• A
  • A
  • Polderen of pieken

    - Wie is er verantwoordelijk voor een ambitieuze studiecultuur, vraagt HvA-lector Marco Snoek zich af na het ASVA Excellentie-symposium. “Samen aan de slag, elkaar uitdagen en oprekken, leren met en van elkaar. Als je je deel voelt van zo’n leergemeenschap, dan haal je het niet in je hoofd om weg te blijven.”

    Snoek sprak in het slotpanel van dit symposium, samen met onder meer NVAO-voorman Karl Dittrich, AUC-decaan Marijk van der Wende en Thieu Besselink van het Learning Lab. Zijn reflecties schreef hij nadien nog eens op voor ScienceGuide en leest u hier. 

    "Het ASVA Onderwijssymposium op 9 mei in de Brakke Grond in Amsterdam had betrekking op een actueel thema: de overheid stuurt steeds meer op excellentie van leerlingen, studenten, leraren en opleidingen. Hogescholen en universiteiten zijn druk bezig met de implementatie van excellentie- en honoursprogramma's en door de druk op de arbeidsmarkt voelen studenten steeds meer druk om zich te onderscheiden van medestudenten. 

    Dat laatste zorgde ook voor enige verwarring tijdens het symposium: gaat het nu vooral om een manier om je te onderscheiden van het grauw van zesjesjagers in de collegebanken - en dus om uitdaging voor een selecte groep - of is het doel om een excellente cultuur voor alle studenten te creëren, een cultuur waar je zonder voorbereiding het college niet meer binnenkomt.

    Karl Dittrich was ten aanzien van dat laatste wat pessimistisch: je zult er rekening mee moeten houden dat een deel van de studenten andere prioriteiten stelt en dus niet bereid zal zijn zich overmatig in te spannen. 

    Het symposium leidde tot een interessante gedachtewisseling over oorzaken van een zesjescultuur, wenselijke oplossingen, voorbeelden van good practice en stappen die individuele studenten en de ASVA als studentenvakbond in de komende tijd zouden kunnen zetten. 

    Daarbij kwamen een aantal dilemma's naar boven: 

    Controleren of excelleren 

    Vanuit zorgen over het niveau van opleidingen en afgestudeerden wordt in toenemende mate de nadruk gelegd op controle op kwaliteit en prestatie. Vanuit die behoefte aan controle is een sterke neiging om meetbare minimumprestaties te formuleren, in de vorm van minimumprestaties van instellingen, minimumeisen aan didactische kwaliteit of kennis van docenten (BKO!) en minimumkennisbases en -competenties van studenten in het hoger onderwijs.

    Gevolg is dat alle inspanningen van instellingen, docenten en studenten gericht zijn op het behalen van dat minimumniveau, waardoor er ongewild snel sprake is van een minimumcultuur. De vraag is waar de prikkels zijn om dat minimumniveau te laten voor wat het is, en te gaan voor het maximum vanuit het perspectief dat de sky de limit is.

    Niet alle aandacht voor minimaal 1040 uur in het voortgezet onderwijs of 20 contacturen per week in het HBO, maar de vraag hoe je de leertijd kan maximaliseren met de ambitie om er 2000 uur op jaarbasis of 60 uur op weekbasis van te maken. 

    Nu is de wereld niet perfect, en een zekere mate van controle zal altijd nodig zijn. Maar een groot probleem is dat controleren gepaard gaat met bureaucratieën die mensen gijzelen. Doordat er een (kleine) groep studenten, docenten of instellingen is die de vrijheid en verantwoordelijk niet aankunnen, worden mechanismen bedacht die vervolgens aan iedereen opgelegd worden en de groep die wel uitstekend zorg kan dragen voor zelfsturing beknot en dwingt tot calculerend gedrag. 

    Polderen of pieken 

    Een deel van het probleem is de Hollandse poldercultuur, waar je met je hoofd niet boven NAP mag uitsteken. De vraag kwam in het symposium op of je Amerikaanse competitieve modellen zomaar kun toepassen in de Nederlandse modder die alles naar beneden zuigt. De drang naar gelijkheid verschilt van sector tot sector. Zo hebben in het HBO sectoren als onderwijs en sociaal agogisch werk veel meer last van maaivelden, dan economische sectoren waar competitie veel normaler is. De UvA en HvA nemen schoorvoeten competities op in hun beleid (docent van het jaar, researchbattles, etc.), maar het enthousiasme is nog niet breed. 

