Een van de dingen waar de EU bang voor was bij de toetreding van
de nieuwe democratieën van Centraal- en Oost-Europa in de jaren
'90, was partijpolitieke bemoeienis met de benoeming van
ambtenaren, en bevoorrechting van loyale partijleden. Kort gezegd:
partijpatronage. Er kwam dan ook stevige EU-regelgeving om dit te
verhinderen, want partijpatronage heeft een slechte naam.
Het riekt voor velen niet alleen naar corruptie, zoals alle
vriendjespolitiek, maar ook naar de half-feodale wereld van de
vroeg-modeerne tijd waarin adel en rijke burgers hun sytromannen op
posten tilden. En zo wijst het ook op een gebrek aan
scheiding tussen politiek en ambtenarij.
Geen vinger in de pap
De angst was in beide gevallen echter ongegrond, zegt Kopecký.
Men had zich achteraf de moeite van regelgeving kunnen
besparen. De Leidse hoogleraar uit Praag heeft een
onderzoeksproject geleid naar partijpatronage in 14 Europese
democratieën. Hij constateerde dat ministers en andere beslissers
autonoom handelen, zonder dat hun eigen politieke partij een vinger
in de pap heeft.
Bij benoemingen van ambtenaren in Europa staat professionele
geschiktheid vrijwel altijd voorop, zo bleek uit het
onderzoek. Toch bestaan er nog wel vormen van patronage bij
benoemingen. Maar die patronage speelt zich af in persoonlijke
netwerken van bijvoorbeeld ministers. Als partijpolitieke
sympathieën daarbij een rol spelen - en dat is in 70% van de
gevallen inderdaad zo - dan is dat vooral omdat de minister
controle wil houden over de partij. Dus niet
omdat 'partijgenoten' voorrang moeten krijgen en zo
invloed moeten kunnen uitoefenen.
Erosie en verval
Het is eerder andersom: de persoon die door een minster benoemd
wordt, wordt ook een belangrijk gezicht van de partij. Op die
manier worden partijen tegenwoordig vernieuwd van bovenaf
en veel minder van onderop. De belangrijkste factor voor
het verdwijnen van partijpatronage is dan ook de erosie van de
politieke partijen zelf.
Er is een verval merkbaar van de voorheen van onderop
opgebouwde politieke organisaties die een achterban in de
maatschappij vertegenwoordigen, zoals in de verzuilde structuren in
ons land van voorheen. Een tweede factor is de toegenomen
media-aandacht voor benoemingsprocessen.
Hellas en Holland
Er zijn enkele uitzonderingen. In Griekenland worden actieve
partijleden nog wel voorgetrokken bij banen, in alle lagen van de
ambtenarij. Ook in Oostenrijk was dat tot voor kort het geval, maar
daar is het op zijn retour.
Nederland is hier wel een interessant geval, zegt Kopecky
in zijn oratie. In iedere fractie in de Tweede Kamer houdt een
partijlobbyist nauwlettend in de gaten welke posten in de
bureaucratie vrijkomen. Een zekere partijfilter is hier dus nog
aanwezig. Maar of dit nu echt zo veel impact heeft, wil de
Praags-Leidse geleerde nog eens precies uitzoeken.