• A
  • A
  • De drie kneuzen van Van Vught

    - “Tilburg mag zijn handjes echt dichtknijpen.” Ook de VU en UvA zijn bij de Review Commissie HO door het oog van de naald gegaan. Een botte afkeuring van hun profileringsplannen ontgingen deze drie universiteiten maar net. En hoe ziet het postuum standbeeld van Karel van der Toorn eruit?

    De twee Amsterdamse universiteiten staan een beetje met de mond vol tanden. Hun plannen steken nogal af tegen die van het HBO in hun stad. De AHK was bijna als excellent beoordeeld. Kunst-collega Rietveld kreeg een onverwacht hoge beoordeling. Inholland verraste het meest met haar 'zeer goed' score na jaren van diepe ellende. En meest pijnlijk: ook UvA-partner HvA scoorde 'zeer goed'.

    Gelukkig voor VU en UvA is er een universiteit die nog zwakker scoort dan zij, de UvT. Hun geringe voorsprong op Tilburg danken zij aan Karel van der Toorn. Het advies van Van Vught is namelijk moeilijk anders te lezen dan als een vindicatie van de opgestapte UvA-voorzitter. Als Bijbelwetenschapper weet Van der Toorn beter dan velen: "Een profeet wordt in zijn vaderstad zelden geëerd."

    De drie beoordelingen door de Review Commissie onder leiding van Frans van Vught geven de volgende inzichten in de plannen, profielen, prestatieambities en het realiteitsgehalte daarvan.
     

    1.)    Universiteit van Tilburg

    Geen WO-instelling scoort in het totaaloverzicht van de criteria lager dan deze universiteit: twaalf punten op twintig. Dat is op de rand van het oordeel 'onvoldoende'. De Review Commissie heeft het nieuwe CvB van Tilburg onmiskenbaar gematst met deze puntentelling. "Tilburg mag zijn handjes echt dichtknijpen," zei men uit deze kring zonder omhalen tegen ScienceGuide.

    Dat het oordeel eigenlijk veel scherper had kunnen zijn, blijkt op bladzijde 3 van het reviewdocument. Na kille analyses van ambitieniveau en lange termijn visies stelt men vast dat de uitvoerbaarheid daarvan weinig vertrouwen weet te wekken. Wat gaat Tilburg prioriteren bijvoorbeeld? "Er wordt geen specifieke informatie gegeven over de inzet van middelen." Sowieso is er sprake van "relatief weinig concrete maatregelen" en als die er wel zijn dan is dit "in belangrijke mate voortzetting van bestaand beleid."

    Bij het ambitieniveau blijkt de UvT maar weinig na te streven. Het aantal docenten met hoogwaardige onderwijservaring via een BKO is er laag en men wil dit "verhogen tot de relatief lage waarde van 30%." De bureaucratielasten wil men minder dan 1% verlagen, naar 21%.

    De ambities naar "meer focus en massa" worden vertaald in beleidsmaatregelen uit de jaren negentig van de vorige eeuw. Zo worden zaken genoemd als meer tenure-track en graduate schools. Aan valorisatie doet men weinig en moet er nog "bruikbare indicatoren" voor ontwikkelen. Het voorstel toont volgens Van Vught "weinig concrete doelen voor 2015." Noch voor de lange termijn, noch voor de korte termijn ziet de Commissie veel visie of beleid.

    De zwaartepuntvorming is al even onderontwikkeld. Tilburg wil van twee naar vijf Centres of Excellence, maar weet niet aan te geven hoe deze inspelen op bijvoorbeeld de topsectoren. De strategische rol van een reeks bestaande topinstituten als NETSPAR en TiasNimbas  blijft eveneens vaag, evenals de vooral regionale valorisatieopzet.

    De net benoemde collegevoorzitter in Tilburg weet wat hem te doen staat: een sanering bij wie voor zijn universiteit het strategische beleid uitwerken en invullen. Wie een document als dit door Van Vught zo lankmoedig beoordeelde meende te kunnen opstellen, heeft wel wat uit te leggen.

    Interessant punt nog: de eerst verantwoordelijke man, de vorige collegevoorzitter Hein van Oirschot, is zelf net overgestapt naar elders in het hoger onderwijs. Hij werd de voorzitter van de NHTV in Breda. Deze hogeschool kreeg van Van Vught een zeer hoge waardering voor haar plannen. De NHTV verwierf zelfs de extra onderscheiding dat het als trekker van het nieuwe Centre of Expertise voor toerisme is erkend, waarin het samengaat met Stenden en Zeeland. Saved by the bell noemt men dit.
     

    2.)    Vrije Universiteit

    De VU scoort met dertien punten van de twintig één punt hoger dan Tilburg. Deze iets mildere beoordeling krijgt zij, omdat zij bij haar ambitieniveau een tikje meer durf en visie waagt te vertonen. Twee punten springen in het oog daarbij: de ambitie voor allochtoon studiesucces en de valorisatieaanpak.

    "De VU zet fors in" bij rendementsverbeteringen, "gezien de regionale populatie met veel lager opgeleiden en niet-westerse allochtonen." Ook bij de valorisatie ligt de nadruk op de regio Amsterdam. Ondernemerschap in het onderwijs bouwt de VU verder uit met Inholland en HvA. Verstandig, gelet op de veel hogere waardering, die hun plannen ontvingen kun je achteraf stellen.

