• A
  • A
  • Pilot hoeft niet voor HO-kwaliteit

    - Minister en Kamer vinden elkaar na lang touwtrekken op een ‘derde weg’ naar de beste borging van kwaliteit in HBO en WO. Moet dit tot nog weer een experiment of pilot leiden en zelfs tot ‘noodremprocedures’ in accreditaties? Het zou ook helder, direct en minder complicerend kunnen.

    Nu er brede instemming is bereikt voor een vernieuwde opzet van de borging van kwaliteit in HBO en WO, is het nuttig te bezien of die opzet nog overeenkomt met de veronderstellingen waarmee de discussie daarvan begon. Dat is alleen al zinvol, omdat OCW, instellingen en NVAO anders wellicht complexe activiteiten gaan ondernemen bij de invoering ervan, die achteraf helemaal niet nodig blijken of die aanzienlijker eenvoudiger hadden gekund. Het betere is nu eenmaal de vijand van het goede.

    Gebruikelijke truc

    De minister zat bij de start van dit proces met het dilemma dat HBO en WO niet op dezelfde lijn wilden gaan zitten. Ook de studenten waren verdeeld. Het bedrijfsleven had als enige partij een eenduidige visie. De Kamer wachtte af en leek ook verdeeld.

    Bussemaker paste een gebruikelijke truc toe: geef aan een  ieder een brokje van zijn wensen en laat dat als een pakketje uitproberen en laat de winkel tijdens de verbouwing open blijven. Een experiment dat de VSNU en het ISO wel beviel werd opengezet voor het HBO. De hogescholen hapten echter niet zolang dat experiment met instellingsaccreditatie ten koste zou gaan van de borging van opleidingen. Bovendien leek de opzet zo ingericht dat heel het WO zou gaan participeren en dat er aldus in plaats van een experiment de facto voldongen feiten door volledige implementatie geschapen leken te worden.

    Een wezenlijk deel van de VH-achterban zag hier niets in. Alleen de HvA zou bereid te vinden zijn in te stappen, omdat deze moeilijk haar bestuurlijke partner UvA in de steek kon laten. De minister moest dus nog een kaart uit haar mouw trekken.

    Gevulde mouw

    Die mouw bleek gevuld. Bussemaker stelde voor het experiment in te perken, zodat slechts enkele universiteiten en hogescholen toegelaten zouden worden in die test met toetsing van HO-kwaliteit. Ook zou aangescherpt worden, dat wie dan toch nog meedeed wel degelijk allerlei waarborgen moest introduceren om ook borging op opleidingsniveau te realiseren, met of zonder de NVAO.

    Dit werd ‘de pilot’ genoemd en deze werd zo complexer, beperkter en voor het WO al weer minder aantrekkelijk. Karl Dittrich zei er over in discussie met NVAO-voorman Flierman op ScienceGuide. “Wij wilden dat meteen heel het systeem langs die weg zou gaan lopen. Ik hoop nog steeds dat het zo zal kunnen gaan en alle instellingen mee kunnen doen aan de pilot.”

    Het Monsterverbond

    Hoopte de minister hiermee WO en HBO bijeen te brengen en met een beperkte pilot de fundamentele beslissingen op te schuiven, dan had zij buiten de Kamer gerekend,. Daar sloeg de verdeeldheid toe. Een interessante coalitie van LSVb met Hans de Boer - het Monsterverbond zoals voorzitter Tom Hoven dit intern noemde - overtuigde nogal wat fracties, dat deze pilot onvoldragen was en de onafhankelijke borging van opleidingen zou ondermijnen.

    “Het blijft van belang dat van buitenaf, onafhankelijk, de kwaliteit op opleidingsniveau wordt gecontroleerd door een onafhankelijke instelling tenminste eens in de zes jaar,” liet De Boer weten, vergezeld van appplaus uit de studentenbond. “Dat principe moet volgens de ondernemingsorganisaties overeind blijven. Natuurlijk moet bekeken worden of de ervaren lasten van de instellingen kunnen worden verminderd, maar dat mag zeker niet het hoofddoel zijn van de plannen rondom accreditatie.”

    Boos zei Dittrich over deze alliantie en de werkgeversvoorman onder meer: “je spreekt over het hoger onderwijs alsof het één pot nat is. De werkgevers moeten kijken wat ze nu precies bedoelen met die eis van opleidingsaccreditaties. Dit is wel heel grote stappen en snel thuis.”

    “Tot nu toe merk ik alleen maar dat de arbeidsmarkt buitengewoon tevreden is en ook kan zijn met de Nederlandse afgestudeerden. Het probleem van Hans de Boer is mij niet helder. Als er al een probleem is.”

    CDA steunpilaar Bussemaker

    OCW vond voor die opzet eigenlijk alleen volmondige steun bij de oppositie en niet eens bij de ‘constructieve 3’, maar bij het CDA, nota bene de partij waar Hans de Boer lid van is. De PvdA bleef de partijgenoot in de Hoftoren ook wel trouw. VVD, SP en GroenLinks zochten samen steun voor een alternatieve opzet, die voortbouwde op de denkwijze van VNO/NCW en de studentenbond.

    De uitkomst is bekend. De mouw van Bussemaker zat nog steeds goed gevuld. De minister kon de Kamer in brede zin voor zich winnen door ‘haar’ pilot en de contra-pilot van de liberalen met links in elkaar te schuiven. Daarbij hielp een maximalistische eis vooraf van de kant D66 haar, aangezien geen andere partij zover wilde gaan en dit de eensgezindheid rond de oplossing van Bussemaker verhoogde.

