"In de internationale vakpers worden de Nederlandse
universiteiten om die reden als collectief ten voorbeeld gesteld.
Om deze positie te bereiken en te behouden moe(s)ten Nederlandse
universiteiten keuzes maken en samenwerken," zo stelt deze trendrapportage.
Bij uitstek netwerk-instelling
"De Nederlandse universiteiten zijn bij uitstek
netwerk-georiënteerde universiteiten. Niet alleen werken zij
intensief samen met elkaar en met buitenlandse universiteiten, ook
zijn zij goed ingebed in de regionale, nationale en internationale
context, waarin zij samenwerken met overheden, bedrijfsleven en
niet-gouvernementele organisaties."
"Deze samenwerking vindt plaats op instellingsniveau, op het
niveau van de faculteit en op het niveau van de individuele
leerstoelen. Enerzijds is het speelveld van universiteiten in
toenemende mate geglobaliseerd, anderzijds vormen ze een
belangrijke motor van de regionale ontwikkeling. Deze
ontwikkelingen zijn bepalend voor hun profilering en dragen bij aan
toename van publiek-private samenwerking en aandacht voor innovatie
en valorisatie."
Drie niveaus
"Samenwerking vindt plaats op drie niveaus:
-Met internationale collega's, in Europees verband dan wel
bilateraal en wereldwijd. De deelname aan internationale consortia
versterkt de mogelijkheden tot uitwisseling van studenten en
wetenschappers en draagt bij aan het profiel van de universiteiten.
Voorbeelden van internationale allianties zijn de IDEA-league, de
LERU en IRUN;
-Tussen Nederlandse universiteiten of onderdelen daarvan ter
verhoging van de doelmatigheid en versterking van de internationale
posities. Hierbij vormen de allianties - UvA en VU, LDE
(LEI-TUD-EUR), Noordoost-Nederland (RU-RUG-UT), UU en TU/e en de
3TU-federatie (de samenwerking tussen de drie technische
universiteiten) - een belangrijke ontwikkeling. Deze allianties
zijn erop gericht de prestaties van de Nederlandse universiteiten
en hun internationale positie te versterken en synergie- en
schaalvoordelen op het gebied van onderwijs en onderzoek te
realiseren, waaronder afstemming van het opleidingsaanbod en
afstemming of samenwerking op het gebied van
onderzoekzwaartepunten;
-Tussen universiteiten en onderzoek-intensieve bedrijven of
andere private partijen met het oog op innovatie en economische
waardecreatie."
De VSNU noemt hierin "twee voorbeelden van succesvolle
samenwerking zijn de toponderzoekscholen en de technologische en
maatschappelijke topinstituten. Daarnaast vraagt behoud van de
internationale toppositie continue profilering. Nederlandse
universiteiten kunnen gezien hun beperkte middelen niet op elk
gewenst gebied tot de wereldtop behoren en moeten dus keuzes maken
(zwaartepuntvorming onderzoek). Profilering en samenwerking zijn
een continu proces van strategische keuzes van individuele
instellingen en onderzoeksgroepen, waarbij ze inspelen op externe
factoren en beschikbare budgetten."
De centrale thema's
De thema's die volgens de VSNU daarom nu centraal moeten staan,
ook aansluitend op het kader van de nieuwe Hoofdlijnenakkoorden met
OCW zijn de volgende:
"- Door verdergaande differentiatie van het onderwijs spelen de
universiteiten in op de toenemende heterogeniteit van de
studentenpopulatie.
- Het Nederlands wetenschappelijk onderwijs wordt steeds
internationaler, met name in de masterfase.
- Het opleidingenaanbod - dat per saldo al jaren constant is -
wordt gereduceerd.
- Het studiesucces (rendement, uitval en studieswitch) van
studenten in de bachelorfase wordt verbeterd, onder meer door een
ambitieuzere en minder vrijblijvende studiecultuur, intensivering
van het onderwijs en investeringen in docentkwaliteit. Dit vindt
plaats tegen de achtergrond van een dalende rijksbijdrage per
student.
- De autonomie van de universiteiten staat onder druk door de
regelgeving op het gebied van macrodoelmatigheid en aanscherping
van het inspectietoezicht.
- De kwaliteit en productiviteit van het onderzoek zijn hoog,
maar staan onder druk door dalende middelen.
- De universiteiten dragen actief bij aan het Topsectorenbeleid.
Dat heeft wel tot gevolg dat de middelen voor onderzoek in andere
wetenschappelijke disciplines onder druk staan.
- Het belang van Europa voor de zwaartepuntvorming en
financiering van het onderzoek neemt toe.
- Om zich in de internationale concurrentieslag om talent
staande te houden, moeten universiteiten aantrekkelijke werkgevers
zijn voor talentvolle buitenlandse onderzoekers.
- De valorisatiefunctie is geprofessionaliseerd. Universiteiten
besteden steeds meer aandacht aan valorisatie, publiek-private
samenwerking en regionale inbedding. Er is een grote
verscheidenheid aan manieren waarop in verschillende disciplines
wordt vormgegeven aan valorisatie.
- Nederlandse universiteiten zetten in op profilering én op
samenwerking om hun internationale toppositie te behouden."