De topsectoren kregen onlangs van de Europese Commissie al de
spijkerharde recensie een 'grondgedachte' te ontberen. Nog geen
week later volgden TNO en van het Den Haag Centrum voor
Strategische Studies (HCCS) van prof. Rob de Wijk.
"Een overkoepelende en gedragen toekomstvisie voor de langere
termijn, met uitgewerkte ideeën en alternatieven over waar
Nederland denkt te staan in 2020, 2030 of 2050, lijkt gegeven de
veelheid aan ontwikkelingen die op ons land afkomen geen overbodige
luxe", stelt hun rapport De Staat van Nederland Innovatieland 2012.
Visie komt niet vanzelf
Het is goed om topsectoren aan te wijzen, maar de overheid moet
definiëren op welke manier deze topsectoren de problemen van de
toekomst gaan oplossen. Die toekomstvisie mag de overheid niet aan
het bedrijfsleven overlaten, stelt het rapport.
"Duidelijk is dat een toekomstvisie typisch tot het publieke
domein behoort, die niet, zeker niet in zijn volle breedte, van het
bedrijfsleven verwacht mag worden. Een dergelijke visie kan
omgekeerd wel zeer behulpzaam zijn als motor voor innovatie en een
instrument bij marktpositionering."
Mijnbouw als topsector
HCCS-directeur Rob de Wijk zei bij de presentatie van het
rapport dat een topsector "op zichzelf geen garantie voor de
toekomst is. Vijftig jaar geleden waren de mijnen absoluut een
topsector. De mijnen zijn nu helemaal weg. Topsectoren komen en
gaan."
"Hoewel Europa en Nederland baat hebben bij de onstuimige groei
van de opkomende economieën, lijken de zorgen over de
toekomstbestendigheid van ons economisch verdienmodel niet
ongegrond", stelt het rapport fijntjes.
"Deze zorgen hebben deels te maken met de steeds sterkere
kennis- en technologie-intensiteit van onze activiteiten, waarbij
Nederland noodgedwongen steeds verder op schuift naar de kennis- en
innovatiefrontier. Een sterkere kennis- en technologie-intensiteit
stelt verstrekkende eisen aan de opleidingsgraad en kwaliteit van
onze beroepsbevolking en het aantrekken van talent van elders.
Tegelijk wordt Nederland ook hier geconfronteerd met concurrenten;
andere landen lopen hun achterstand op onderwijsgebied in en
nestelen zich met ons aan de kennisfrontier. Daarbij moet Nederland
alle zeilen bijzetten om aan die kennisfrontier te blijven."
Volgens de auteurs moet de overheid zich afvragen hoe flexibel
het topsectorenbeleid kan inspelen op de economische veranderingen
die zich in moordend tempo voltrekken. De Wijk: "De concurrentie
wordt steeds scherper, en wat zie je in Nederland? De uitgaven aan
R&D lopen terug!" Daarbij komt dat in het migratiebeleid
nauwelijks op kennis wordt gestuurd.
Ambitie losgelaten
Waar Nederland enige tijd geleden nog naar een
R&D-intensiteit van 3% van het bbp streefde, is die ambitie nu
überhaupt losgelaten. Het feitelijke percentage ligt volgens
Eurostat in 2008 op 1,63%.
Het rapport zegt hierover:"Hoewel het kabinet een nieuwe
filosofie van beleidsinstrumenten introduceert met durfkapitaal
(innovatiefonds MKB+), innovatiecontracten in 'gouden
driehoek'-verbanden een belastingaftrek voor R&D kosten is er
netto gezien sprake van een bezuiniging op R&D- en
innovatie-uitgaven door de overheid. De ambitielat voor de
Nederlandse kenniseconomie wordt met een R&D-intensiteit van
2,5% van het bruto binnenlands product in 2020 zelfs lager legde
dat de oorspronkelijke en ook nu nog geldende Lissabon-doelstelling
van 3%."
Premier Rutte zei in reactie op het rapport dat de financiële
middelen beperkt zijn: "Helaas is het niet mogelijk om er heel erg
veel extra geld in te steken, maar de Nederlandse overheid steekt
nog altijd zo'n 4,5, bijna 5 miljard euro per jaar in R&D."
Onvoorspelbare dead weight loss
Los van het feit dat de budgetten in alle Europese landen onder
druk staan, is in dit kader het recente
onderzoek van prof. Pierre Mohnen van UNU MERIT interessant. De
UM-hoogleraar ziet in de Nederlandse R&D-uitgaven zelfs een
netto welvaartsverlies, aangezien bedrijven een fiscaal voordeel
ontvangen voor uitgaven die zij anders ook wel gedaan zouden
hebben. In economentaal: 'dead weight loss'.
In het TNO-HCCS-rapport wordt eveneens gezegd dat fiscale
regelingen niet noodzakelijkerwijze tot meer R&D leiden.
"Snoeien in bestaande subsidieregelingen heeft meer duidelijkheid
en transparantie gegeven, maar ook onzekerheden geïntroduceerd.
Immers, aftrekbaarheid veronderstelt het maken van winst, en meer
specifiek fiscale winst. Niet alleen is winst in tijden van crisis
onvoorspelbaar, maar ook is vervolgens de inzet op R&D
allerminst gegarandeerd."
"Waar de gouden driehoek en publiek-private samenwerking als
centraal uitgangspunt gelden voor het nieuwe bedrijvenbeleid,
ontbreekt het aan duidelijke over de fiscale RDA+regeling en de
innovatiecontracten."
Insiders
De kleine start-ups vissen bij dergelijk R&D-beleid steevast
achter het net. Het verdelen van de koek volgens de gekozen
methodes gaat de jonge, groeiversterkers in de hightech, creatieve
industrie en andere vernieuwende sectoren niet alleen niet echt
helpen, maar hen wellicht zelfs afsnijden van de zinvolle
instrumentaria.
iHet rapport formuleert het zo: "Door te kiezen voor adviezen
vanuit de topsectoren kiest het kabinet voor een pragmatische
bottom-up invulling van het beleid. De vraag is echter of in de
topsectorenaanpak geen onevenredige aandacht uitgaat naar de grote
gevestigde industriële partijen, terwijl de veelbelovende nieuwe
kleine en kwetsbare spelers - die voor de economie van de toekomst
mogelijk juist van cruciaal belang zijn - onderbelicht blijven. Er
wordt vooral ingezet op huidige en bewezen sterkten - opinsidersen
op bestaande markten."