    Stavaza

    Wat is dan nu de stand?

    1.)    Er komt een pilot die breed gesteund wordt en waarvan de NVAO bevestigt, dat deze technisch uitvoerbaar is.

    2.)    Deelname door zowel HBO als WO is verzekerd.

    3.)    Het toekomstperspectief voor de HO-borging is nu ook helder.

    4.)    Minister Bussemaker heeft nog een wezenlijke vernieuwing van het HO-bestel op haar conduitestaat geschreven.

    Dat roept meteen de vraag op die Paul van Meenen van D66 al vaker en niet zonder reden stelt. Waarom zoveel pilots, proefballonnen, experimenten en zo meer? Waarom de bestuurlijke drukte nog verder vergroten en docenten en organisatie in delen van WO en HBO met extra regelwerk en rapportages opzadelen?

    Daar komt bij dat de minister zelf tegenover de Kamer benadrukte dat zijn niet zomaar voor een pilot of experiment wilde kiezen als de ondersteuning daarvoor “ongewis” is. Daarvoor vindt zij de opzet van de kwaliteitsborging van HBO en WO een te wezenlijk thema, juist ook voor de lange termijn. Zij vergat daarbij te zeggen, dat zij überhaupt tot pilots moest overgaan omdat de steun zo ongewis leek bij de meest betrokkenen.

    Brede steun verzilveren

    Er is dus weinig reden nog over om de nieuw gekozen opzet via pilots binnen instellingen te introduceren. Er is brede steun voor, het is redelijk en technisch uitvoerbaar en biedt een nieuw evenwicht tussen twee typen HO-borging die al bestaan en hun waarde volledig hebben bewezen: de ITK en de accreditatie van opleidingen.

    In dat nieuwe evenwicht worden enkele aspecten geïntroduceerd die de NVAO kan uitwerken in de concrete aanpak van de visitaties, validering en accreditering.  De studentenbonden zijn bijvoorbeeld content met de panels die het gesprek over kwaliteit met de leden van de visitatie-expertgroepen een extra diepgang moeten geven. Zulke panels kan men al in lopende visitatietrajecten uitzetten en ‘lessons learned’ verzamelen. Een complete pilot met het geheel is daar niet voor nodig.

    Dat geldt ook voor de verlichting van administratieve aspecten binnen de opleidingstoetsingen en de aanscherping van onderdelen binnen de ITK’s. Met beide is zoveel en constructieve ervaring opgedaan, dat men dit stapsgewijs binnen de bestaande opzet kan doorvoeren.

    Derde weg als slimme route

    Wat Jasper van Dijk (SP) ‘de derde weg’ noemde - het ineenschuiven van de conflicterende pilots tot één zinvol geheel - is op deze wijze inderdaad een weg: een route naar vervolmaking en stapsgewijze implementatie van een reeks verbeteringen en verlichtingen binnen het stelsel van HO-borging. In plaats van ‘weer een pilot’ waarvan de uitkomst voor het beleid schimmig en ongewis blijft zou er beleid gevoerd kunnen gaan worden. De wens van VSNU-voorzitter Karl Dittrich zou zo ook nog vervuld kunnen worden: “Wij wilden dat meteen heel het systeem langs die weg zou gaan lopen. Ik hoop nog steeds dat het zo zal kunnen gaan en alle instellingen mee kunnen doen.”

    Die aanpak kentt nog twee aantrekkelijke kanten.

    1.)    Als de NVAO een schema zou mogen opstellen voor de implementatie van de verbeterstappen, dan weten alle opleidingen en hun instellingen waar ze aan toe zijn en wat wanneer waar zal gebeuren. Die helderheid en bestuurlijke rust kan een pilot nooit leveren.

    2.)    Er is geen ingebouwde noodrem meer nodig. De strijd die in de Kamer al losbarstte over wie, hoe en wanneer binnen een pilot alles zou moeten mogen stilleggen, leek een voorafschaduwing van wat in zo’n pilot binnen instellingen, in de media en bij ambtelijk OCW zou gaan gebeuren. De pilot zou verlamd zijn nog voor hij begon.

    Een klein wonder?

    Het zou een klein wonder kunnen heten. Minder bestuur drukte. HBO en WO kunnen samen een lichtere, beter afgestemde borging van hun kwaliteit tegemoet zien. Het bedrijfsleven weet dankzij opleidingsaccreditaties waar men op kan rekenen in concreto. Er gebeurt precies wat Han de Boer graag zag gebeuren en met hem in elk geval het overgrote deel van het HBO en de studentenorganisaties.. “Het blijft van belang dat van buitenaf, onafhankelijk, de kwaliteit op opleidingsniveau wordt gecontroleerd door een onafhankelijke instelling tenminste eens in de zes jaar. Dat principe moet volgens de ondernemingsorganisaties overeind blijven. Natuurlijk moet bekeken worden of de ervaren lasten van de instellingen kunnen worden verminderd, maar dat mag zeker niet het hoofddoel zijn van de plannen rondom accreditatie.”

    En nog meer: de studenten kunnen ervaringen en wensen rond de HO-kwaliteit beter delen met de experts. De borging op instellingsniveau wordt verstevigd. Harakiri-mechanismen binnen de implementatie worden overbodig. Last but not least: minister Bussemaker laat even zien dat zij en haar collega’s nog lang niet uitgeregeerd zijn.