    Bij de onderwijsverbredingen zijn de VU-voornemens erg algemeen. Meest opvallend: alle masters met minder dan twintig studenten moeten verdwijnen. Een wel erg oninhoudelijk criterium van een hoog arbitrair gehalte. Wat is er immers mis met een master in een hoogwaardig zwaartepunt met negentien studenten, en wat deugt aan een master op een middelmatig, marginaal terrein met 21 studenten?

    Dit voorbeeld wijst op het kernpunt van de twijfel bij Van Vught cum suis aan de VU. Heel haar toekomstvisie staat of valt met een keuze die zij niet echt durft te maken. En haar beoogd partner evenmin. De Amsterdam Academic Alliance en de samenvoeging tot één bèta-faculteit van UvA en VU worden wel ronkend aangekondigd maar niet volop doorgezet. "Een ruim perspectief," noemt Van Vught dit vilein, waarbij echter "niet altijd duidelijk is wat in 2015 zal zijn gerealiseerd." Wat men concreet gaat doen samen is nog grotendeels in nevelen gehuld.

    De Review Commissie zegt daarover scherp, dat het AAA-plan wel de mond vol heeft over grote kansen voor de EU Grand Challenges en topsectoren van EL&I, maar "echter nog onvoldoende concreet maakt wat de inzet van de VU in termen van capaciteit en middelen zal zijn." Alles hangt af van de AAA, maar "de Commissie constateert echter ook dat hierover nog veel onzekerheid bestaat." Een bijna dodelijke formulering is dit.
     

    3.)    Universiteit van Amsterdam

    Het eindoordeel van de Review Commissie over de UvA is net zo laag als dat over AAA-collega VU: dertien punten van de twintig. Op cruciale aspecten is het oordeel bovendien grotendeels identiek geformuleerd als dat bij de Universiteit van Abraham Kuyper. Deze moet zich wel omdraaien in zijn graf.

    Het oordeel ten aanzien van het ambitieniveau is scherp waar het de onderwijsverbeteringen betreft. De lat ligt blijkbaar laag en wordt slapjes verhoogd. "De uitval in het eerste jaar blijft op het zelfde 'relatief hoge' niveau." De hoge bureaucratiekosten wil de UvA bovendien "constant houden." Toch krijgt de UvA net als de VU op dit punt een licht hogere score dan Tilburg. Dit dankt men aan de keuze van onderzoek zwaartepunten en een heldere inzet op onder meer de ontwikkeling van het Science Park Watergraafsmeer.

    Wie echter de huidige realisaties van zo'n park in Utrecht, Twente en Leiden er naast legt, of grootste projecten als Chemelot in Maastricht, die beseft hoeveel papieren werkelijkheid de Review Commissie hier heeft moeten valideren onder het begrip "doorontwikkelen."

    Van Vught c.s. leggen ook bij andere elementen de vinger behoedzaam op de zere plekken. Zo heeft de UvA zijn zwaartepuntvorming in zeven zeer algemeen geduide "interdisciplinaire thema's" geformuleerd. Deze zouden in 2015 60 % van het onderzoek presteren. Dat is gemiddeld dus 8,5% per thema, niet echt een zwaartepunt.

    Onhelder is ook hoe veel van de capaciteit en de middelen de universiteit feitelijk op die zeven thema's inzet. "Naar het oordeel van de commissie maakt het voorstel nog onvoldoende concreet wat de inzet" daarvan nu eigenlijk inhoudt. Dat wordt extra scherp zichtbaar als het plan van de UvA vermeldt, "zij het in algemene termen," dat budgetreallocatie van 1% per jaar tussen faculteiten "wordt voorgenomen." Kiezen en volhouden is toch iets anders.

    Net als bij de VU stelt Van Vught vast, dat heel de strategie feitelijk is opgehangen aan de realisatie van de AAA. Ook hier benut hij de wat valse formulering van "een ruim perspectief voor de langere termijn", dat wordt geschetst, zonder voor de periode tot en met 2015 echt duidelijk te zijn over wat dit feitelijk inhoudt. "De Commissie constateert echter ook dat hier over nog veel onzekerheid bestaat." De zelfde harde zin als bij de VU.

    Bijna dwingend schetst de Review Commissie voor de UvA wat zij zou moeten doen. Men heeft "waardering voor het AAA-initiatief, dat een invulling mogelijk maakt van de door de Commissie Veerman nagestreefde profilering en taakverdeling." De bèta-fusie van VU en UvA noemt zij "een optie die in de ogen van de Commissie veel perspectief biedt." Kort en goed gezegd: fuseer toch alstublieft tot één universiteit van internationale allure en schrap daarbij de reeks opleidingen die u aanbiedt op matig niveau.

    Zulke passages van de Review Commissie zijn moeilijk anders te lezen dan als een saluut aan UvA-voorzitter Karel van der Toorn. Deze stapte op toen zijn instelling hem niet wilde volgen in een controversieel, maar wel gedurfd toekomstperspectief dat geheel in deze lijn zat. Van Vught en de zijnen zeggen eigenlijk dat zo'n strategie inderdaad triple-A was geweest.