    Terwijl we klagen over een zesjescultuur bij studenten, ontbreekt het in onderwijsorganisaties als geheel aan structuren die uitdagen tot pieken in plaats van polderen. Niet voor niets zijn de onderwijsvakbonden fel tegen prestatiebeloning in het onderwijs.

    Voor docenten dagen de huidige functiebeschrijvingen niet echt uit tot excelleren: termen als passie en bevlogenheid kom je daar niet in tegen, de nadruk ligt op het zorgen dat alle studenten de programmadoelen halen en niet op het streven om het maximale uit iedere student te halen. 

    Qua carrièreperspectief is wel aandacht voor Management Development trajecten, maar voor docenten ligt de nadruk op de Basis Kwalificatie Onderwijs in plaats op Docent Development trajecten. Functieprofielen zoals Docent 1, 2 en 3  onderscheiden zich vooral door taken die niets te maken hebben met de directe interactie met studenten. Een docent die uit elke student het beste weet los te maken, komt volgens de functieprofielen niet direct in aanmerking voor een hogere schaal of carrièrestap. 

    Daarmee heeft de hele hoger-onderwijscultuur last van een gebrek aan uitdaging. Dat we in zo'n omgeving het excelleren van studenten niet bevorderen is dan niet verwonderlijk. 

    Aanspreken of afwachten

    Het is de vraag wie er verantwoordelijk is voor het creëren van een excellent leertraject. Als te makkelijk wordt die verantwoordelijkheid gelegd bij de universiteit, hogeschool, bij de opleiding, bij de docent. Onder die neiging ligt een fundamentele consumentengedachte. De student koopt een product en de instelling moet zorgen dat dat product van optimale kwaliteit is. En gelukkig is er dan nog een externe marktbewaker in de vorm van de NVAO.

    Daarmee wordt echter voorbij gegaan van het feit dat leren per definitie een interactief proces is, waarin uiteindelijk niet de docent bepalend is, maar de student. Zoals je een huisarts niet kunt afrekenen op de gezondheid van de patiënt - de patiënt kiest immers zelf of hij gezondheidsadviezen wel of niet of volgt, of hij wel of niet stopt met roken - kun je een docent niet afrekenen op het leerresultaat van zijn of haar student. Willen excelleren is immers een keuze. Wel kun je de docent aanspreken op de mate waarin hij de student uitdaagt tot die keuze en hem daarbij faciliteert. 

    Op het moment dat een student zich onvoldoende uitgedaagd voelt of last heeft van medestudenten die zich niet inspannen, is het daarom ook de vraag wie daar actie in moet ondernemen. En wie zich in een slachtofferrol laat drukken.

    In het onderwijs is jarenlang de neiging geweest dat docenten machteloos wachten tot schoolleiders en besturen acties ondernemen en de oplossingen aandragen voor problemen die ze in hun praktijk tegenkomen. Tot schoolleiders die onderpresterende docenten die bij iedereen in het team bekend zijn, aanspreken.

    Langzamerhand komt daar verandering in. Leraren organiseren zich in beroepsgroepen als de Beroepsvereniging MBO en ontworstelen zich aan het gemopper en de slachtofferrol (Leraren met Lef) en beseffen meer en meer dat als ze vinden dat het anders moet, ze daar zelf de belangrijkste sleutels voor in handen hebben. 

    Dat ze zelf zwakke collega's kunnen en moeten aanspreken. Van studenten die willen excelleren kan hetzelfde verwacht worden: zelf binnen de enorme kennis- en inspiratiebanken van hogescholen en universiteiten de leermomenten organiseren (via leergroepen, studiegroepen, etc.), zelf inspirerende en bevlogen docenten aan zich proberen te binden, en samen met ondernemende docenten experimenteren met innovatieve projecten en nieuwe leeromgevingen. En zelf lamlendige medestudenten aanspreken op hun gedrag. Het gaat immers om jouw leerproces, wat je niet moet laten afhangen van anderen!

