professie binnen de hogeschool
voldoet. De machtige, alles belemmerende leemlagen zijn blijkbaar
een verhaal dat voor velen binnen het HBO niet hun feitelijke
werkelijkheid weerspiegelt. Zij sturen zelf op vakinhouden waar ze
enthousiast over zijn.
De HBO-docent is meer en meer echt een hoogwaardige
kenniswerker. Was in 2005 nog een nipte meerderheid iemand met een
bachelor-graad, nu is dat nog 35%. Het aantal gepromoveerden is
sindsdien ongeveer verdrievoudigd, tot bijna 10%, de docenten met
een mastergraad zijn inmiddels de meerderheid met 55%.
De publicatie 'Kennis die werkt' leest u hier