Het begrotingstekort moet worden teruggedrongen, de
hypotheekrenteaftrek moet worden afgebouwd en de
pensioengerechtigde leeftijd opgetrokken: de jaarlijkse
aanbevelingen van de Europese Commissie in het kader van de
tienjarige groeistrategie hadden een behoorlijk
'levertraan-gehalte'. Dat het gezond is, neemt niet weg dat de
smaak vreselijk is. Dat geldt zeker voor de ongebruikelijk harde
analyse door de experts van de Europese Commissie over het
Nederlandse topsectorenbeleid.
De 'Europa 2020-strategie' is de opvolger van de weinig
succesvolle 'Lissabonstrategie'. Europese leiders kwamen in 2010
overeen dat zij elkaar scherper de maat zouden moeten nemen bij
discussies over de overheidsfinanciën, arbeidsmarkthervormingen en
innovatieve investeringen.
Anders zou de groeistrategie nooit van de grond komen, dat was
bij de Lissabon-strategie uiteindelijk toch gebleken. Vandaar dat
zij toen een aantal concrete doelstellingen overeen kwamen en
afspraken dat het beleid van de EU-lidstaten strakker gecoördineerd
zou worden. De Europese Commissie voert daartoe de beleidscontroles
uit, maar het zijn uiteindelijk de lidstaten die de groeistrategie
sanctioneren.
Weinig rendement
Wanneer het om beleidsevaluatie gaat, is de Europese Commissie
een klasse apart. Als gevolg van het steeds toenemende wantrouwen
tussen EU-lidstaten en de behoefte wel samen beleid te voeren, maar
geen dictaat te krijgen, is het gros van de Europese ambtenaren
bezig met het verantwoorden van de uitgaven en het evalueren van
beleid. Evaluatie is een métier dat de Europese staf dan ook tot in
de puntjes beheerst.
Door de Europese evaluatiebril bezien levert het Nederlandse
topsectorenbeleid weinig rendement op. Dat uit zich ook in een
opvallend ironische wijze van formuleren vanuit Brussel. De
geesteskinderen van Maxime Verhagen en Bernard Wientjes worden in
het begeleidende Staff working document vanuit de Europese
Commissie steevast zo geschreven: 'topsectoren', als waren
zij een imaginair concept.
De cijfers laat men vervolgens spreken. Wat betreft
R&D-investeringen blijft Nederland met 1,83% (2010) onder het
streefpercentage van 2,5% en zelfs onder het Europese gemiddelde
van 2%, net zoals de voorgaande jaren. Het topsectorenbeleid wordt
tegen die achtergrond 'dead weight' verweten.
"Het is niet duidelijk of de investeringen in onderzoek en
ontwikkeling die door een aantal 'topsectoren' zijn beloofd niet
gewoon investeringen zijn die de bedrijven ook zonder het nieuwe
beleid hadden gedaan", stelt de Commissie in het document. "In dat
geval zou er dus geen sprake zijn van nieuwe vrijgemaakte middelen.
Evenmin is het duidelijk hoe kleine bedrijven hier op een
doeltreffende manier bij kunnen worden betrokken. Bovendien kunnen
snelgroeiende bedrijven worden gepasseerd die niet onder een van de
topsectoren vallen."
Geen grondgedachte
Het probleem is in de kern, volgens de Commissie, er een van
conceptuele kwaliteit. "Er is geen sprake van een grondgedachte
waarop dit sectorgebaseerde bedrijfslevenbeleid is gebaseerd." De
topsectorenaanpak beschikt niet over een mechanisme om te bepalen
of het beleid inderdaad extra R&D-investeringen oplevert.
Daar komt volgens het rapport van de Europese Commissie nog bij
dat de topsectorenaanpak vooral die bedrijven en regio's steunt die
dat het minste nodig hebben. De rapportage stelt: "Regio's met een
hoger ontwikkelingsniveau profiteren het meest van de middelen die
door dit 'topsector'-beleid beschikbaar worden, zodat de
innovatiekloof tussen de regio's breder kan worden. Daarnaast kan
het negeren van fundamenteel onderzoek en het bevorderen van
toegepast onderzoek op lange termijn de groeivooruitzichten van de
economie schaden. Wat dat betreft is het zorgwekkend dat de
Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) in
het kader van de 'topsector'-aanpak een aanzienlijk deel van de
middelen voor fundamenteel onderzoek heeft bestemd voor toegepaste
doeleinden."
De woorden waarmee Robbert Dijkgraaf afscheid nam van de KNAW
lijken in het document uit Brussel met kracht door te klinken: "Het
is zuur te constateren dat de landen die we de afgelopen jaren zo
vaak ten voorbeeld hebben gesteld vanwege hun inspirerende
kennisbeleid - Zweden, Denemarken, Finland en met name Duitsland -
niet alleen sterker uit de financiële crisis van 2008 zijn gekomen,
maar zich ook in de huidige eurocrisis positief weten te
onderscheiden. Ik zou willen zeggen: dames en heren politici,
hoeveel bewijs verlangt u nog?"
Het is in dit verband ook verontrustend voor de hogescholen, dat
men in de Europese analyse en rapportage de toepassingsgerichte,
praktijkgestuurde aanpak van onderzoek in het geheel niet vermeldt.
De Commissie acht de accentuering in het Nederlandse R&D-beleid
toch al te veel gericht op quick wins voor bestaande segmenten in
het bedrijfsleven en mist juist een visie voor de lange termijn en
daarmee verbonden strategische benadering.
Onderwijs springt eruit
Dan valt het te meer op dat de Europese Commissie een stuk
positiever is over ontwikkelingen in het onderwijsbeleid van ons
land. Dat heeft die visie voor de lange termijn en een heldere
ambitie inmiddels wel gekregen. Zo is de uitvalbestrijding een
groot succes van het beleid van de bewindslieden. De motie-Hamer
wordt nadrukkelijk aanbevolen als duidelijke kwaliteitsambitie.
"Nederland heeft een goed werkend onderwijsstelsel: de
kwantitatieve doelstellingen worden gehaald en de kwaliteit van
onderwijsresultaten, die wordt gemeten bij het PISA-onderzoek, is
hoog. Het nationale hervormingsprogramma is gericht op kwaliteit,
met de ambitie om in 2020 bij de top vijf van globale
kenniseconomieën te horen."
"Het percentage voortijdige schoolverlaters in Nederland is
gedaald van 15,4% in 2000 tot 10,1 % in 2010 en ligt dus onder het
Europees gemiddelde van 14,1%. Ook onder migranten ligt het
percentage schoolverlaters onder het Europees
gemiddelde."