• A
  • A
  • De waarde van de docent

    (foto: Matt Brown)

    (foto: Matt Brown)

    - De Bildung Academie en het ISO roepen de Tweede Kamer op in de HO-strategie de relatie student-docent centraal te stellen. "Het is niet uitzonderlijk dat honderden studenten in meerdere zalen colleges op een beamer moeten volgen" en zo kun je de kwaliteit van HBO en WO wel vergeten, vrezen zij.

    In een gezamenlijke stellingname over de HO-strategie van minister Bussemaker bepleiten de twee organisaties een nadrukkelijker inzet op "de waarde van de docent" in de nota van het kabinet, die 'De waarde van weten' is genoemd. U leest die inbreng in het debat hieronder.


    "Vandaag wordt de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025 besproken door de bewindspersonen Hoger Onderwijs in Den Haag. Het afgelopen jaar hebben zich vergaande ontwikkelingen voltrokken in het overheidsbeleid omtrent hoger onderwijs, met als dieptepunt de afschaffing van de basisbeurs. In de Strategische Agenda beschrijft Minister Bussemaker hoe zij de daardoor vrijgekomen gelden wil besteden. De minister heeft beloofd dat het geld wat zij eerst weghaalde bij studenten, ook weer zichtbaar en merkbaar terugkomt bij studenten. 

    In haar Strategische Agenda ‘De waarde van weten’, ligt de nadruk dan ook op kleinschalig en interactief onderwijs met veel aandacht voor de persoonlijke ontplooiing van de student. Zij zegt hierover dat “het hoger onderwijs haar vormende taak weer centraal [zal] moeten stellen: naast kwalificatie, ook aandacht voor socialisatie en persoonsvorming. Docenten zijn de aanjagers van dit proces." (pagina 90). Haar visie is prijzenswaardig, maar bij slechts intenties mag het niet blijven.

    Vanuit studenten drukken we de minister op het hart dat de vrijgekomen gelden van de studenten zijn en daarom volledig moeten worden benut voor de studenten. We herinneren de Commissie Hoger Onderwijs er dan ook aan zich vandaag bewust te zijn dat het over studenten gaat. De huidige staat van het onderwijs geeft aan dat dit nodig is. De Nederlandse student wordt geconfronteerd met een aantal structurele, maar wel degelijk oplosbare, tekortkomingen van het systeem.

    Zo is het bijvoorbeeld niet uitzonderlijk dat honderden studenten in meerdere zalen colleges op een beamer moeten volgen. Er zijn studies waar studenten door gebrek aan docenten noodgedwongen in groepen van wel vijf hun individuele” bachelorscriptie moeten schrijven. Tevens is er vaak weinig begeleiding voor de persoonlijke-ontwikkeling en het welzijn van de student; op veel universiteiten is er geen mentor en zijn studieadviseurs overbelast. Veel studenten hebben slechts spaarzame ontmoetingen met hun begeleider tijdens het schrijven van hun scriptie.

    Dit alles is ook terug te zien in de cijfers, de rijksbijdrage per student is €5300 lager dan in 2000. Een gewogen berekening waarbij er ook gekeken wordt naar de andere taken van universitair personeel toont aan dat er op elke docent 30 studenten zijn. Al met al is er van persoonlijke begeleiding nauwelijks sprake.         

    Docenten mogen hier niet de schuld van krijgen. De meesten gaan reeds gebukt onder een enorme werkdruk en daarbij geeft de inrichting van het academisch systeem docenten sterke prikkels voorrang te geven aan hun eigen onderzoek, ten koste van hun onderwijstaken. Hoe is goede scriptiebegeleiding mogelijk wanneer de docent slechts een half uur krijgt uitbetaald voor het nakijken van een scriptie? Het theater waarin docenten geacht worden een dubbelrol te vervullen, is niet ingericht om goed docentschap te stimuleren. Een toename van het aantal docenten en tutoren per student is een goed begin, maar zal niet direct de beoogde kwaliteitsimpulsteweeg brengen. Als de minister staat voor herwaardering van de persoonlijke ontplooiing, dan zal zij ook het belang moeten erkennen van de didactische vaardigheden van academici.

    Wij, studenten, benadrukken dat goed onderwijzen een vak apart is. De essentiële vaardigheden die daarbij komen kijken zijn vaak nog het ondergeschoven kindje op de hogeschool en universiteit. Onderwijs mag niet meer ondergeschikt zijn aan onderzoek. Daarom roepen wij op om ruimte te creëren voor de ontwikkeling van onderwijs en docenten.

    Biedt de middelen én stimulans om je als docent didactisch te blijven ontwikkelen. Zorg voor verplichte inwerktrajecten op niveau en een verdiepingsslag in de basiskwalificatie onderwijs (BKO). Maak het mogelijk dat er binnen universiteiten en hogescholen docenten zijn die zich volledig willen en kunnen inzetten voor het onderwijs, zonder daarmee het uitzicht op een academische carrière te moeten opgeven. Betrek bovenal de studenten weer bij het onderwijs, opdat zij samen met de docenten hun eigen onderwijs vorm kunnen geven. Het merendeel van de studenten wil geen passieve consument zijn, maar een actieve deelnemer.

    Het gaat om het creëren van een gedeelde cultuur waarin alle partijen zich als team verantwoordelijk voelen en inzetten voor het gezamenlijk doel: het best mogelijke onderwijs. De scheidslijn tussen zender en ontvanger in het denken over onderwijs dient opgeheven te worden. Onmisbaar hierin is het erkennen en onderwijzen van onderwijzers. Opdat zij samen met de studenten het enthousiasme - wat elke student of docent op zijn of haar eerste dag heeft - kunnen vasthouden." 

    Interstedelijk Studenten Overleg &  De Bildung Academie