• A
  • A
  • Helpen de HO-prestatieafspraken de kwaliteit?

    - Wat zijn de HO-prestatieafspraken waard als ze niet direct de kwaliteit impulsen geven? De Vereniging Medezeggenschap Hogescholen kijkt naar onder meer de cijfers over het aantal docenten en ondersteuners. En “inmiddels haalt vrijwel geen enkele voltijdopleiding nog 20 contacturen per week.”

    Jan-Willem Bruins, voorzitter van de Vereniging Medezeggenschap Hogescholen, vindt het van groot belang, dat uit de verschillende prestatieafspraken-voorstellen van de instellingen lessen getrokken worden.  Met zijn leden inventariseerde hij onder alle grote hogescholen het effect van de prestatieafspraken op de onderwijskwaliteit. De uitkomsten daarvan presenteert hij hier en licht ze tevens toe.

    Geen cijferfetisjisme

    "Het besluit van staatssecretaris Zijlstra om prestatieafspraken te maken met het hoger onderwijs stuitte met name bij bestuurders op verzet. Begrijpelijk, omdat de prestatieafspraken (bescheiden) grenzen stellen aan de bestuurlijke autonomie. Maar de problemen met de onderwijskwaliteit in het HBO zijn onder verantwoordelijkheid van de bestuurders van het laatste decennium ontstaan.

    De invoering van diverse - inmiddels overal teruggedraaide- onderwijsvernieuwingen, de sterke afname van het aantal academisch geschoolde docenten en de dramatische daling van de hoeveelheid contacttijd tussen docent en student trokken een zware wissel op de onderwijskwaliteit. Te vaak was de directe onderwijsuitvoering sluitpost van de begroting.

    Diverse onderzoeken tonen aan dat hogescholen nog maar ongeveer een kwart van hun budget aan de contacttijd tussen student en docent besteden. De vorige voorzitter van de HBO-raad heeft deze problematiek nooit willen erkennen en de nieuwe voorzitter Thom de Graaf bagatelliseerde de problemen al bij zijn eerste mediaoptredens. Hij deed de wens van Zijlstra om afspraken te maken met de hogescholen over de verbetering van de onderwijskwaliteit af als 'cijferfetisjisme'. De Graaf ging met deze opmerking wel erg gemakkelijk voorbij aan de kwaliteitsproblemen in het HBO.

    Inmiddels hield de staatssecretaris met steun van de voltallige Tweede Kamer voet bij stuk en hebben de hogescholen hun voorstellen voor de prestatieafspraken ingeleverd bij de Reviewcommissie. 15 september worden de afspraken definitief, maar de Vereniging Medezeggenschapsraden Hogescholen (VMH) wilde zo lang niet wachten en inventariseerde onder alle grote hogescholen het effect van de prestatieafspraken op de onderwijskwaliteit. Vorige week werden de uitkomsten van die inventarisatie aangeboden aan de staatssecretaris.

    Contacturen van HBO-student Halbe 

    Belangrijke uitkomst van het onderzoek van de VMH is, dat zowel de medezeggenschapsraden als de bestuurders van de prestatieafspraken een positief effect op de onderwijskwaliteit verwachten. Twee samenhangende prestatieafspraken zijn daarbij vooral van belang: de hoeveelheid contacttijd tussen student en docent en het aantal docenten in de directe onderwijsuitvoering.

    Het blijkt dat  een aantal hogescholen de contacttijd gaat verhogen in de propedeuse en soms ook in de hoofdfase. Halbe Zijlstra vertelde tijdens het gesprek met de VMH op, dat hij zelf tijdens zijn studie aan de Hanzehogeschool nog 34 contacturen per week had en dat een opleiding met minder dan 20 contacturen aangemerkt werd als een deeltijdopleiding. Inmiddels haalt vrijwel geen enkelevoltijdopleidingnog 20 contacturen per week. Niettemin is het voor de verbetering van de onderwijskwaliteit een positief feit dat de contacttijd iets omhoog gaat.

    contacttijdpropedeuseVMH

    Dat vraagt natuurlijk ook om meer inzet van docenten. Met name de prestatie-indicator 'verhouding onderwijzend personeel (OP) versus onderwijsondersteunend personeel (OOP)' beoogt hierin inzicht te geven. Twee jaar geleden inventariseerde de VMH onder hogescholen deze verhouding OP-OOP al eens en kwam uit op een verhouding 57%-43%. Omdat een deel van het als OP geregistreerd personeel ook werkzaam is in andere functies dan het docentschap, is in werkelijkheid een lager percentage docenten in de directe onderwijsuitvoering werkzaam.

    Beter beeld en meer onderzoek

    Uit de VMH-inventarisatie van de prestatieafspraken blijkt, dat de verhouding OP-OOP inmiddels iets verbeterd is: 59%-41%. Deze toename is vrijwel volledig toe te schrijven aan het feit dat er meer docenten werkzaam zijn in de functie 'onderzoek'.

    Uit de nu ingeleverde voorstellen valt af te leiden, dat hogescholen het percentage docenten de komende jaren met 4,8% laten stijgen. Ook deze stijging zal gedeeltelijk ten goede komen aan een uitbreiding van het aantal docenten dat als onderzoeker gaat werken.

    Het is dus de vraag wat het nettoresultaat is van de prestatieafspraken op de onderwijskwaliteit, als er nauwelijks meer docenten ingezet gaan worden in de directe onderwijsuitvoering. Er zijn bij de nu gepresenteerde cijfers op dit punt grote verschillen tussen de HBO-instellingen. Sommige hogescholen hebben geen plannen het aantal docenten uit te breiden, andere willen het aantal met ruim 10% laten stijgen.

    Een ruimere inzet van docenten is ook van belang voor een andere prestatie-indicator: het verbeteren van de studierendementen. Die indicator loopt het risico een nieuwe perverse prikkel te worden, vanwege het risico dat studierendementen verbeterd gaan worden door de studie 'minder zwaar' te maken. Hogescholen zouden ook voor de verbetering van de studierendementen het aantal docenten moeten uitbreiden. Juist op dit punt hadden de hogescholen wel wat meer ambitie mogen tonen."

    Jan-Willem Bruins is voorzitter van de Vereniging Medezeggenschap Hogescholen (VMH)