• A
  • A
  • Korzelige kwaliteit

    - Elke opleiding in HBO en WO wordt geaccrediteerd, ook als de instelling zélf een generieke toetsing gaat krijgen. Minister Bussemaker combineert haar pilot-idee rond instellingsaccreditatie met wensen uit de Kamer tot “een derde weg” naar minder pilots en meer helderheid over de kwaliteit van het HO.

    De Kamer ging in een soms venijnig debat in discussie over de toekomst van het accreditatiestelsel. In september vond de minister nog geen meerderheid voor een pilot met instellingsaccreditatie en beloofde met een nieuw voorstel komen. Enkele tegenstanders van zo’n pilot met instellingsaccreditatie kropen bij elkaar en publiceerden een alternatief op ScienceGuide. Daarin combineerden zij behoud van opleidingsaccreditaties met minder ‘lastendruk’.

    Minister omarmt voorstel tegenstanders

    Dit plan van VVD, SP en GL werd in een brief door de minister omarmd door het toe te voegen in  haar eigen pilot-idee, waar vooral het WO op aandrong. Dan zouden er twee pilots naast elkaar ontstaan en sommige fracties vonden dat dan met Goethe 'des Guten zuviel'. Jasper van Dijk (SP) hoopte dat de minister nog wat verder zou willen bewegen:  “Is er niet een derde weg waarin beide pilots worden samengevoegd?” Daar voelde de VVD ook voor. Pieter Duisenberg noemde “die derde weg een hele mooie benadering.”

    Rik Grashoff van GroenLinks expliciteerde waarom in zo’n derde weg ten principale toch ook voor opleidingsaccreditatie gekozen moest worden. “Voor de fractie van GL staat het accreditatiestelsel in zoverre niet ter discussie, zolang dit ten principale onafhankelijk is van de instelling die een opleiding verzorgt. Je krijgt een diploma van een opleiding en niet van de UvA, of de TU Delft. Het gaat erom of de opleiding voldoet en waard is wat zij pretendeert te zijn. Daarom zijn wij van mening dat accreditatie op dat niveau door een onafhankelijk instituut, een van buiten de instelling,  moet worden uitgevoerd.”

    De ruimte voor een brede overeenstemming was daarmee geschapen, maar de minister vond nog een obstakel op haar weg naar een oplossing. D66 was namelijk wel positief over elk van beide opties voor een pilot, maat stelde een aanvullende eis. Paul van Meenen stelde de rol van de medezeggenschap centraal. “Mijn fractie is alleen bereid met welke pilot dan ook als er een noodremprocedure is. Zonder noodrem geen pilot. Ik wil dat de afweging of aan zo’n noodrem getrokken moet worden jaarlijks of tweejaarlijks plaats vindt op gezag van de medezeggenschap. Ik wil die bevoegdheid expliciet leggen bij de medezeggenschap. Bij niemand anders.”

    Samen aan de noodrem

    Minister Bussemaker stelde echter, dat het trekken aan een noodrem - als de pilot de kwaliteitsborging van een opleiding onvoldoende zou ondersteunen - een gezamenlijke conclusie moest zijn binnen de instelling. Dus een van CvB en medezeggenschap samen. “Een bestuur dat vooraf instemming vraagt voor een pilot en dan laat doorschemeren dat het zich niets zal aantrekken als de medezeggenschap met kritiek komt, heeft immers toch een probleem. Daar hebben we raden van toezicht voor en de minister om daar dan te handelen. Ik zou het heel raar zou vinden dat de medezeggenschap wel vooraf zou mogen instemmen, maar vervolgens helemaal niets meer te zeggen zou hebben over de resultaten en het draagvlak op een later moment.”

