• A
  • A
  • Leenstelsel klap voor economie

    - Een sociaal leenstelsel kan leiden tot fors minder studenten, vooral ‘eerste generatie studenten’ en HBO’ers. Dat werkt negatief door op de groei en het economisch herstel, vooral in steden met veel hoger onderwijs en tekortsectoren. Elke student levert hun economie namelijk €25.000 extra op.

    De scenario's van het CPB voor de invoering van een leenstelsel in plaats van de basisbeurs zijn helder. Het effect is een daling van de instroom van studenten met - gemiddeld - 0,6% voor elke € 1000 kostenverhoging die de potentiële studenten moeten incalculeren. In sommige academische opleidingen zal het effect hiervan verwaarloosbaar zijn, gelet op de populatie en salarisverwachtingen, in sommige HBO-sectoren daarentegen zal het effect aanzienlijker zijn.  

    De HBO-raad heeft daarmee de eigen studentenbevolking en ramingen bekeken. De koepel concludeert dat dit zal leiden tot een vermindering van HBO'ers met tenminste 15.000, oplopend tot meer dan 25.000, al naar gelang de wijze van invoering van een leenstelsel. Dit heeft met name op het HBO een stevige impact, omdat veel studenten uit minder welvarende milieus komen. Maar ook de universiteiten bieden veel jongeren uit lagere inkomens en uit 'eerste generatie' gezinnen een ontplooiing, zodat ook daar een vermindering van instroom verwacht kan worden met tenminste enkele duizenden studenten.

    Krimp niet overal, maar toch

    Een dergelijke verlaging van het aantal studenten kent verschillende perspectieven. Feitelijk komt het er op neer, dat in het hoger onderwijs een volledige grote instelling als bijvoorbeeld een Hogeschool Rotterdam, HAN of UU verdwijnt in absolute aantallen. Een dergelijke daling bevat bovendien een impuls voor de meest geraakte instellingen of regio's om via fusie en schaalvergroting de schade economisch te beperken.

    De krimp zal daarbij niet over de hele linie van het HO-aanbod gelijksoortig zijn. Opleidingstypen die 'duur' zijn in studiekosten, zoals in de zware bèta-tech hoek, en die relatief beperkte startinkomens opleveren zullen extra getroffen worden. De 3TU-voorzitters hebben in een brief gewaarschuwd voor het ernstige effect van een leenstelsel voor juist hun studenten, bijvoorbeeld. Dat geldt ook buiten het WO. Een HBO-informaticus zal van zijn €1700 netto per maand bij een leenstelsel ruim €300 moeten aflossen na de studie, een verdubbeling van de netto maandlast ten opzichte van de huidige.

    De HBO-raad laat in zijn brief aan de onderhandelaars zien wat het netto-effect zal zijn op het inkomen in een andere tekortsector voor de toekomst: het onderwijs. Die cijfers zijn analoog voor  de zorgsector met zijn tekorten en voor de daar instromende HBO'ers. Een docent in het basisonderwijs zal bij een leenstelsel van haar €1500 netto aanvangssalaris iets meer dan €200 moeten aflossen, ook dit een verdubbeling. Het kiezen voor het leraarschap komt hiermee stevig onder druk te staan.

    Slecht voor bèta-tech tekorten

    Dit raakt tevens het probleem van het sterk toenemend tekort aan docenten in technische vakken in VO en MBO. Jeroen van der Veer schreef in zijn recente brandbrief hier ook al over en eiste dat het komende kabinet daar nadrukkelijk prioriteit aan zal geven. "De arbeidsmarkt van de toekomst eist dat minimaal 40% van alle afgestudeerden een bèta en/of technologische opleiding heeft gevolgd."

    De studentenorganisaties aan de drie technische universiteiten hebben zulke cijfers ook tot zich laten doordringen en zeggen dat een leenstelsel hun opleidingen "de das om doet." Zij wijzen er op, dat het tekort aan ingenieurs zal oplopen tot 155.000 arbeidsplaatsen in 2016, zoals voorgerekend door de EL&I-topteams in hun masterplan 'Bèta en Technologie 2012'. Ingenieurs zijn essentieel voor de groei van de Nederlandse economie. Dit blijkt ook uit het overwegend technische karakter van topsectoren, zo stellen zij.

    "Het invoeren van een leenstelsel zal dit tekort vergroten. Door de hoge studielast van technische studies en de meerjarige master voor bèta's worden de kosten voor technische studenten onevenredig hoog. De keuze voor een technische studie wordt daarmee veel minder aantrekkelijk. Zorg er alstublieft voor dat wij niet de laatste studenten zijn die gekozen hebben voor een technische studie en laat ons als toekomstig ingenieurs bijdragen aan de innovatie in Nederland."

    Overheid wil meer schulden maken

    Overigens moet bij een leenstelsel meegenomen worden, dat het aflossingsregime aangepast moet worden vanwege het hogere risico voor de overheid, aangezien deze meer moet gaan (uit)lenen. Dit speelt ook in de actuele discussie over het leenstelsel en de verdrievoudiging van de collegegelden in dat verband bij de Britten, bijvoorbeeld.

    De HBO-raad wijst hier terecht op: "Aangenomen mag worden dat de hoogte van de verplichte aflossingsbedragen noodzakelijkerwijs hoger zullen worden na invoering van een leenstelsel, omdat door de aanzienlijke verhoging van de (totale) studieschuld het risico voor de Staat van niet afbetaalde studieschulden anders buitenproportioneel toe zal nemen."

