• A
  • A
  • Meer keuzes en minder hagelslag

    (foto: Faruk Ates)

    (foto: Faruk Ates)

    - En nu? Die vraag stellen Kamerleden elkaar en HBO en WO over Bussemakers HO-strategie. Welke wezenlijke vragen en richtingwijzers komen nu uit de hoorzittingen op tafel? En wat doe je daar mee? Moet OCW het extra geld gericht investeren of liever uitsmeren? De uitdagingen daarom hier in kaart.

    Uit de twee dagen met hoorzittingen kwam een aantal kernpunten naar voren, die in het debat van de minister met de Kamer - en in het debat binnen het HO zelf - een belangrijke rol zullen spelen. Samengevat zijn dat de volgende strategische vraagstukken:

    -Wat is het lange termijn doel van deze HO-strategie eigenlijk?

    -Is de relatie tussen de investeringskeuzes en de inhoudelijke helder en overtuigend?

    -Komt de al bij Veerman gekozen richting van grotere differentiatie - en dus van profilering daarmee -  voldoende tot haar recht?

    -Hoe ontsnap je aan de innerlijke contradictie tussen ‘heldere doelen en afspraken’ en ‘meer ruimte voor verscheidenheid’?

    Twee stelsels kunnen top zijn

    Bij het eerste punt, de lange termijn doelstelling, legde OECD-topman Dirk van Damme een interessante uitdaging voor. Hij zei, dat er eigenlijk maar twee HO-stelsels momenteel zo’n hoge kwaliteit kennen, dat zij ook op langere termijn ‘mee kunnen’ met de wereldwijd leidende instellingen, veelal Brits/Amerikaans. Ook met inachtneming van de vaak grote vermogens waarop die instellingen kunnen bouwen bij hun investeringsbeleid.

    Die twee stelsels zijn het Nederlandse HO en dat van enkele Duitse deelstaten. Het leek Van Damme daarom zinvol, dat ons land bij de vaststelling van zijn HO-strategie bewust zou formuleren, of men die kwalitatief excellente positie wil behouden en versterken en daar de beleidslijnen en keuzes ook op wil (blijven) richten.

    Dat heeft wel enige consequenties, zoals uit de inbreng van professor Wilthagen (UvT) bleek. Hij stelde dat voor een dergelijke strategische doelstelling de huidige opzet van HBO en WO en de lijnen uit Bussemakers plannen tekort schieten. Hij wees als voorbeeld erop dat de logheid van instellingen en het bestel, dat hen inkadert, verhindert dat ons land grote kansen ‘pakt’. Nederland loopt bij breedbandpenetratie voorop, SURF geeft ons HO grote voordelen bij de digitale infrastructuur, “maar we merken er nog weinig van. We onderbenutten de kansen.” De omslag naar flexibeler HO-structuren lukt op die manier nauwelijks volgens hem.

    Dat hier keuzes voor de langere termijn nuttig en noodzakelijk zijn blijkt uit de ontwikkelingen op - bijvoorbeeld - datzelfde terrein. SURFnet ziet dat andere partijen in Europa voor het versturen van onderzoekdata gebruik willen maken van het door hen ontwikkelde netwerkplan. Onder meer het Scandinavische NORDUnet en het Europese academische GÉANT-netwerk sloten zich inmiddels daarbij aan. Op deze manier worden verschillende cross-border-fibers in Europa aan elkaar gekoppeld.

    “SURFnet was hier al langer voorstander van en heeft de technische en operationele kant ingevuld omdat dit voor GÉANT nieuw was. SURFnet neemt een leidende rol omdat we deze concepten uit willen dragen en kennis willen delen met onze gelijken,” zegt Technisch Productmanager Rob Smets.

    Hagelslag en grote zorg

    Het tweede strategische vraagpunt betreft de inzet van middelen. Geld inzetten hangt samen met accenten zetten. De minister geeft in haar agenda zwaartepunten aan voor de investeringen vanuit de opbrengsten die vanuit het studievoorschot verwacht worden.  Maar de experts in de hoorzittingen zagen daar toch vooral nog een pondspondsgewijze toedeling van extra’s in de HO-bekostiging. “Hagelslag strooien”, noemde Cees Veerman dat vilein. De Kamer zal de minister dus ruimte en richting moeten geven voor echte investeringskeuzes, die doelgericht insteken op de lange termijn keuzes die de HO-strategie maakt.

