• A
  • A
  • Schaf instellingstoets af

    - De HO-instellingstoets raakt niet de inhoud, maar procedures. In tegenstelling tot wat minister Bussemaker suggereert zal de bureaucratie zo verder toenemen, met “een toename van beleidsdiarree als logisch risicomijdend gedrag van Colleges van Bestuur,” vreest Erasmus vice-decaan Ivo Arnold.

    De hoogleraar aan de Erasmus School of Economics bepleit een andere aanpak in een opiniestuk in het Nederlands Dagblad. Hij stelt dat het hoger onderwijs zucht onder vier lagen van toezicht: de opleidingsaccreditatie, de instellingstoets, de reviewcommissie Van Vught en ook nog het incidentele toezicht van de onderwijsinspectie. Arnold hoopt daarom dat de minister tot inkeer komt.

    Deze stellingname komt niet geheel uit de lucht vallen. In september moet Arnolds Erasmus Universiteit aan een NVAO- commissie onder voorzitterschap van Job Cohen laten zien dat ze alsnog aan de kwalitatieve voorwaarden voldoet die jaar vanuit de NVAO aan de EUR gesteld werden. De Rotterdamse universiteit heeft toen namelijk wel aan de instellingstoetsing kunnen voldoen, maar vooralsnog onder voorwaarden.

    Brief OCW stelt teleur

    “Velen in het hoger onderwijs zullen reikhalzend hebben uitgezien naar de brief die Minister Bussemaker onlangs naar de Tweede Kamer stuurde over de vermindering van de regeldruk in het onderwijs. Die brief stelt helaas zwaar teleur,” schrijft professor Arnold. “Er staat heel weinig in over het hoger onderwijs, de sector waar onder de ‘liberale’ staatssecretaris Zijlstra de regeldruk explodeerde. En wat de minister daarover in de brief schrijft overtuigt niet.”

    “Nog niet zo heel lang geleden kende het hoger onderwijs alleen de opleidingsaccreditatie. De kwaliteit van elke opleiding werd periodiek onder de loep genomen door een externe commissie. Op basis daarvan werd al dan niet de accreditatie verlengd. Nu zuchten de hogescholen en universiteiten onder vier lagen toezicht: de opleidingsaccreditatie en de nieuwe instellingsaccreditatie (beiden onder auspiciën van de NVAO), het toezicht op de met de minister gemaakte prestatieafspraken door de Review Commissie Hoger Onderwijs en tot slot het meer incidentele onderzoek door de Onderwijsinspectie. Deze stapeling van toezicht komt voort uit de overreactie van de politiek op de kwaliteitsproblemen bij hogeschool InHolland.”

    Rooskleurig beeld

    Arnold vindt dat  de minister in haar bief de suggestie ten onrechte wekt dat met instellingsaccreditatie bureaucratie kan verminderen. “Iedereen die op de universitaire werkvloer met kwaliteitszorg te maken heeft weet dat het dubbele accreditatiestelsel veel meer werk oplevert. Het probleem zit niet bij de opleidingsaccreditatie. In de beperkte opleidingsaccreditatie zit alles wat je nodig hebt om de kwaliteit van een opleiding te beoordelen. Scripties lezen, onderwijsmateriaal en toetsen beoordelen, studenten en docenten spreken. Dat is het nuttige en onontbeerlijke handwerk van de opleidingsaccreditaties. Maar het kost niet minder tijd dan vroeger.”

    “Integendeel, door de terechte recente aandacht voor toetskwaliteit en scriptiekwaliteit is de kwaliteitszorg op opleidingsniveau juist veel arbeidsintensiever geworden. Als opleidingen daar beter van worden is dat niet erg.”

    Het echte probleem

    Het echte probleem zit volgens de vice-decaan bij het nieuwe fenomeen van de instellingstoets. “Deze heeft een sterk procesmatig karakter en is erop gericht om vast te stellen of een onderwijsinstelling een goed systeem van kwaliteitszorg heeft. De instellingstoets gaat niet over de inhoud of over de opleidingskwaliteit, maar over procedures, processen en beleid.”

    “Geen college van bestuur wil zakken voor de instellingstoets. Het gevolg is dan ook een toename van de interne bureaucratie en beleidsdiarree binnen de onderwijsinstellingen, als logische risicomijdende reactie op de instellingsaccreditatie. Van al deze inspanningen is de relatie met de opleidingskwaliteit ver te zoeken.”

    Prof. Arnold meent in dat verband dat door de NVAO een denkfout is gemaakt. Het is naar zijn mening niet zo dat “goede kwaliteitszorg gelijk staat aan centraal beleid. Zo verlangt de NVAO van een instelling een ‘breed gedragen visie’ op de kwaliteit van het onderwijs.  Grote onderwijsinstellingen hebben mijns inziens meer baat bij diversiteit dan bij van bovenaf opgelegde eenheidsworst. Maar helaas duwt de instellingstoets het hoger onderwijs juist in de omgekeerde richting van verdere centralisatie.”

    Wetenschapper in keurslijf

    “De eis dat er een ‘breed gedragen visie’ moet zijn illustreert overigens hoe ver de NVAO van de universitaire werkelijkheid af staat. Een universiteit is een plek waar vele hoogopgeleide medewerkers proberen om zo goed mogelijk onderzoek te doen en onderwijs te verzorgen, elk in hun eigen vakgebied en voor hun eigen opleiding. Zo dat al wenselijk is, is het een illusie om te denken dat je al deze wetenschappers in een keurslijf van een instellingsbrede visie kunt persen.”

    “De zaken waar het echt om draait in het hoger onderwijs, zoals de kwaliteit van de docenten en de toetsing, liggen op opleidingsniveau. Als Bussemaker echt de regeldruk wil verminderen dan kan ze de overbodige instellingstoets onmiddellijk afschaffen. In de kamerbrief durft ze dat nog niet aan. De enige concrete maatregel die de minister aankondigt is dat de NVAO, de Inspectie en de Reviewcommissie Hoger Onderwijs hun “werkprocessen” beter zullen afstemmen. Een bureaucratische oplossing voor de overdaad aan bureaucratie, dat gaat niet werken.”

    “Maar er is nog hoop,” zo eindigt de Rotterdamse hoogleraar en bestuurder zijn opiniestuk, want “minister Bussemaker heeft aan de Tweede Kamer toegezegd dat ze zich verder wil beraden op de samenhang in en de afbakening van de taken tussen de Onderwijsinspectie, de NVAO en de Reviewcommissie Hoger Onderwijs. Ook zal het accreditatiestelsel nog in 2013 worden geëvalueerd. Ik ben benieuwd.”