• A
  • A
  • Terug naar de bedoeling

    - “De B staat in het midden. De O is van onderwijs. De H is bijvoeglijk naamwoord bij beroepsonderwijs.” Zo kenschetste Kees Boele van de HAN voor de Tweede Kamer zijn visie op de HO-strategie van Bussemaker en de rol van het HBO daarin. “Zij tintelt van liefde voor dit onderwijs.”

    Het betoog van Boele - voorzitter van het CvB van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen - kon hij houden in de sessie waarin ook Cees Veerman en Mariette Hamer hun analyse en reflectie gaven. U leest de hoofdpunten daarvan hier.

    Boele’s presentatie aan de Kamer leest u hieronder.

    1.]  Waarom zijn wij er als HBO? Voor het opleiden en vormen van (overwegend) jonge mensen voor een dynamische beroepspraktijk in een ingewikkelde wereld.

    a. De B staat in het midden. Dat is onze uniciteit. Daarop moet alles gericht zijn in het HBO. Wij zijn bij uitstek van de driehoek ‘onderwijs, onderzoek, praktijk’. Beroepsgerichte masters horen dus bij ons.

    b. De O van onderwijs. We praten veel over ‘leren leren’, een ‘leven lang leren’. Prima, maar onderwijs is een prachtig woord: de docent wijst op dingen waar een student soms niet om vraagt. Dat is hard nodig voor onze jonge generatie, die leidt aan infobesitas en desoriëntatie, en van wie volgens studentpsychologen misschien wel meer dan een derde problemen heeft. Het is precies onze publieke taak.

    c. De H. Daarom is goed praktijkgericht onderzoek van groot belang. Maar ‘hoger’ is wel een bijvoeglijk naamwoord bij beroepsonderwijs.

    2.]  Hoewel de Onderwijsraad in een rapport een uitstekende kritische analyse geeft van de Strategische Agenda, waarin ik mij goeddeels kan vinden, ben ik blij met de Agenda, omdat deze in elk geval tintelt van liefde voor dit onderwijs.

    Ik ben blij dat zij pleit voor kwalificatie en vorming, uitdagend onderwijs, versterking van onderzoek in hbo, kleinschalige leergemeenschappen, kwaliteitscultuur, toegankelijkheid, goede aansluiting, de hbo-masters, studiesucces en dergelijke. Eén ding telt: de student op de juiste plek krijgen. We moeten van ‘doorstroom’ naar ‘wisselstroom’, zoals van een beroepsgerichte WO-student die naar een HBO-master gaat, waarvan er veel te weinig bekostigd zijn.

    3.]  Maar u moet de minister wijzen op drie gevaren.

    a. De Strategische Agenda neigt naar overwaardering van de bijzondere dingen rondom het gewone onderwijs: expertise-centra, profilering, excellentietrajecten etc lijken de dingen die er echt toe doen. Er is een risico dat 80 % van de bestuurlijke focus naar de 20 % bijzondere dingen gaat en dat je je vooral daarmee profileert.

    Maar onze trots zou eerst en vooral moeten liggen in het uitstekend opleiden en vormen van die 80 % gewone MBO-ers en Havisten. Dat is nu juist de emancipatiefunctie van het HBO. Dat heeft ook alles met begroten te maken. De docent die ‘gewoon’ lesgeeft mag nooit de Sjaak zijn.

    b. De Agenda zegt steeds: ‘Wat gaan WE doen’? Maar WE, dat moet zijn: studenten, docenten, bestuurders, onderzoekers in Arnhem en Nijmegen, samen met ons werkveld, onze toeleverende scholen en onze eigen medezeggenschapsraad. Als HAN gaan wij daarom in januari ons nieuwe instellingsplan tripartite ondertekenen, als een lokale prestatieafspraak met onze eigen belanghebbenden.

    Geef ons die ruimte en zadel ons niet op met al die in de Agenda genoemde generieke interventies, zoals meer lectoren sec. Zelfs binnen de HAN moeten we differentiëren: de ene opleiding is gebaat bij betere studiebegeleiding, de andere bij meer internationalisering, een derde bij didactische impulsen. Het gaat om het doel: goed opgeleide en gevormde studenten.

    c. Laat OCW niet van de wijs brengen door Schnabel cum suis met hun #Onderwijs2032 (p. 28), alsof de studenten zelf allemaal en helemaal hun eigen weg kunnen kiezen.

    4.]  Docenten hebben soms mooie ideeën voor een beter curriculum, maar krijgen ze niet in de dikke kaders gewurmd en zijn doodsbang voor fouten. Het ‘prachtige risico van onderwijs’ (Biesta) moeten we juist niet mijden. Onderwijs is een gebeurtenis, niet een machine die je kunt inregelen.

    Stimuleer daarom het OCW-plan voor ‘regelvrije zones’. De minister kiest, aldus haar Accreditatiebrief, terecht ‘voor beleid waar de docent eigenaar is van het onderwijs en waar de student centraal staat’ en roept ‘instellingen op het eigenaarschap over kwaliteitszorg meer naar zich toe te trekken’. Dat heeft iets van een paradigma-wisseling, zoals beschreven door Thomas Kuhn (1922 – 1996).

    De ene ‘normale’ periode, waarin wetenschappers volgens een vast stramien werken en vooral ‘puzzelen’ binnen het systeem (niet gericht op grote vernieuwingen), gaat via een onverwachte ‘anomalie’ over in de andere. Aanvankelijk is er weerstand en onzekerheid en dan gaat men het bestaande systeem verfijnen. Maar langzamerhand voelt iedereen dat het niet meer werkt, wordt de anomalie erkend en komt er een nieuw paradigma.

    Welnu, wij moeten in het onderwijs stoppen met het paradigma van ‘New Public Management’, waarin professionalisering protocollering is geworden (met meer aandacht voor het systeem dan voor de bedoeling) en met bedrijfsmatige afspraken tussen hogescholen en OCW. We moeten van het systeem terug naar de bedoeling ervan. Laten we daarom niet blijven puzzelen binnen het systeem (bijv. hoeveel contacttijd, welke overhead-indicator), terwijl iedereen voelt dat vernieuwing van het systeem nodig is. Kijk naar piloten en advocaten: zij normeren zichzelf, zijn ook streng op elkaars kwaliteit, hebben registers. Zo was het in de gilden ook.

    5.]  Daarom: liever een wet ‘versterking onderwijs- of docentenkracht’ dan een wet ‘bestuurskracht’.