    Wat stuurt de excellentie?

    Tijdens het symposium kwamen verschillende onderwijsmodellen langs. Jet Bussemaker, rector van de HvA, benadrukte dat we weg moeten van het ego-gestuurde onderwijs, waarbij de individuele docent zijn individuele hobby beoefent, en Jet en Marijk van der Wende van het Amsterdam University College pleitten samen voor programma- en team-gestuurd onderwijs, waarbij een team verantwoordelijk is voor het formuleren van de onderwijsdoelen en de wijze waarop die doelen met studenten bereikt worden,

    Thieu Besselink van het Learning Lab pleitte voor een ontwerp- en projectgestuurde aanpak, waarin studenten en docenten samen een taai probleem aanpakken en op zoek gaan naar nieuwe nog-niet-bestaande oplossingen.

    Welk model je ook kiest, als het gaat om het faciliteren van leren, wat in alle drie modellen toch de bedoeling is, dan moet er in ieder geval sprake zijn van wat de Amerikaanse hoogleraar McCuddy een ontwikkeling-gestuurde aanpak noemt. Een aanpak die gericht is op de 'zone van de naaste ontwikkeling' van iedere student, op het ontregelen, het uit de comfortzone halen van de student om die daarmee tot het uiterste te drijven.

    Dat heeft overigens niet alleen betrekking op het gegeven onderwijs, maar ook op de toetsing en beoordeling, want niets stuurt het leren en het al of niet excelleren zozeer als de wijze waarop de leerprestaties uiteindelijk beoordeeld zullen worden. Opvallend was dat dit aspect tijdens het ASVA onderwijscongres nog in het geheel niet aan de orde kwam.

    Opdreunen of knallen

    Naar aanleiding van een presentatie vanuit het Amsterdam University College kwam het vraagstuk van aanwezigheidplicht aan de orde: in welke mate is aanwezigheidsplicht bij colleges wenselijk: leidt het niet tot een beknotting van vrijheid, tot nog grotere ordeproblemen bij colleges, en tot een onwenselijke verschoolsing en infantilisering van de universiteit? Marijk van der Wende gaf aan dat het een typisch Nederlands vraagstuk is: in Amerika is het vanzelfsprekend dat je bij een college aanwezig bent, jouw docent is daar immers ook! 

    Tegelijk is een klacht van veel studenten dat in colleges het boek of de reader nog een keer voorgelezen wordt. Het is de vraag wat voor zin aanwezigheidsplicht dan heeft, als het college geen of weinig toegevoegde waarde heeft. Aanwezigheidsplicht heeft toch altijd iets van de misvatting in zich dat leren alleen plaats vindt als er een docent aanwezig is die zijn kennis uitstort over de aanwezigen. In het hoger onderwijs van tegenwoordig zijn we die misvatting toch allang kwijt? 

    Toch heeft aanwezigheidsplicht ook zijn goede kanten: het stelt hoge eisen aan docenten, ze zullen moeten knallen, aanwezigen op het puntje van hun stoel moeten laten zitten en hersenen overuren laten maken. Alleen zo hebben hoorcolleges meerwaarde en dagen ze uit tot excelleren. 

    Dat betekent alleen misschien wel dat zowel de docenten als studenten dan ook iets meer voorbereidingstijd nodig hebben dan ze op dit moment in veel gevallen hebben of nemen.

    Aanwezigheid van studenten en docenten in één ruimte biedt ook nog andere mogelijkheden: leren met en van elkaar. Bij veel onderwijsvormen (bijvoorbeeld bij de AUC, het Learning Lab en masteropleidingen waar ik zelf bij betrokken ben) staat het creëren van een leergemeenschap centraal: samen aan de slag, elkaar uitdagen en oprekken, leren met en van elkaar. Als je je deel voelt van zo'n leergemeenschap, dan haal je het niet in je hoofd om weg te blijven. Dus ook hier gaat het weer om de vraag wie verantwoordelijk is voor het (gezamenlijke) leerproces: de docent of alle deelnemers aan dat proces." 

    Marco Snoek is lector Leren & Innoveren Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding HvA