    Meest scherp op dat punt was eigenlijk Anka Mulder van de TUDelft. Zij gaf aan, dat dat extra geld dat over vele jaren zou gaan komen, haar nog niet zo overtuigt. De ambities met het HO-beleid moeten daarom vooral realistisch worden vastgesteld. “Als er geen of weinig investeringen voor nieuwe prioriteiten kan komen, breng dan de ambities in lijn daarmee.”

    Dat moet zich dan ook wel uiten in de wijze waarop vanuit ‘Den Haag’ wordt omgegaan met het HBO en WO, vond zij. “De bijdragen van de overheid per student is de voorbije jaren met 5-6% per jaar gezakt. Als wij dan meer kwaliteit moeten leveren – en dat willen wij! – dan moet u niet zeuren over de extensivering van het onderwijs, die wij gedwongen zijn door te voeren.”

    Bij het maken van keuzes voor de richting van de investeringen gaf SER-voorzitter Hamer de Kamer een heldere prioritering mee. Het geld uit het studievoorschot “moet bovengemiddeld naar het HBO gaan.” Dat had ook te maken met de door Van Damme geanalyseerde stagnatie van de emancipatoire rol van het hoger onderwijs.

    Hamer gaf in dat verband en naar aanleiding van de recente trendcijfers op dit terrein aan grote zorgen te hebben over de in- en doorstroom van allochtoon talent in het HO. “De cijfers over de trends daarin zijn niet goed. Daar hebben wij als SER grote zorgen over. Mede vanwege de invoering van het studievoorschot. Dit moeten we heel goed monitoren.”

    Verscheidenheid en profiel

    Het derde strategische vraagpunt betreft of de keuze in het rapport Veerman van meer differentiatie en profilering daarmee blijvend wordt doorgezet en dat dan ook in beleid en governance de ruimte krijgt. Het blijkt nu dat die grotere verscheidenheid niet alleen tussen instellingen en segmenten van HBO en WO centraal moet staan, maar ook binnen instellingen tot keuzes dwingt.

    HAN-voorman Kees Boele schetste dat heel concreet. “Geef ons de ruimte [daarvoor]en zadel ons niet op met al die in de Agenda genoemde generieke interventies, zoals ‘meer lectoren’, sec. Zelfs binnen de HAN moeten we differentiëren: de ene opleiding is gebaat bij betere studiebegeleiding, de andere bij meer internationalisering, een derde bij didactische impulsen. Het gaat om het doel: goed opgeleide en gevormde studenten.”

    Dat werd ook op het thema van de internationalisering benadrukt door de experts in de hoorzitting. Zij noteerden, dat internationalisering voor een top-conservatorium of een hightech-discipline bij TU’s iets anders inhoudt in hun strategie dan voor een regionaal gerichte hogeschool of een universitair ziekenhuis.

    Daarom heeft de nadruk op verscheidenheid gevolgen voor de wijze waarop vanuit OCW en HBO en WO zelf de HO-strategie ingevuld gaat worden. Als er immers grotere verscheidenheid en scherpere profilering van instellingen moet kunnen komen, dan moet de ‘governance’ en regelgeving dat wel toelaten en ruimte geven. Dit kwam van verschillende experts in de hoorzitting naar voren. “Laat enkele instellingen dan toe wel te selecteren aan de poort, als dat bij hun profiel past. Dat doen we allang in het kunstonderwijs, tenslotte,” zei Barend van der Meulen van het Rathenau Instituut bijvoorbeeld.

    Anka Mulder wees er in dat verband op, dat de afspraken naar aanleiding van ‘Veerman’ wel ten aanzien van rendementsvraagstukken waren uitgewerkt en ingevuld, maar die ten aanzien van profilering veel minder. Gelet op de samenwerkingsopzet die na Veerman ter profilering in het WO bijvoorbeeld voorgenomen werd, is dat een terechte opmerking.

    De plannen terzake van de AAA in Amsterdam van UvA en VU zijn weinig concreet geworden en ook de LDE-alliantie van Leiden, Delft en Erasmus kent nog geen bloeiend bestaan. In het HBO heeft men met het rapport-Dijkgraaf en de uitwerking daarvan in een sectorplan voor het kunstonderwijs meer weten te realiseren. Ook de HBO-technieksector zette hier meer stappen vooruit dan elders werd gerealiseerd.

    Vertrouwen of afspraken?