    Dit raakt tevens een toch opmerkelijk aspect. Wij komen hiermee in de omstandigheid, dat de overheid op alle terreinen - en in haar eigen huishoudboekje en dat van EU-partners in het bijzonder - het opvijzelen van publieke schulden als onhoudbare ontwikkeling tegen wil gaan, behalve bij de studerende jeugd.

    'Kennis als economische motor'

    Een ander perspectief op de discussie over een leenstelsel is dat van de impact van hoger onderwijs en zijn deelnemers op de economie in den brede. Een terugval van het aantal studenten is voor de bloei van gebieden met een sterke HO-aanwezigheid in elk geval niet goed.

    Onderzoek van TNO in 2009 liet zien, dat hoger onderwijs en onderzoek een forse impact hebben op de stad en regio van hun vestiging. Zo draagt iedere student gemiddeld €25.000 per jaar bij aan de regionale economie, zo blijkt uit 'Kennis als economische motor. Onderzoek naar het ruimtelijk-economische effect van hoger onderwijs'. Een aanzienlijke achteruitgang van de deelname aan het hoger onderwijs betekent in de HO-steden en regiocentra dan ook een klap voor de economie.

    Bij elkaar vertegenwoordigen de werkenden in Nederlandse kennissector een economische omvang van €14,5 miljard (2005); daarvan komt €10,9 miljard in de door TNO dertien onderzochte HO-steden terecht. Dat is gemiddeld (afgerond) €25.000 per student. Hiermee zorgt deze sector met zijn studenten voor 37,5% van de economie van Wageningen, 18,5% van de economie van Leiden en 6-6,5% van de economie van Amsterdam en Rotterdam.

    Wageningen is sterk afhankelijk van de bloei van het hoger onderwijs. Het aandeel daarvan in de stedelijke werkgelegenheid komt er op 53,3% uit. Absoluut bezien is Amsterdam de stad met de grootste concentratie kennisindustrie: bijna 36 duizend banen. Utrecht heeft bij benadering evenveel banen in de kennisindustrie als Rotterdam. De steden waar de omvang van de werkgelegenheid in de kennissector zeer aanzienlijk is (boven de 15%) zijn Wageningen, Leiden, Nijmegen, Delft, Maastricht en Groningen.

    Welvaartsverlies in stedelijk Nederland

    De economische bijdrage van de kennissector betreft niet alleen door de werkgelegenheid en de leveringen van en aan andere bedrijfstakken die vanuit de kennisinstellingen ontstaan. De HO-werknemers verdienen inkomen en studenten brengen ook bestedingen teweeg. Het loon van deze werkenden en de inkomsten van studenten maken bij elkaar een relatief groot deel van de loonsom van de stedelijke economie uit. Deze totale loonsom is uitgedrukt als aandeel van de totale loonsom van de beschouwde steden en komt op gemiddeld 15,9% uit (voor Nederland 6,2%).

    Een teruggang van het aantal studenten in HBO en WO is voor de betrokken steden dan ook geen wenkend perspectief. Zou de daling inderdaad meer dan 25.000 studenten omvatten - in HBO en WO beide - dan missen de regio's en steden een aanzienlijke impact van hun aanwezigheid  en de input daarvan op hun ontwikkeling en economische bloei. Bij 30.000 studenten minder zou dat gelet op de berekeningen van TNO over de 'toegevoegde waarde van de student' een welvaartsverlies van €750 miljoen opleveren.

    Deze zal zich vooral in die steden voordoen waar HBO en WO instellingen een grote rol spelen en waar relatief veel jongeren uit lagere inkomens en 'eerste generatie studenten' hun talenten willen ontplooien. Dat zijn in elk geval de grote steden in de Randstad. Het gaat daar bovendien om grote aantallen HO-deelnemers. Zo is in Utrecht met zijn 70.000 jongeren in HBO en WO een kwart van de bevolking student.

    Lichtpuntje bij moeder thuis?

    Het CPB ziet niettemin een lichtpuntje. De becijfering van de HBO-raad zou te somber kunnen zijn. Hotel Mama is er ook nog. Immers, als de financieel in de knel komende jongeren bij een leenstelsel massaal zouden kiezen als thuiswonende student hun opleiding te gaan volgen, dan kon de daling van de deelname nog meevallen. Maar het van 'thuis' uit studeren is in het HBO allang usance, zeker in en rond de steden. WO-studenten zijn veel vaker uitwonend dan HBO'ers: driekwart van de universitaire studenten woont op kamers tegenover 46% in het HBO.

    Maakt dat de economische positie van die HBO'ers minder bezwaarlijk? Dat blijkt in de praktijk tegen te vallen. Zo is "het verschil in opbouw van studieschuld maar beperkt. De gemiddelde studieschuld voor wo'ers bedraagt ruim €11.500 en die voor hbo'ers bijna € 10.000. Als daarbij ook nog wordt bedacht dat de gemiddelde studieduur in het wo hoger ligt dan in het hbo, dan indiceert dit een grotere leenbehoefte bij hbo'ers," rekent de HBO-raad voor.

    Ook doen HBO-studenten vaker een beroep op de aanvullende beurs dan academische studenten: 33% respectievelijk 19%. Dat gaat dan ook om forse aantallen studenten: 117.000 van hen bij de hogescholen studeren met behulp van een aanvullende beurs en 'slechts' 48.000 in het WO. Ook bij de universiteiten is er dus sprake van een grote groep jongeren die alleen met een maximale SF-ondersteuning - nog los van hun inkomsten uit baantjes - hun studie kunnen doen. Een groep bijna zo groot als de studentenbevolking van de Universiteit van Amsterdam en die van Leiden samen.