    Iets anders zou het zijn, als de medezeggenschap zonder meer aan de noodrem zou mogen trekken tijdens de rit van zo’n pilot. “Als deze pilot helemaal niet doet wat wij nu voor ogen hebben, dan moet die noodprocedure kunnen. Ik kan ook aan de noodrem trekken als ik het fout zie gaan. Ik zou niet weten wat ik nog meer zou moeten doen,” zei zij korzelig. Dit bleek voor D66 niet genoeg, want Van Meenen hield vast aan de denklijn, dat de medezeggenschap hoe dan ook een pilot zou moeten mogen onderbreken of afstoppen. Dit ging andere fracties toch veel te ver.

    Geen ongewis beleid

    De minister bewoog daarom nadrukkelijk naar de fracties die met een eigen voorstel haar pilot kritisch hadden bejegend en bood een nog nadrukkelijker een gezamenlijke aanpak aan. “Voor beide voostellen is de uitslag in de Kamer ongewis en ik vind het niet verantwoord om zo’n cruciaal onderdeel van de kwaliteitszorg af laten hangen van toevallige meerderheden.”

    Zij stelde daarom voor dat  ‘haar’ pilot en die van VVD, SP en GL “met elkaar in overeenstemming te laten komen in één nieuw verhaal, waarbij de instellingstoets gekoppeld wordt aan instellingsaccreditatie. Een instelling met een gunstige toets en accreditatie op die basis komt dan in aanmerking voor de verlichte opleidingstoets zoals die in het Kamer-voorstel is beschreven.”

    “Dat betekent dat de nieuwe opzet van instellingsaccreditatie verlichting geeft bij de administratieve lasten, terwijl de opleidingsaccreditatie blijft bestaan, maar wel in een verlichte vorm. De pilots zouden dan zoals eerder afgesproken door een beperkt aantal hogescholen en universiteiten uitgevoerd kunnen worden.”

    Verdere verlichting mogelijk

    Omdat er ook op instellingsniveau een NVAO-stempel wordt afgegeven zal die toets niet zwaarder mogen zijn dan de ITK-opzet die al in werking is. “Opleidingsniveau en instellingsniveau zijn communicerende vaten. Mijn aanvankelijke plan voor instellingsaccreditatie zou bijvoorbeeld extra eisen stellen aan de governance binnen instellingen van de borging van opleidingskwaliteit, maar nu met een opzet met behoud van opleidingsaccreditatie kan die extra waarborg wegvallen.” Ook dat zou verdere verlichting opleveren.

    “Voor de NVAO is dit uitvoeringstechnisch mogelijk. Als we op deze weg doorgaan dan willen we zeker weten dat het voor het veld ook acceptabel is. De eerste reacties uit het veld zijn zeer bemoedigend.”

    Net zo goed niet

    Met deze wending was er in de Kamer een brede steun voor een nieuwe opzet. Deze wordt door OCW met het veld en de NVAO besproken en snel nader uitgewerkt. Vanuit de instellingen vernam ScienceGuide nog wel enige scepsis. In HBO-land werd gemeld, dat daar vooralsnog niemand voor een pilot voelde omdat men hoe dan ook de opleidingsaccreditatie behouden wil. Alleen de HvA zou omwille van de voorkeuren bij de UvA genegen zijn tot deelname.

    Bij de universiteiten zat de schrik er nu ook ineens in. Men verliest de eigen voorkeur voor een dominerende instellingsaccreditatie en al in het Kameroverleg was en marge te merken, dat een zware noodremprocedure besturen ervan zou afhouden veel tijd en energie te gaan steken in een pilot die zoveel onzekerheden zou opleveren. Een rector-CvB-voorzitter liet zich naar een Kamerlid ontvallen: “Hier kan ik niets mee, dan hoef ik net zo goed niet meer mee te doen met die pilot.”

    Binnen de coalitie was men verheugd er met zo’n brede steun nu toch uitgekomen te zijn. VVD’er Pieter Duisenberg was content, dat hij zijn nek had uitgestoken met zijn linkse partners en dat dit beloond leek te zijn. “Wat de minister nu gaat doen is ons voorstel op ScienceGuide verder uitwerken. We gaan nu opleidingsaccreditaties verlichten met een strengere instellingstoets