    Het meest besproken thema was dat van ‘vertrouwen versus afspraken’. Opvallend is daarbij, dat vanuit instellingen de indruk gewekt werd, dat van vertrouwen pas sprake kan zijn, als er geen of nauwelijks afspraken over doelen en gewenste realisaties gemaakt zouden worden. Dirk van Damme was wat verbaasd over de wijze waarop het beleidsproces hierover in ons land werd ingericht. Hij waarschuwde ervoor het huidige beleid met de prestatieafspraken nu weer halverwege te onderbreken voor iets anders.

    “Heel de wereld kijkt naar hoe u met ‘Veerman’ en zulke afspraken een nieuwe HO-strategie heeft ingericht. Nu lijkt u dit belangrijke experiment af te zwakken nog voordat de eerste cyclus daarvan in voltooid. U past de afspraken over de afspraken ‘en course de la route’ al weer aan en verzwakt daarmee uw eigen filosofie.”

    Anka Mulder gaf aan dat zij met de prestatieafspraken van Halbe Zijlstra in verschillende opzichten best had kunnen leven. “De prestatieafspraken hebben bij ons in Delft echt goed gewerkt. Het studietempo en de vertraging en uitvang zijn flink beter geworden.” Ook had men in Delft een sterk eigen profiel ontwikkeld bij de innovatie van het universitair onderwijs. Zij wees er daarbij wel op, dat zulke keuzes en profilering risico inhouden.

    “Wij zijn veel werk gaan maken van online aanbod. Geef ons die kans dan, geef de ruimte en het vertrouwen daarvoor.” En daar zat wel een probleem bij het maken van zulke prestatie- of kwaliteitsafspraken, zei zij. “Vervolgens gaat u als politiek discussiëren over rendementsdenken. Kijk, u mag dat doen, maar u mag mij niet afrekenen op het feit dat wij ons wel aan deze afspraken met u hebben gehouden. Ik vind dit geen fijne discussie zo, als we zo met afspraken omgaan.”

    Bij de HAN wil men het accent bij zulke afspraken eigenlijk ten principale gaan verleggen. Het gaat Kees Boele niet om algemene afspraken met OCW, maar om die met zijn stakeholders  en relevante omgeving. “Studenten, docenten, bestuurders, onderzoekers in Arnhem en Nijmegen, samen met ons werkveld, onze toeleverende scholen en onze eigen medezeggenschapsraad. Als HAN gaan wij daarom in januari ons nieuwe instellingsplan tripartite ondertekenen, als een lokale prestatieafspraak met onze eigen belanghebbenden.”

    Bij het maken van afspraken op een generieker niveau, van de sector met ‘Den Haag’ “moeten we bij het systeem terug naar de bedoeling ervan,” zei Boele. “Laten we daarom niet blijven puzzelen binnen het systeem – bijvoorbeeld over hoeveel contacttijd, welke overhead-indicator belangrijk zou zijn -  terwijl iedereen voelt dat vernieuwing van het systeem nodig is.”

    SER-voorzitter Mariette Hamer deed aan het slot van de eerste hoorzitting met name op dit cruciale aspect van Bussemakers HO-strategie waar zij goed in is en vatte bondig samen waar het nu om moet gaan. Zij onderstreepte het feit dat in de hoorzitting over tafel was gekomen toen de HAN en de Leidse universiteit erkenden vele miljoenen in reserve te houden uit angst voor het ‘niet halen van de prestatieafspraken’. Deze bestuurlijke opstelling gaf volgens haar helder aan dat er – ten onrechte hoogstwaarschijnlijk – een vreesachtige cultuur dreigt te groeien in het HO.

    “Daar heeft Den Haag het natuurlijk ook wel een beetje naar gemaakt,”  zei zij na afloop scherp tegen ScienceGuide. Dat betekent volgens Hamer, dat het concept van de kwaliteitsafspraken die zij met SER op tafel heeft gelegd allereerst door de instellingen zelf gemaakt zou moeten worden.

    Daarin zouden de hogescholen en universiteiten hun profiel en ambities moeten formuleren, samen met interne en externe stakeholders. De minister moet deze afspraken vervolgens bezien op het stelselniveau en daar als ‘stelselverantwoordelijke’ haar conclusies uit trekken, bijvoorbeeld wat betreft de toedeling van extra investeringsmiddelen en het verruimen van regelgeving ter wille van grotere verscheidenheid. Op die manier leiden de kwaliteitsafspraken tot zowel een duidelijke strategie en keuzes op het stelselniveau, als tot verscheidenheid en sterkere betrokkenheid van de interne en externe stakeholders van HBO en WO.